Woensdag 05/08/2020

Boeken

Zelf vuur leren maken is hot: vlammen voeden meer dan ooit onze verbeelding

Vuurtje maken in Lapland. Lucifer noch aanmaakblokje als het even kan.Beeld Wouter Van Vooren

Zelf vuur leren maken en hout sprokkelen voor de haard: het lijkt wel de jongste hype. Toch zit onze fascinatie voor vonken en vlammen stevig verankerd in onze genen.

Met zijn net verschenen boek Vuur is de Britse bushcraftexpert Daniel Hume de zoveelste in het rijtje auteurs die inpikt op een nieuwe trend: zelf vuur maken. Niet met lucifers en aanmaakblokjes, maar met traditionele methodes zoals een stokje en een houten plank, een vuurboog, of vuurstenen. Vorig jaar verraste de Noorse romanschrijver Lars Mytting de bestsellerlijsten met zijn boek De Man en het hout (of Norwegian Wood), een antropologisch verslag van hoe de Noren hun houtvoorraad organiseren, over de noodzaak van vuur dus. Soortgelijke titels als The Little Book of Building Fires (Sally Coulthard) en Playing with Fire (Paul Heiney) suggereren dat alles wat met vuur en hout te maken heeft een momentum beleeft.

Het zou een vervolg kunnen zijn op de Deense hygge-trend, de gezelligheidsformule die volgend jaar naar verluidt zal muteren in het Schotse Cosagach: onder een dekentje een boek lezen terwijl het haardvuur gezellig knappert. Toch lijkt er meer mee te spelen. Hardwerkende Londenaars getuigden onlangs in The Guardian over hoe ze tijdens het weekend een bijl ter hand nemen, hout sprokkelen en vuur leren maken om af te kicken van de neveneffecten van hun bureaujob. Een nieuwe gimmick om digitaal te detoxen? Of schuilt er mogelijk toch een levenshouding in de survivaltechnieken van mensen als Daniel Hume en Bear Grylls?

Transcendente ervaringen zoeken in de wildernis is sinds mensenheugenis een soort van rite de passage, zoals Daniel Hume schrijft, waarbij de maturiteit komt met het besef dat een mens niets vermag tegen de natuur, en dat de kleinste verstrooidheid hem fataal kan worden. In de wilde natuur geldt de regel dat wie geen vuur kan maken een vogel voor de kat is. Als wij, de hoogste in de voedselketen, morgen zonder elektriciteit vallen en overgeleverd worden aan de natuurwetten, zijn velen van ons hulpelozer dan de neanderthalers uit La guerre du feu (1981, maar gebaseerd op het gelijknamige boek uit 1911 van de Belgische schrijver J.-H. Rosny ‘de oude’).

Lachwekkend als die film van Jean-Jacques Annaud mag zijn, het verhaal is niet oninteressant: als de kleine vlam, hun kostbaarste goed, dooft door een aanval van een vijandige stam, gaan drie neanderthalers op zoek naar een nieuwe vuurbron. Dat stelen ze bij een stam van kannibalen, en in één adem bevrijden ze ook een homo sapiens-vrouw, wier volk zelf vuur maken. Gelijk evenredig staan ze ook al verder in de evolutie: ze koken in potten, hebben wapens, hutten en – niet onbelangrijk – taal.

IJstijd

Historisch gezien slaat het verhaal nergens op, maar tussen de regels zijn er inzichten te vinden. Een van de meest opmerkelijke scènes in La guerre du feu is het moment waarop er een steen op het hoofd van een neanderthaler valt en de homo sapiens-vrouw in lachen uitbarst. De mannen kijken haar verbaasd aan: wat is dat voor een vreemd geluid? Maar ze leren snel: later zullen ze de scène herhalen door schuddebuikend stenen op datzelfde hoofd te mikken.

Hier wordt dan wel een evolutie die enkele honderdduizenden jaren duurde gebald in een tijdsduur van enkele weken, op de onderliggende redering valt niet af te dingen. Zodra de mens leerde vuur te maken, nam hij voorsprong op de andere dieren. Hij at meer vlees nu hij het kon bakken. De eiwitten in het paleodieet namen exponentieel toe, wat gunstig bleek voor de ontwikkeling van de hersenen. Hij zou abstract leren denken, taal ontwikkelen, en misschien wel een gevoel voor humor.

In realiteit verliep die evolutie tergend langzaam. Sommige asresten en vuurkringen die men vond in grotten zijn dan wel 400.000 jaar oud, maar archeologen zeggen dat de prehistorische mens pas veel later de techniek van het vuur maken onder de knie kreeg. Tot dan behielp hij zichzelf met natuurlijke vuren – bosbranden, vulkaanuitbarstingen, steenkoolbranden. En hoewel de mens met gevonden vuur leerde leven, was er tijdens de ijstijd die duizenden jaren aanhield, dikwijls weinig natuurlijk vuur en brandstof te vinden. Tijdens die vuurloze periodes waren koude en duisternis zijn deel.

Er is geen uitsluitsel over wanneer onze voorouders zelf vuur leerden maken. Archeologen vinden nog steeds nieuwe puzzelstukken, maar men vermoedt nu dat het zo'n 50.000 jaar geleden was. In zijn magistrale werk Vuur en beschaving (1992) schreef de Nederlandse socioloog Joop Goudsblom uitgebreid over de geschiedenis van vuur en de invloed ervan op de ontwikkeling van de samenleving. Vuur bracht warmte en veiligheid, maar dat vuur brandend houden vergde ook discipline en methodiek. Het zorgen voor het vuur zou de sociale structuur binnen een groep beïnvloeden, zeker toen men langzaam maar zeker de knepen van de kookkunst ontdekte. Het belang daarvan wordt onderstreept in wat Goudsblom het vuurregime en de vuurrites noemt: een serie van handelingen die het branden van het vuur moet waarborgen.

Wellicht is vuur een van de oudste symbolen die naar een oorspronkelijk holistisch denken verwijst: vuur is destructief en gevaarlijk, maar ook verwarmend en inspirerend. Iedereen is het erover eens dat al die eigenschappen waar zijn. Ook voor hij over taal beschikte, was de mens zich al bewust van die dubbelzinnigheid. Met de ontwikkeling van taal kwamen de pogingen om die ambivalentie uit te drukken. Met mythes en legendes probeerden sjamanen en storytellers de oorsprong van die precaire energie te verklaren.

Boeddha

Dankzij het veranderende dieet en de impact daarvan op de herseninhoud, ontwaakten er in die groeiende hersenpan ook een gevoel van verwondering en een zoektocht naar een verklaring voor wat emotioneel beroerde, maar men niet kon uitleggen. Of dat is althans de logica achter de vuurmythes, die een antwoord formuleerden op de vraag hoe de mens erin was geslaagd om het vuur te veroveren. In vrijwel elke cultuur – van de oudheid tot nu – leidde dit tot de meest wonderbaarlijke verhalen.

Dat mythes tekortschieten in wetenschappelijke zin is natuurlijk waar, maar als je ze als poëzie leest, vertellen ze ons veel over de menselijke psyche, en over hoe de mens tegenover dat vuur stond. Soms was hij er bang van. Soms waande hij zich een god omdat hij het meester was. Het kon hem pijn doen, het kon hem troosten. Het inspireerde de cro-magnonmens, die zijn rotstekeningen maakte in de schaduwen van de dansende vlammen in Lascaux, en nadien vele anderen.

Beeld Wouter Van Vooren

Vuur werd aan temperament gekoppeld, aan verlangen, en aan andere verhitte emoties als passie, jaloezie en woede. 'Monniken, alles brandt', zou Boeddha gezegd hebben tijdens de bekende vuurrede die hij hield voor duizend vuuraanbidders. ‘Brand door wat? Brand door het vuur van begeerte, door het vuur van haat, door het vuur van begoocheling...’ Boeddha wist al dat ons vurigste deel en onze grootste kwelgeest ons reptielenbrein is, maar dat meditatie ons kan leren om dat innerlijk vuur te beheersen en onthecht – verlicht – te raken.

Het boeddhisme is hierin een uitzondering: de meeste andere culturen zagen de intensiteit van het tastbare en ontastbare vuur verpersoonlijkt in goden en godinnen die op allerlei manieren wild tekeergingen. Pele, de Hawaiiaanse godin van de vulkanen, vuur, geweld en dans. Eate, de Baskische god van vuur en storm. Ra, de Egyptische god van de zon, het licht, warmte en groei. De lijst vurige mythologische creaturen is eindeloos, en niets menselijks was hen vreemd.

Het bekendste vuurverhaal uit de westerse traditie is allicht de Griekse mythe over Prometheus. Omdat hij medelijden had met de miserabele stervelingen die als mieren in donkere grotten leefden, stal Titanenzoon Prometheus voor hen een gloeiende sintel van de Olympusberg. Vanaf dan leerde de mens metaal bewerken en ontstond de beschaving, schreef de Griekse tragediedichter Aischylos. Al bleef de hybris van Prometheus niet ongestraft: bij wijze van penitentie ketende oppergod Zeus hem aan een bergwand in de Kaukasus, waar de adelaar Ethon elke dag zijn lever kwam opeten, die elke nacht weer aangroeide. Met vuur spelen bleef dus gevaarlijk.

Toch doken er diezelfde tijd ook al metafysische inzichten over vuur op. De presocratische Heraclitus had als atheïst avant la lettre niets op met goden, maar zag vuur als een dynamische oersubstantie: ‘Alles is inwisselbaar voor vuur en vuur voor alles, zoals goederen voor goud en goud voor goederen.’ Zijn flux-doctrine kennen we als 'panta rhei', of 'alles stroomt'. Volgens Heraclitus was alles altijd in beweging, cyclisch, en volgde zelfs uit de dood nieuw leven.

Naast vuurgoden zijn ook vuurcultussen, altaarvuren, vuurrituelen en vuurfeesten universeel. Al varieert de betekenis ervan, in veel gevallen blijft die cyclische gedachte standhouden: in vuurrites geven vernietiging, zuivering en wedergeboorte elkaar de hand. Net als het aantal vuurgoden is er een overvloed aan voorbeelden, maar sommige verhalen zijn te mooi om niet te vertellen.

Een tekenend voorbeeld van het zuiverende vuur vinden we bijvoorbeeld in La Divina Commedia, het epos dat Dante Alighieri schreef in het begin van de 14de eeuw. In tegenstelling tot de ‘brand in de hel’-gedachte is Dantes hel een woeste plek waar het zowel vuur als hagel en sneeuw regent, waar giftige dampen hangen en waar Lucifer in het centrum gevangen zit in ijs. Om in het paradijs te komen, moet Dante de Louteringsberg of het Purgatorio op, waar het laatste terras uit een vlammenzee bestaat. Dan pas is hij gezuiverd en kan hij het vuur van het empyreum betreden, waar God en de zielen van de deugdzamen verblijven.

Er is het Navajoverhaal van Black God, de god die de mensen de vuurboog gaf. Hij is geen held, zoals de andere figuren uit de scheppingsmythe, maar een oude, trage man, of zo doet hij zich toch voor want de Navajogod van het vuur is net als Prometheus een trickster. Samen met de eerste mensen was hij architect van het leven op aarde en in de lucht. Vooral dat laatste hoorde bij het takenpakket van Black God, aan wiens slaap de sterrengroep de Plejaden hangt, en die met zijn vuur de hemellichamen 's nachts doet schijnen.

De Plejaden waren overigens belangrijk voor het dagelijks leven van de Navajo, omdat men tijdens de wintermaanden aan de stand van de Plejaden kon zien hoeveel tijd er nog restte tot het ochtendgloren. Black God is dan ook een belangrijke figuur tijdens de negen dagen durende midwinterceremonie die men jaarlijks houdt. Op de negende en laatste dag duikt een als Black God verklede man op (met een zwart masker en een vossenstaart) met vuurboog en tondel, en beeldt hij ritueel uit hoe je vuur maakt.

Zweem van gevaar

Nog zo'n prachtige figuur is de zwarte Hadji Firoez, de traditionele boodschapper van Noroez, het Perzische nieuwjaar. Hadji Firoez zou uit een traditie uit het zoroastrisme stammen. Volgens die oude Perzische religie staat vuur voor de energie van de schepper, voor zuiverheid en voor waarheid, omdat vlammen altijd omhoog gaan. Hadji Firoez zou een vuurbewaker zijn die op het einde van het jaar bij mensen langsgaat, tamboerijn speelt voor de kinderen en volwassenen aanmaant om hun oude spullen te verbranden. Zijn huid is zwart van het roet. Klinkt dit bekend?

Hoe zouden de gelijkenissen tussen bovenstaande winterrituelen en de Europese winterfeesten, zoals het Zweedse lichtfeest Santa Lucia en Kerstmis ons kunnen ontgaan? Die behoefte aan licht en warmte is tijdens de langste, donkerste nachten groot, wat er allicht voor zorgt dat deze tradities in het Westen tot nu toe stand hielden. Vandaag manifesteert het eeuwige groen zich dan wel in een Nordmann-spar van Ikea, en het yuleblok in de open haard komt als een Bûche de Noël op tafel, maar ze zijn er nog steeds. Net als de vuurrites.

Of het nu volgens de bushcraftmethode van de wildernisliefhebbers is, of je strijkt een lucifer tegen de ruwe rand van zijn doosje: net omdat die zweem van gevaar er altijd is, blijft vuur maken een rituele handeling die volgens een bepaald systeem verloopt en ons alleen al daarom tijdelijk doet stilstaan. Dat is geen new-agewolligheid: we kennen allemaal de uitdrukking ‘een kaarsje branden’. En we doen het om zoveel redenen: voor de sfeer, om iemand te gedenken, om een wens te doen, om ons te concentreren tijdens meditatie of gebed. Van antropologen die rituelen onderzochten, weten we dat die rituelen ons op verschillende fronten helpen. Ze dienen als coping-strategie tegen stress en angst, brengen mensen samen, geven richting. Bovenal zijn rituelen invitaties voor intimiteit en verbondenheid.

In die zin zijn de bushcrafttechnieken misschien wel meer dan een trendy hobby. Ook een vuur maken kan een ritueel zijn, als je daarmee een moment creëert waarin je volledig aanwezig moet zijn. En dan is het niet moeilijk om de link te leggen met onze prilste voorouders, met wie we de begeestering voor vuur delen. Met elk vuur dat met aandacht wordt gemaakt, bevestigen we onze band met de geschiedenis. Helemaal terug tot in de grotten waar de neanderthalers van het vuur naar de schaduwen staarden en ook zonder woorden wisten dat het hun bange hart voedde en troostte.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234