Woensdag 03/06/2020

Voor u uitgelegdLaatste inzichten

In de race naar het vaccin duikt een cruciaal probleem op

Vaccinonderzoek in een lab aan de universiteit van Kopenhagen.Beeld AFP

Over het nieuwe coronavirus Sars-CoV-2 is de wetenschap razendsnel veel te weten gekomen. Toch blijven er nog raadsels en onzekerheden. In de race naar het vaccin duikt bijvoorbeeld al een cruciaal probleem op: we weten nog (altijd) niet hoe de immuniteit precies werkt. Wat weten we wel en wat weten we niet?

De verspreiding van het virus

Essentiële kennis is dat mensen anderen al besmetten twee tot drie dagen voor ze symptomen vertonen en nog een viertal dagen besmettelijk zijn.

Ook helder is dat de verspreiding verloopt via druppeltjes die vrijkomen als we spreken, niezen of hoesten. Sommige zijn ‘groot’ (vanaf 5 micrometer) en vallen na zowat anderhalve meter op de grond, andere zijn (veel) kleiner en kunnen langer in de lucht hangen. De grote ‘droplets’ zijn riskanter voor besmetting, omdat ze meer virus bevatten en minder snel opdrogen dan de kleine.

Een Nederlands onderzoek bij fretten suggereert dat besmetting via de lucht ‘niet uitgesloten is’. Verschillende andere labexperimenten tonen hoe ‘wolken’ met druppeltjes onder invloed van onder andere de windrichting verder kunnen zweven dan anderhalve meter.

Contactbesmetting via oppervlakten kan ook. Een filmpje van Japanse wetenschappers waarin fluorescerende verf het virus speelt, toont hoe snel het zich verspreidt aan een buffet. En de Nijmeegse viroloog Neeltje van Doremalen en haar team publiceerden in The New England Journal of Medicine een artikel over hoe het virus tot drie dagen overleeft op vooral metaal en plastic.

Belangrijk is echter het verschil tussen labtests en het echte leven, zegt viroloog Anne-Mieke Vandamme (KU Leuven). “Wat theoretisch en in labsettings mogelijk is, gebeurt niet per se in de praktijk. Zo weten we niet of er voldoende virus op oppervlakten terechtkomt, dat ook lang genoeg en in een dosis die groot genoeg is overleeft om mensen te besmetten.”

Ook het onderzoek met de fretten vertalen naar besmetting onder mensen is “een brug te ver”, stelt viroloog Kevin Ariën (Instituut voor Tropische Geneeskunde). “De heel kleine druppels kunnen in de lucht circuleren, maar de kans dat je daardoor besmet raakt, is erg klein, want de hoeveelheid virus in die microdruppels is fel afgezwakt.”

Wel steeds duidelijker bewezen, is dat het besmettingsgevaar het grootst is als we langere tijd met meerderen in een kleine of slecht verluchte ruimte vertoeven. Dan blijven de druppeltjes ‘hangen’ en circuleren. 

Nu het warmer wordt, doemen ook zorgen op over ventilatie en airco. Een Chinese studie beschuldigt de airco in een restaurant van besmetting onder de gasten. “Maar dat is verder nog niet hardgemaakt”, zegt microbioloog Herman Goossens (UAntwerpen).

Vandamme bepleit hier voorzichtigheid. “In sportzalen, in bussen en op kantoor zorg je er het best voor dat de lucht niet hercirculeert én dat de luchtstroom dwars en het liefst maar over één persoon beweegt.”

Het verloop van de ziekte

Het is, ironisch genoeg, problematisch dat het virus een groot deel van de mensen niet ziek maakt. Zeker de helft van de besmette mensen is asymptomatisch. Dat is een groot voordeel voor hen, maar een nadeel voor de bestrijding van de pandemie: zij blijven onder de radar, maar besmetten wel anderen.

Wie wel ziek wordt, kan het zeer zwaar krijgen. Wat eerst ‘een soort griep’ leek, blijkt in zijn ergste vorm een zware infectie, die zeker niet alleen de longen aantast, maar zich zelfs tot in het hart, de hersenen en het sperma kan manifesteren. Dat komt doordat het virus ons lichaam binnendringt via de ACE-2-receptor, een toegangspoortje op celniveau dat vooral in de luchtwegen veelvuldig aanwezig is, maar ook in andere organen en in de wanden van bloedvaten zit.

Het nieuwe coronavirus kan ontstekingen in de longen en luchtwegen veroorzaken.Beeld DM

Daar brengt het virus op een nog onbekende manier veel meer bloedstolling teweeg. Veel patiënten hebben in hun bloed een torenhoog niveau D-dimeer, een bijproduct van de bloedstolling.

“Zo ontstaan klontertjes”, zegt Vandamme. “Sommige patiënten hebben daardoor van die typische gezwollen ‘diabetesvoeten’.” Anderen krijgen proppen in de bloedbaan. Dat kan leiden tot hoofdpijn, beroertes en nierschade, en in het ergste geval tot fatale gevolgen voor hersenen of longen.

Mogelijk kan dat stollingsprobleem ook verklaren waarom sommige patiënten nog wekenlang zware pijn hebben aan organen zoals de longen, het hart en de nieren. 

Nog een lastig kenmerk van Covid-19 is dat het soms lijkt of je genezen bent, waarna het plots weer slechter gaat. “Deze ziekte gaat in fases”, zegt Vandamme. “Eerst ben je besmet en merk je niets, dan word je ziek door het virus en schiet je immuunsysteem in gang. Vervolgens kan het gebeuren dat dat in overdrive gaat en je daardoor nog zieker wordt.” Dat heet de ‘cytokinestorm’, en die richt veel schade aan. Soms lijken patiënten veel beter omdat het immuunsysteem zijn werk deed, maar volgt die storm toch nog.

Het merkwaardigste aan Covid-19 is misschien wel dat sommige patiënten zwaar zuurstoftekort hebben zonder dat te merken. “Het valt niet op, omdat andere ziektesymptomen eerst afwezig zijn en mensen zeker in lockdown geen zware inspanningen doen”, zegt Vandamme. “We kunnen blijkbaar een hele tijd zonder voldoende zuurstof. Maar ondertussen beschadigen die patiënten wel hun longen. Daarom zouden we bij risicogroepen het zuurstofgehalte zeer geregeld moeten meten. Zo voorkom je schade die onder de radar blijft. De Duitsers doen dat, en dat verklaart zeker deels het lage dodental daar.”

De rol van kinderen

Kinderen raken veel minder besmet, dat staat vast. “Hun aandeel onder de besmetten is erg laag”, zegt microbioloog Goossens. “Voor België is het 0,5 procent, en in andere Europese landen zie ik zeer vergelijkbare percentages.”

Ook zijn er nauwelijks kinderen die ziek worden. “Dat komt misschien doordat hun immuunsysteem minder snel overreageert”, zegt Ariën. Bovendien geven kinderen het  virus (veel) minder door dan volwassenen. Zo laten studies in huishoudens zien dat kinderen in minder dan 8 procent van de gevallen degenen zijn die gezinsleden besmetten. 

Kinderen raken minder besmet en geven het virus minder snel door.Beeld Bas Bogaerts

Er zijn verschillende hypotheses om de beperkte rol van kinderen te verklaren. Zo kan meespelen dat zij kleinere longen en minder spierkracht hebben, waardoor de ‘viruswolken’ die ze ‘uitstoten’ beduidend minder impact hebben. 

Ook plausibel is dat kinderen minder virus dragen omdat ze minder ACE2-receptoren hebben (zie boven), waardoor het virus zich minder in hun lichaam kan nestelen. Goossens verwijst naar onderzoek van Christophe Muus (Harvard University) dat daarop wijst. “Zwitsers onderzoek (Leonard Held, BDB ) toont ook hoe de virale lading telkens 10 procent toeneemt per tien jaar. Bij de jongsten is die dus een stuk lager.”

Volgens Ariën is het wel nog wachten op longbiopsieën die de studie over de ACE-2-receptoren bij kinderen ondersteunen.

Een vraagteken blijft wel de rol van asymptomatische kinderen. “We gaan er dus van uit dat zij minder virale lading hebben en dus minder riskant zijn als besmettingsbron dan asymptomatische volwassenen, maar de harde bewijzen ontbreken nog”, zegt Goossens. 

Immuniteit na besmetting

Wie denkt na een besmetting ‘van dat hele corona’ af te zijn, is eraan voor de moeite. Recente studies maken duidelijk dat de immuunrespons niet zo sterk en duurzaam is. 

“Bij mensen die antilichamen aanmaken omdat ze de infectie doormaken, zien we bijvoorbeeld dat die hoeveelheid antilichamen snel weer afneemt, soms zelfs al na een maand”, zegt Ariën. 

Immunoloog Hans Snoeck (Columbia University) wijst op een net gepubliceerde studie (in het vakblad Nature Reviews Immunology) die vaststelt dat zwaar zieke patiënten flink veel antilichamen aanmaken, maar dat niet duidelijk is of dat hen beschermt of zieker maakt. “Hier zien we aanwijzingen dat de antilichamen het virus net zouden kunnen helpen cellen om binnen te raken”, zegt Snoeck. “Wordt dat bevestigd, dan is dat een groot probleem voor een vaccin. Datzelfde mechanisme is de reden waarom er geen vaccin is tegen RSV (infectieziekte aan de luchtwegen, BDB).” 

Voor een vaccinproductie is het sowieso een probleem dat niet bekend is hoe een beschermende immuunreactie er precies uitziet. “Veel kandidaat-vaccins werken met het spike-eiwit aan de buitenkant van het virus, maar er is helemaal geen garantie dat antilichamen ook beschermen tegen het echte virus”, zegt Ariën. 

“We weten niet welke knopjes van het immuunsysteem we precies moeten indrukken om voldoende bescherming te garanderen, en we weten ook niet hoelang de immuunrespons actief beschermt. Vaccinproducenten die beweren dat ze er binnenkort één hebben, snijden dus veel bochten af. Als je dan toch wilt vergelijken met griep, moet je beseffen dat griepvaccins niet zo goed beschermen en we er twee keer per jaar een nieuw moeten maken omdat het virus zich aanpast. Dat scenario is ook met dit virus zeker niet uitgesloten.”

De impact van warmer weer

‘Hoera, in de zomer zal het virus onder de hitte verschrompelen.’ Dat is, zeer kort samengevat, een idee dat leeft. Het is gebaseerd op het feit dat RNA-virussen zoals Sars-CoV-2 zeker wel wat wankelen onder de invloed van hitte en uv-stralen én op de vaststelling dat griepvirussen ons in de winter wél en in de zomer nauwelijks ziek maken. Maar of het virus deze zomer werkelijk de biezen pakt, is niet zeker.

Zo is het virus wel degelijk present in landen waar zomerse temperaturen heersen. “Ook het griepvirus circuleert trouwens het hele jaar door in de tropen”, zegt Ariën. “Nu verwijst men naar studies over het feit dat het virus minder lijkt voor te komen in het zuidelijke halfrond. Maar dat is een erg netelige conclusie, want allerlei andere redenen spelen mee, zoals onderrapportage, en een jongere bevolking met een alerter immuunsysteem die meer buiten leeft.”

“Wat we zeker weten over het griepvirus is dat het in droge en koude lucht meer slagkracht heeft”, zegt Goossens. “Tegelijkertijd circuleert het ook goed in de tropen in extreem vochtige lucht. Of Sars-CoV-2 zich ook zo zal gedragen, is niet zeker.”

Mensen genieten van het warme weer op het strand van het Engelse Brighton.Beeld AP

Twee andere redenen waarom griep meer voorkomt in de winter hebben ook meer met ons gedrag dan met het kwik te maken. 

Zo zitten we in de winter veel meer binnen en verluchten we minder, wat dit soort virussen helpt. Het zou kunnen dat als we in de zomer meer buiten zijn ook het coronavirus hier minder zal kunnen circuleren, enkel en alleen omdat we meer buiten zijn. 

Verder zijn kinderen bij griep een grote besmettingsbron. In de zomer hebben zij veel minder impact omdat de scholen dicht zijn. Maar bij Sars-CoV-2 zal dat positieve zomereffect veel minder spelen, simpelweg omdat kinderen bij de verspreiding net een erg beperkte rol spelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234