Zondag 20/09/2020

Zomer van de waanzin

De Hiroshima-atoombom was ook een beetje Belgisch, maar het verhaal erachter is nog lang niet opgeklaard

Op 6 augustus 1945 droppen de Amerikanen de eerste atoombom op de Japanse stad Hiroshima, drie dagen later is Nagasaki aan de beurt. Honderdduizenden mensen sterven. Beeld KOS

Na de gruwel van de kampen en het geruzie rond koning Leopold III komt op 6 augustus 1945 vanuit Washington het bericht over de eerste atoombom. Die is Belgisch, blijkt later. Het uranium is stiekem aangeleverd vanuit Katanga.

Het is 6 augustus 1945 als de in New York wonende topman Edgar Sengier van Union Minière telefoon krijgt van de Amerikaanse kolonel William A. Consodine. Hij zegt: “Luister straks naar het nieuws van elf uur.”

Het radionieuws meldt dat het Amerikaans leger de eerste atoombom ooit heeft gedropt op de Japanse stad Hiroshima. Een groot strategisch belang heeft de bom op zich niet, de keuze voor Hiroshima is eerder ingegeven door goede zichtbaarheid doorheen het wolkendek voor de bemanning van de Elona Gay. Little Boy en Fat Man, drie dagen later op de stad Nagasaki, kosten honderdduizenden mensen het leven. Maar belangrijker: de wereld weet nu dat er een land is dat in staat is om in een paar seconden een hele stad weg te vegen.

Voor de afgevaardigd bestuurder van het vooral in de Belgische kolonie Congo actieve mijnbouwbedrijf blijft het niet bij een telefoontje. Sengier, een oud-leerling van het Sint-Amandscollege in Kortrijk, wordt later die dag door generaal Leslie Groves, leider van het Manhattanproject, op het Witte Huis voorgesteld aan de Amerikaanse president Truman: “I want you to meet the man without whose assistance we could not have accomplished what we have done.”

Belgisch uranium

Union Minière ontgon in de Congolese provincie Katanga de uraniummijn van Shinkolobwe. Die mijn was in 1937 al gesloten na een overstroming, maar er lagen nog duizenden vaten uraniumerts. Nadat de nazi’s in mei 1940 België, Nederland en Frankrijk binnenvielen, regelde Edgar Sengier snel nog het transport van 1.139 ton uranium in zo’n 2.000 vaten per spoor naar de haven van Lobito, en van daaruit per schip naar New York. Sengier deed het allemaal op eigen houtje. Hij regelde ook een loods op Staten Island, waar de vaten twee jaar lang zouden blijven liggen.

Sengier had als wetenschapper allang begrepen dat uranium het hoofdbestanddeel zou worden van het wapen van de toekomst. Hij probeerde ook een kleinere hoeveelheid in de vestiging van Union Minière in Olen nog in veiligheid te brengen via Engeland, maar dat mislukte.

In zijn boek België en de bom verhaalt oud-Groen-politicus en burgerlijk ingenieur Luc Barbé hoe Sengier al in mei 1939 werd aangeschreven door de Britse wetenschapper Sir Henry Tizard, die stelt: “Mijnheer, denk goed na. Als dit uraandioxide in vijandelijke handen zou vallen, is dat een ramp voor onze landen. Wat u ook doet, bewaar het materiaal op een veilige en vooral geheime plaats.”

Luc Barbé: “De nazi’s hebben uiteindelijk nog de handen kunnen leggen op het in Olen achtergebleven uranium. Union Minière heeft daarover altijd gezegd: ‘Wij konden niet anders dan de nazi’s ons uranium laten afpakken.’ Gelukkig geloofde Adolf Hitler niet zo in de atoombom. De nazi’s werkten wel aan een kerncentrale, de mogelijkheid van een binnen een redelijke termijn te ontwikkelen atoombom zagen ze niet zo. Hitler zette meer in op V1’s en V2’s, zijn toekomstige superwapens. Het Olense uranium viel na de oorlog in handen van de Russen, en zo konden ook zij aan de slag met hun eerste atoombom.”

Overlevenden van de explosie krijgen te maken met stralings­ziekte, in een ziekenhuis in Hiroshima. Beeld Getty Images

Kwestie van diplomatie

Niet alleen Hitler zag het niet. Want Sengier mocht zoveel brieven schrijven als hij wou, het duurde tot het aantreden van generaal Groves als hoofd van het Manhattanproject in 1942 voor hij zijn vaten kon verkopen aan het Manhattan Engineering District. Hij deed dat zonder de goedkeuring van de Belgische regering-in-ballingschap in Londen. Hij deed het ook buiten z’n eigen raad van bestuur om. Vanaf eind 1942 kwam het erop aan nog enkele duizenden tonnen uranium van in Katanga richting New York verscheept te krijgen.

Luc Barbé: “Het uranium uit de mijn van Shinkolobwe was van een uitzonderlijke kwaliteit. Men kon ook elders, in de Verenigde Staten zelf, uraniumerts opdelven. Voor de ontwikkeling van de eerste atoombommen kon geen enkele mijn tippen aan die van Shinkolobwe.”

Het uranium is Belgisch, het ligt in Katanga. België is in 1942 een bezet land en kan op dat ogenblik enkel hopen op een interventie van de geallieerden. De Amerikanen hebben zich na de Japanse aanval op Pearl Harbour op 7 december 1941 mee in de oorlog gegooid en het lijkt een kwestie van diplomatie om vanuit Londen geregeld te krijgen dat dat uranium als de weerlicht moet worden verscheept naar New York.

Maar zo eenvoudig was het niet.

Spionnen

In haar in 2018 verschenen boek Spies in the Congo schetst de Britse historica Susan Williams op grond van vrijgegeven documenten van de Amerikaanse veiligheidsdiensten een erg verrassend beeld van hoe het er in Katanga halfweg de oorlog aan toeging. Katanga is vanaf 1943 een soort suikertaart waar buitenlandse geheime agenten als vliegen boven lopen te zoemen. Amerikanen, Britten, Portugezen, Duitsers.

De Amerikanen sturen Wilbour Hogue, een daarvoor in Nigeria gevestigde geheim agent. Hij moet een manier zien te vinden om het vertrouwen te winnen van mensen met een plaatselijk netwerk die hem kunnen helpen met het opzetten van nieuwe geheime transporten van uranium, zonder dat vijandige mogendheden daar lucht van konden krijgen en schepen kelderen in de Atlantische oceaan.

Luc Barbé: “Katanga is en was een schat aan voor het verdere verloop van de oorlog cruciale grondstoffen. Niet enkel uranium, ook diamant. In die tijd draaide het bij de productie van de precisiewapens van die tijd heel erg om diamant. Men moest zien te voorkomen dat er deals zouden worden gesloten tussen lokale producenten en Duitsers.”

Het Belgische koloniaal bewind in Katanga is met totaal andere dingen bezig. Williams citeert in haar boek een brief van missionaris Jean-Félix de Hemptinne naar de in Londen residerende katholieke minister van Koloniën Albert de Vleeschauwer: “Een geest van antipathie en uitdagendheid is zich aan het verspreiden. De plaatselijken zijn zich aan het losmaken van onze autoriteit. Meer en meer tracht men onze invloed te ontvluchten. Het gezicht van Congo is aan het veranderen. België is op weg z’n kroonjuweel in Afrika te verliezen.”

‘Die hele episode met de Belgen in Elisabethstad die blijkbaar eerder aan de kant van de nazi’s stonden, is amper gedocumenteerd’, zegt Luc Barbé, auteur van ‘België en de bom’.Beeld rv

Jean Decoster

Er heerst sociale onrust in de kolonie. En een van de mensen waar de Belgische elite in Katanga zich het meest zorgen over maakt is een zekere Jean Decoster. Hij is een gepensioneerde journalist, de zestig al een eind voorbij. Hij woont sinds z’n dertigste in Congo, en stichtte er in 1931 z’n eigen krant, L’Echo du Katanga. Met op zaterdag een pagina in het swahili. Hij organiseert ook lessen Frans voor Congolese arbeiders. Decoster is een uitgesproken socialist. Hij richtte in 1936 in Elisabethstad een lokale afdeling van de Belgische Werklieden Partij (BWP) op. Men z’n krant ging Decoster de concurrentie aan met het rechtse en katholieke L’Essor du Congo.

Susan Williams: “Decoster was al z’n hele leven actief in de vakbondswereld, maar ontwikkelde een diepe afkeuring voor het feit dat vakbonden zich in Congo enkel bekommerden om witte arbeiders en geen aandacht hadden voor de noden van Afrikanen. Hij vond dit niet alleen racistisch, maar extreem oneerlijk.”

Het is uitgerekend hij, Jean Decoster, die door de Amerikaanse veiligheidsdiensten wordt benaderd om hen te helpen. Wilbour Hogue typeert hem in verslagen aan het thuisfront als “pro Amerikaans” en “pro geallieerden”. En, zo rapporteert hij op 24 juli 1944: “Zoals de meeste journalisten is hij vrij goed geïnformeerd.”

Susan Williams: “De Amerikaanse spionnen waren niet zozeer bezig met Duitsers die Congo clandestien waren binnen geraakt als spionnen. Eerder met Belgen en Portugezen in Congo die sympathiseerden met de nazi’s en het Derde Rijk. Wilbour Hogue wist dat heel wat Belgische overheidsfunctionarissen, onder wie het hoofd van de politie, werden verdacht van smokkel en collaboratie met de nazi’s. Hij had zware verdenkingen tegen prominente zakenmensen.”

‘Congo is van ons’

Jean Decoster krijgt van Hogue 100.000 Congolese Belgische franken toegestopt voor “uitgaven”. Hij moet een manier zien te vinden om een partij diamanten te kopen op de zwarte markt. De journalist-vakbondsman krijgt ook een code, 253/25.

Het uiteindelijke doel is dat Jean Decoster buiten het koloniaal bewind om transporten van vaten uranium geregeld krijgt. Hij legt daarvoor overal contacten. Hij spioneert voor de Amerikanen en hij wordt bespioneerd door agenten van de Belgische Staatsveiligheid. Decoster riskeert vijf jaar gevangenisstraf als hij zou worden ontmaskerd als agent van een buitenlandse inlichtingendienst.

Ook Wilbour Hogue werd door de Belgische autoriteiten in Elisabethstad extreem gewantrouwd, schrijft Susan Williams: “Als hij de flarden informatie die hij had samenlegde, was het voor Hogue evident dat enkele vooraanstaande Belgische industriëlen in Congo, waarvan sommigen er sterk van werden verdacht met nazi-Duitsland samen te werken, hem heel aandachtig in de gaten hielden. Het leek er ook sterk op dat de geheime akkoordjes die hij in mei had gemaakt met Jean Decoster waren ontdekt.”

Luc Barbé: “Die Decoster was bezig stakingen in de mijnbouw te organiseren en op te komen voor betere lonen en beter onderwijs voor de Congolezen, en tegelijkertijd bezig de Amerikanen te helpen in het vergaren van grondstoffen die over de oorlog konden beslissen. Het is heel bizar om zoveel jaar later uit de door Williams geopenbaarde documenten te begrijpen dat de Amerikanen meer vertrouwen hadden in iemand als hij dan in wie ook. Want dat was de doctrine, toen: ‘Congo is van ons. Congo is een onuitputtelijke bron van inkomsten.’ Men vond dat de Britten en de Amerikanen daarvan moesten afblijven.”

Rehabilitatie

Jean Decoster zou uiteindelijk in augustus 1944 worden gearresteerd. Omdat hij geen verklaring had voor de berg bankbiljetten die bij hem werd aangetroffen. Bij een huiszoeking was ook een lijst gevonden waarvan kon worden aangetoond dat die was getypt op de schrijfmachine van Wilbour Hogue. Met daarop namen van Belgische ambtenaren, industriëlen en magistraten die er door de Amerikaanse spionnen in Elisabethstad van werden verdacht samen te werken met de nazi’s, onder wie een magistraat met de naam De Clerck.

Hogue krijgt een standje van z’n oversten: “Het is betreurenswaardig dat de naam De Clerck, die overal in Elisabethville wordt gerespecteerd, op deze lijst werd vermeld. Hogue maakte een slechte keuze toen hij er Decoster uitpikte. De lokale politie beschouwt hem als zeer onbetrouwbaar.”

Hogue en Decoster zullen uiteindelijk mislukken. De een wordt met een blaam teruggestuurd naar de VS, de andere keert terug naar z’n leventje van daarvoor. In een rapport aan het State Department wordt Hogue op 12 oktober 1944 al gerehabiliteerd: “Mijnheer Hogue heeft de overheid grote diensten bewezen en na een grondige analyse van de tot nu toe bekende feiten blijft ons vertrouwen in hem onaangetast.”

België is inmiddels bevrijd, en enkele dagen voor de regering-in-ballingschap naar Brussel terugkeert, is begin september 1944 een intergouvernementeel akkoord gesloten met de Verenigde Staten. Het is een exclusiviteitscontract voor het uranium in Katanga voor de tien jaar die hierna volgen.

Luc Barbé: “Die hele episode daarvoor, met Jean Decoster, met de Belgen in Elisabethstad die blijkbaar eerder aan de kant van de nazi’s stonden, is behalve in dat boek van Susan Williams nauwelijks gedocumenteerd. Er moet nog een dossier over die Jean Decoster bestaan bij onze Staatsveiligheid, want die hebben best lang achter hem aangezeten. Je vraagt je toch af waarom men dit soort informatie in de Verenigde Staten wel en bij ons nog altijd niet kan openbaar maken.”

Morgen: de executie van Leo Vindevogel

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234