Zaterdag 31/07/2021

AnalyseOnderwijskwaliteit

Wat is er aan de hand in ons onderwijs? 10 vragen beantwoord

null Beeld Wouter Van Vooren
Beeld Wouter Van Vooren

Leg aan elke betrokkene of zelfverklaarde expert tien vragen voor over de problemen in het onderwijs en dat levert een honderdvoud aan antwoorden op. Wat zijn de (meest) correcte? Want zelfs voor wetenschappen en wiskunde, zo bleek vorige week, halen we de wereldtop niet meer.

Wat leren de onderzoeken ons nu?

Discussies over onderwijs lijken verdacht veel op discussies over voetbal of virologie. Elke Vlaming waant zich een specialist in het diepst van zijn gedachten, maar eigenlijk hebben maar weinigen echt kennis van zaken.

De onderwijsonderzoekers die wel hebben ‘doorgeleerd’, zullen u en mij kunnen vertellen dat de kwaliteit van onze scholen achteruit gaat, maar ook dat ze eigenlijk de oorzaken van die teloorgang niet kennen. Het onderzoek dat afgelopen week alle aandacht wegkaapte, was dat van TIMSS.

Dat vierjaarlijkse onderzoek peilt naar het niveau van wiskunde en wetenschappen bij de kinderen in het vierde leerjaar. Resultaat: vooral de zwakste leerlingen doen het een pak minder goed. Steeds meer leerlingen missen zelfs de basiskennis. Vlaanderen neemt sinds 2003 deel aan TIMSS, en behoorde bij elke editie tot de wereldtop. “Gelukkig scoren we – internationaal gezien – nog goed op wiskunde”, daar troostte alle betrokkenen zich mee, wanneer andere onderzoeken met slechte resultaten kwamen voor begrijpend lezen bij leerlingen uit het vierde leerjaar (PIRLS), wiskunde op het einde van het lager onderwijs (nationale peilingsproeven) of leesvaardigheid bij 15-jarigen (PISA). Sinds vorige week is die schrale troost dus weggevallen.

Wat is PISA?

Het Programme for International Student Assesment (PISA) is de driejaarlijkse internationale ranking die de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) afneemt bij vijftienjarigen in geïndustrialiseerde landen.

Wat is TIMSS?

Trends in Mathematics and Science Study (TIMSS) is een internationale studie van de organisatie International Association for the Evaluation of Educational Achievement (IEA). Ze peilt elke vier jaar naar de kennis van wiskunde en wetenschappen bij leerlingen in het vierde leerjaar.

Wat is PIRLS?

De Progress in International Reading Literacy Study (PIRLS) onderzoekt hoe goed leerlingen kunnen begrijpend lezen. Net als TIMSS focust het zich op het vierde leerjaar en coördineert de IEA het onderzoek.

Wat zijn peilingsproeven?

Deze proeven worden elk jaar voor een ander vak georganiseerd. Ze testen of leerlingen de minimumdoelstellingen, de eindtermen, in dat vak halen.

Let wel, het is met internationale onderzoeken zoals met politieke peilingen. Ze veroorzaken telkens een enorme deining in de media en bij de publieke opinie, maken politici wanhopig dan wel euforisch, maar met hun manco’s wordt nauwelijks rekening gehouden. Soms testen ze bijvoorbeeld zaken die de leerlingen niet leerden in de klas. Is het dan wel fair om er dramatische conclusies aan te koppelen over de staat van ons onderwijs?

“De rankings van de landen in die onderzoeken zeggen ook eigenlijk niks”, meent onderwijswetenschapper Orhan Agirdag (KU Leuven). “Het aantal deelnemers schommelt immers. Wanneer er meer Aziatische landen meedoen, zakt België meteen enkele plaatsen, terwijl dit niks zegt over de evolutie van onze onderwijskwaliteit. Tussen de zesde en twaalfde plek op zo’n ranking zit er eigenlijk ook weinig kwaliteitsverschil. Wat wel een belangrijke indicator is, is de daling in de scores van de leerlingen.”

Lees: kijk naar de scores die onze leerlingen nu en enkele jaren geleden behalen, en vergelijk dat niet met de prestaties van de andere landen. Die oefening maakte professor emeritus Jan Van Damme (KU Leuven) vorig jaar en ook daaruit bleek dat onze leerlingen het steeds slechter doen. Hetzelfde onderzoek toonde voor het eerst ook zwart op wit aan dat er grote verschillen zijn tussen de koepels. Het Gemeenschapsonderwijs (GO!) doet het minder goed dan de andere twee koepels, het Katholiek Onderwijs Vlaanderen en Onderwijs van de Steden en Gemeenten (OVSG). Wel was de daling in het katholiek onderwijs veel groter dan in het GO, waardoor de verschillen kleiner werden.

Kunnen we wat leren uit het buitenland?

Finland was aan het begin van het millennium hét onderwijswalhalla, dankzij topposities in alle klassementen. En dus trok de wereld naar Finland om zich te laten inspireren. Vorig jaar was Estland aan de beurt, vorige week Engeland. Elk jaar heeft dus wel een nieuw gidsland in de onderwijswereld.

“Het heeft zeker zin om te kijken welke initiatieven genomen werden in andere landen”, zegt TIMSS-onderzoeker Jerich Faddar (UAntwerpen). “Al moeten we steeds in het achterhoofd houden dat de context erg kan verschillen. Een eenvoudige copy-paste zal nooit lukken.” Daarom pleiten Faddar en zijn collega’s er ook voor Vlaanderen niet te vergelijken met de Aziatische tijgers zoals Korea.

null Beeld © Eric de Mildt
Beeld © Eric de Mildt

Wél een goed voorbeeld zijn de gezamenlijke inspanningen van Nederland en Vlaanderen na de desastreuze resultaten voor begrijpend lezen in 2017. Sindsdien kwamen er ettelijke rapporten en worden de leesmethodes van de scholen die het wel goed doen volop gedeeld.

Al zitten er enkele addertjes onder het gras. Eerst en vooral blijft ook binnen Europa gelden dat elk land zijn eigen kenmerken heeft, en al zeker Vlaanderen met zijn verregaande vrijheid van onderwijs. Zelfs al zou hij willen, Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) zou niet erg ver geraken met een simpel doorslagje van bijvoorbeeld de plannen van zijn Britse tegenhanger. Zonder overleg en compromissen met koepels en vakbonden geraakt dat nooit tot op de klasvloer.

Het onderwijs blijft ook – met alle respect – een log en traag beest. “Het zal zeker tien jaar duren voor de effecten van nieuwe maatregelen zichtbaar zijn”, gaf Weyts vorige dinsdag zelf toe.

Wie de mogelijke oorzaak van de huidige resultaten wil zien, moet dus ook ettelijke jaren terug in de tijd. Iets wat veel experts vergaten toen ze halfweg de jaren 2000 de Finse onderwijshervormingen de hemel inprezen. Achteraf moesten ze blozend vaststellen dat het land intussen naar beneden duikelt in de internationale rankings. Finland prijkte deze week zelfs onder Vlaanderen voor wiskunde.

Welke hypotheses doen de ronde over ons kwakkelend onderwijs?

Onderzoeken geven geen uitsluitsel over de oorzaken, maar er zijn wel een paar plausibele verklaringen te vinden voor het slecht rapport van onze scholen. Pedagoog Pedro De Bruyckere (Artevelde Hogeschool): “Vergelijk het met het spel Wie is het?: Bepaalde zaken zijn de voorbije jaren constant gebleven en kunnen de daling in de resultaten dus wellicht niet verklaren. Die kan je sneller elimineren. Dan is het kwestie van te kijken naar welke bordjes rechtop blijven staan. Die verdienen in elk geval extra onderzoek.”

Ligt het aan de toename van kinderen met een migratieachtergrond?

Neen. De leerlingen die nooit Nederlands spreken, zijn de afgelopen drie cycli van TIMSS zwakker gaan presteren. Maar dat geldt ook voor leerlingen die altijd of bijna altijd Nederlands spreken thuis. Bij elke categorie leerlingen gaan de scores dus achteruit. “Het ligt dus zeker niet aan ‘de allochtoontjes’”, zegt Orhan Agirdag. “De onderwijsministers komen al vijftien jaar weg met de uitleg dat het aan de taalachterstand van deze kinderen ligt. Zij zoeken gewoon een schuldige voor hun falend beleid.”

Ligt het aan de manier van lesgeven?

Misschien. Simpel gezegd: drillen de juffen en meesters hun leerlingen te weinig? Sinds de jaren negentig lopen veel pedagogen alleszins hoog op met het ‘zelfontdekkend leren’, het ‘sociaal constructivisme’ of – op z’n Bart De Wevers – de ‘pretpedagogie’. Die pedagogische visie werd in veel scholen bon ton, pas de laatste jaren klinken er andere geluiden. “De stelling dat je kinderen een computer met Google kunt geven en dat ze zichzelf zullen onderwijzen, is onzin”, zegt Paul Kirschner, Nederlands emeritus hoogleraar Onderwijspsychologie. Kirschner bestreed deze pedagogische visie altijd al te vuur en te zwaard, ook toen dit niet populair was. “Een kind moet ‘volgestopt’ worden met kennis,” gaat hij verder, “maar dit betekent niet dat de leerkracht urenlang moet prevelen en de kinderen slechts stil aantekeningen maken. Dat is geen goed onderwijs! Het klopt ook niet dat kennis creativiteit doodt. Om creatief buiten de lijnen te kunnen schilderen moet je eerst binnen de lijnen leren schilderen.”

Ligt het aan de eindtermen?

Ook hier is geen eenduidig antwoord mogelijk. “De eindtermen gaan al meer dan twintig jaar mee, dus zou je kunnen concluderen dat je dit vakje kan afvinken”, zegt Pedro De Bruyckere. “Maar, en dat is de hypothese die KU Leuven-onderzoeker Jan Van Damme en deels ook OESO-expert Dirk Van Damme naar voor schuiven: het ligt misschien toch aan die eindtermen, omdat de onderwijsverstrekkers hun leerplannen teveel op die minimumdoelen hebben gebaseerd, waardoor de onderlat de norm is geworden.”

Ligt het aan de leerkracht?

Ja en neen. Het is een populaire hypothese dat de leerkrachten te jong en te onervaren zijn en dat ze de juiste (bij)scholing missen. Agirdag: “Het klopt in ieder geval dat de boomers nu massaal met pensioen gaan. Er is dus een instroom van onervaren leerkrachten, wat tot kwaliteitsvermindering leidt. Ook lijkt het erop dat het onderwijs minder goede profielen aantrekt, wat minder leerwinst oplevert.”

In vergelijking met andere landen leren onze leerkrachten ook weinig bij tijdens hun loopbaan. “Nochtans zeggen ze wel daar nood aan te hebben, bijvoorbeeld voor de integratie van ICT in de les, het inspelen op individuele leernoden, of het stimuleren van het kritisch denken van leerlingen”, zegt Faddar. Uit onderzoek blijkt ook dat de Vlaamse leerlingen steeds mondiger worden, waardoor de leerkracht soms meer flik dan lesgever is. “De effectieve onderwijstijd, zo blijkt uit onderzoek, ging de laatste jaren van 83 naar 75 procent”, zegt De Bruyckere.

Welke remedies stellen de hoofdrolspelers voor?

Elke mitspieler in het onderwijsveld heeft tegenwoordig zijn eigen favoriete remedie om het onderwijs er bovenop te helpen. Ministers, onderwijssociologen, -psychologen en -economen komen allemaal, vanuit hun vakgebied met andere oplossingen. “Enkele onderwijskundigen en -sociologen hebben heel lang het monopolie gehad in Vlaanderen”, meent Dirk Van Damme. “Dat is nu niet meer het geval en leidt tot een scherp debat. Helaas blijven veel inspecties, koepels en lerarenopleidingen wel doordrongen van hun ideeën en blijven zij het kwaliteitsprobleem in de Vlaamse scholen vaak ontkennen.”

Een van de remedies luidt dan: ‘Breek de macht van de koepels’. Het is een publiek geheim dat onderwijsminister Ben Weyts de heerschappij van de katholieke koepel, nog steeds verantwoordelijk voor twee derde van het onderwijs, wil indammen. Wouter Duyck, vice-president van de NVAO, Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie: “Ik erger me er dood aan dat Lieven Boeve, de ‘grote baas’ van het katholiek onderwijs, de afgelopen week nergens te bespeuren viel. Hij draagt autonomie hoog in het vaandel, maar autonomie brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee. De sense of urgency lijkt totaal afwezig bij hem.”

De grote, historisch gegroeide vrijheid van ons onderwijs maakt dat de minister veel minder te zeggen heeft dan in andere landen. Wat hij wel al beslist heeft, is dat er taalscreenings, centrale examens en meer ambitieuze eindtermen komen. “De taalscreenings liggen al lang op tafel”, zegt Dirk Van Damme. “Dat wou Frank Vandenbroucke al invoeren toen ik zijn kabinetschef was.” Tegenstanders van de taalscreenings vrezen dat zij leerlingen zullen stigmatiseren, zeker wanneer ze niet slagen voor deze taaltoets voor het eerste leerjaar en een jaartje in een aparte klas zullen moeten doorbrengen.

Even controversieel zijn de centrale examens of – nog zo’n vreselijke term waar het onderwijsdebat een patent op heeft – de ‘gestandaardiseerde toetsen’. Van Damme en co zijn pro, andere specialisten faliekant tegen. Zij waarschuwen dat deze centrale examens ervoor zullen zorgen dat er rankings onder de scholen zullen ontstaan en dat leerkrachten hun leerlingen vooral zullen klaarstomen voor deze testen. Waarop de voorstanders dan weer repliceren dat de resultaten van de testen niet openbaar zullen zijn en er niks mis is met een degelijke voorbereiding op een toets die de juiste vragen bevat.

Terwijl de minister focust op de resultaten van de leerlingen, ijveren de koepels vooral voor meer steun en begeleiding voor de leraren. “Wij zijn het enige land ter wereld met een driejarige opleiding om leraar te worden,” zegt Agirdag. “Waarom bestaat er geen master voor het basisonderwijs?”

null Beeld Eric de Mildt
Beeld Eric de Mildt

Wijzen alle betrokkenen niet naar de verkeerde?

Een onderbelichte rol spelen de CLB’s (vroeger ‘het PMS’), de klassenraden en zeker ook de onderwijsinspectie. Zowel het CLB als de klassenraden geven adviezen over de te volgen studierichtingen. Zijn die adviezen wel altijd juist? “Onderzoek over de CLB-adviezen is er bij mijn weten niet. Onderzoek over de lerarenadviezen bestaat wel”, zegt Agirdag. “Zij blijken enorm etnisch en sociaal vertekend.” In mensentaal: een meisje met een migratieachtergrond zal veel sneller te horen krijgen dat ze huishoudkunde moet studeren dan een wit meisje met hetzelfde rapport. Nog een ‘blinde vlek’ zijn de onderwijsinspecties. Want wie inspecteert en controleert de inspecteurs? Ierland zet bijvoorbeeld in op een strenge onderwijsinspectie wat de verschillen tussen de scholen – die in ons land dus erg groot zijn – heeft verkleind.

In Vlaanderen ging het net de andere kant op. De vorige onderwijsminister, Hilde Crevits (CD&V), hervormde de onderwijsinspectie. Die werd veel meer ‘een kritische vriend’ dan een ‘strenge controleur’. “Voor mij is dat inspectiedecreet echt een gedrocht”, zegt Van Damme. Veel armslag heeft de inspectie ook niet: 100 inspecteurs controleren in Vlaanderen 3.000 lagere en secundaire scholen en nog eens 2.000 leerlingen die thuisonderwijs volgen. Van Damme: “Wanneer een school er onderdoor gaat, duurt het in Vlaanderen tien jaar tot er een alarm afgaat.” Officieel zijn er dan ook geen slechte scholen in onze contreien. “Het verschil tussen de resultaten van de onderwijsinspectie en de internationale onderzoeken, zeker voor wiskunde, is opmerkelijk”, zegt Faddar. “Het duidt op het belang van het naast elkaar leggen van die verschillende informatiebronnen.”

Strengere inspecties, die meer kijken naar leerwinst, kunnen daar wat aan verhelpen. “Het zou best kunnen dat een school in Molenbeek met een ‘moeilijk’ publiek meer uit haar leerlingen haalt dan een wit college met ‘makkelijke’ middenklassekinderen uit Veurne”, zegt Duyck. “Maar dat zal niet blijken wanneer je de rapporten van die kinderen vergelijkt. Wel wanneer je een grondige analyse maakt. Daar moet de onderwijsinspectie op inzetten zodat de enorme verschillen tussen de scholen verklaard én verkleind worden.”

Welke schooltaak moet de minister meteen – en liefst vandaag nog – maken?

Vraag het aan wetenschappers en het antwoord is steevast: meer onderzoek! Dat duurt echter jaren en die tijd is er niet. “We moeten ook beseffen dat deze cijfers, los van corona dan nog, ons tonen dat er een generatie slecht opgeleide kinderen dreigt uit te stromen, ondánks het zware werk van leerkrachten”, zegt De Bruyckere. “Ik hoor veel mensen bezig over hoe we het onderwijs beter kunnen maken, nauwelijks hoe we dat kunnen rechttrekken voor die kinderen die er nu in zitten.”

Moet er dan een parlementaire onderzoekscommissie komen, zoals in Nederland in 2008? “Het rapport van de commissie-Dijsselbloem is nog steeds verschrikkelijk actueel”, zegt Van Damme. “Helaas is er daarna niets meer mee gebeurd. Ik zou een gelijkaardige commissie in Vlaanderen toejuichen. Veel veranderingen zal die op zich niet brengen, maar het kan wel een breekijzer zijn.”

Onderwijsminister Weyts heeft al een eigen commissie opgericht onder leiding van Philip Brinckman, schooldirecteur van het Sint-Jozefcollege in Turnhout. Die levert volgend jaar alvast haar eerste bevindingen af. De grootste troef van deze commissie is echter tegelijk haar grootste gebrek. Er zitten geen vertegenwoordigers van de koepels of vakbonden in, waardoor deze machtige spelers haar legitimiteit moeiteloos onderuit kunnen halen.

Gek genoeg speelt de hele coronacrisis hier misschien in het voordeel. De geschiedenis leert dat enkel ministers die samenzitten met de koepels en vakbonden echte veranderingen kunnen doorvoeren. En laat dat net zijn waar Weyts en het onderwijsveld toe veroordeeld waren de laatste maanden: elkaar elke twee weken zien, al was dat dan via een computerscherm. Het scherpe debat over de eindtermen vorige week toont wel aan dat alle tegenstanders niet vanzelf uit hun loopgraven zullen komen en een kerstbestand zullen sluiten.

Toch zal er zo’n bestand moeten komen, en snel, met een ‘herstelplan’ voor het hele onderwijs, dat rekening houdt met de bestaande wetenschappelijke onderzoeken. Weyts heeft zich de afgelopen maanden geweerd als een duivel in een wijwatervat om de scholen open te houden. Nu moet hij daar ook de best mogelijke scholen van weten maken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234