wetenschap
PE Author

Valt Einstein nu van zijn voetstuk?

Johan Braeckman stelt dat, of de neutrino's nu sneller bewegen dan het licht of niet, het onderzoek ernaar open, transparant, kwetsbaar en zelfcorrigerend verloopt. Braeckman doceert wijsbegeerte aan de Universiteit Gent. Hij publiceerde zopas samen met Maarten Boudry: De ongelovige Thomas heeft een punt. Een handleiding voor kritisch denken.

1 © UNKNOWN
 De absolute waarheid bereiken we nooit, maar uit radicale openheid komt steeds betere kennis voort  

Als tiener twijfelde Max Planck of hij muziek of natuurkunde zou gaan studeren. Een professor fysica raadde hem muziek aan, omdat er niets nieuws meer viel te ontdekken in de natuurkunde: enkel 'een paar gaten' moesten nog opgevuld worden.

Planck had evenwel niet de ambitie om nieuwe ontdekkingen te doen, maar om de basisinzichten van de fysica te begrijpen. Hij begon zijn studies natuurkunde in 1874, aan de universiteit van München. In 1918 ontving hij de Nobelprijs voor natuurkunde, voor werk dat hij in 1900 uitvoerde en dat de grondslag legde van de kwantumtheorie. Die theorie veranderde op dramatische wijze onze kijk op het universum, net zoals de relativiteitstheorie en de bigbangtheorie. In weerwil van de professor die raad gaf aan Planck, viel er voor natuurkundigen nog ontzettend veel te ontdekken. Dat roept de vraag op of onze wetenschappelijke kennis ooit volledig kan zijn. Wanneer benaderen we de limiet van mogelijke kennis? Kan de wetenschap zelf aangeven dat ze een eindpunt heeft bereikt? Indien niet, kunnen we dan inschatten hoeveel we al weten en hoeveel er nog te ontdekken valt? De wetenschapsgeschiedenis leert ons dat we best niet te snel denken dat we tegen een kennisgrens aanbotsen. Niet alleen blijkt telkens opnieuw dat er meer te ontdekken valt dan we voor mogelijk houden, maar bovendien zijn de reeds verworven inzichten vatbaar voor herziening, aanvulling of vervanging.

Sneller dan het licht

In een veelbesproken experiment stuurden natuurkundigen neutrino's, een soort subatomaire deeltjes, vanuit het CERN in Zwitserland naar een laboratorium in Gran Sasso, Italië, 732 kilometer verder. Neutrino's leggen zo'n afstand af in een fractie van een seconde. Einsteins relativiteitstheorie, een van de hoekstenen van de moderne fysica, geeft aan dat de deeltjes zich niet sneller kunnen voortbewegen dan het licht (300.000 kilometer per seconde). Toch geven de metingen aan dat de neutrino's zestig nanoseconden sneller dan het licht reisden. Een nanoseconde is een miljardste van een seconde. Dat lijkt niet veel, maar als het waar is dat de neutrino's de lichtsnelheid overtroefden, zelfs al gaat het slechts om enkele nanoseconden, dan is dat resultaat bijzonder merkwaardig.

Geen wonder dus dat wetenschappers zes maanden wachtten om hun metingen wereldkundig te maken. Die wetenschappers zijn niet de eerste de beste. Ze weten hoe een experiment uit te voeren en hoe afstanden en snelheden te meten, nochtans geen sinecure bij deeltjes die in één seconde ruim zeven keer rond de aarde kunnen vliegen. Ze beseffen maar al te goed dat het resultaat van hun experiment enkele basisinzichten van de natuurkunde op de helling zet. Hoe dient men om te gaan met meetresultaten die potentieel revolutionair zijn, maar misschien voortkomen uit een fout die ergens in het experiment is binnengeslopen? In een dergelijke situatie moet men het hoofd koel houden. Stel dat volgend jaar iemand een marathon in minder dan twee uur aflegt, meer dan drie minuten sneller dan het huidige wereldrecord dat vorige week door Patrick Makau in Berlijn gelopen werd. Wat is dan meer waarschijnlijk: dat iemand een zeer onwaarschijnlijke prestatie leverde, of dat er iets misliep met de chronometrie? We mogen de eerste mogelijkheid niet uitsluiten, maar het is niet onredelijk om in eerste instantie de voorkeur te geven aan de tweede.

De fysici van het CERN en het Italiaanse labo redeneren ook zo. Daarom geven ze zichzelf en hun werk helemaal bloot: ze maken bekend hoe ze het experiment uitvoerden, met welke meetmethodes ze werkten en hoe ze de data statistisch analyseerden. Eigenlijk nodigen ze de hele wetenschappelijke gemeenschap uit om hun resultaat af te schieten. Als het experiment een achilleshiel heeft, dan zal een wetenschappelijk team er vroeg of laat een pijl in schieten. Dit is wetenschap op haar best: open, transparant, kwetsbaar, zelfcorrigerend. Net daarin schuilt haar kracht. Absolute waarheid bereiken we nooit, maar uit de radicale openheid komt steeds betere kennis voort.

nieuws

zine