Zondag 21/07/2019

interview

Youp van ‘t Hek: “Ik ben heel geliefd én heel erg gehaat”

Nederlandse cabaretier Youp van ’t Hek toert ook op zijn 65ste lekker voort. Beeld ANP

Met een nieuw boek én voorstelling nummer 27 snijdt Youp van ’t Hek gretig zijn 66ste levensjaar aan. Aan gezeik heeft hij nog steeds een broertje dood. “Je mag tegenwoordig het woord pisnicht niet meer gebruiken of je bent homofoob.”

Hij wilde niet werken – toch niet zoals iedereen. Dat dat gelukt is, vindt Youp van ’t Hek alleen al een boek waard. Meer dan als carrièreoverzicht leest Youp als beroep als een 224 pagina’s tellende vreugdekreet van Van ’t Hek, blij dat hij is kunnen worden wie hij altijd was: observator, grappenmaker, liedjeszanger, kortom cabaretier. Voor wie twijfelt: Youp van ’t Hek is de grofgebekte komiek met het ronde brilletje, een van de grote Nederlandse drie, samen met Freek de Jonge en Herman Finkers – of vijf, als je Theo Maassen en Hans Teeuwen meetelt, al zijn die minder politiek dan Van ’t Hek, die zijn materiaal graag haalt bij stuntelende beleidsmakers en flaterende instellingen.

BIO

• geboren in Naarden op 28 februari 1954
• richt in 1973 Cabaret NAR op
• gaat solo vanaf 1982 en wordt een mega­hit in Neder­land, later ook in Vlaanderen
• publiceerde kinder­boeken, heeft een column in NRC
• is op tournee met de voorstelling Met de kennis van nu, zijn boek Youp als beroep is pas uit
• getrouwd met Debby Petter, ze hebben twee doch­ters en een zoon  

In 2010 liet Van ’t Hek T-Mobile door het stof kruipen na een column over de volstrekte serviceloosheid van de klantendienst van het telecombedrijf. Van ’t Hek spuwde zijn gif toen hij na maandenlang aan het lijntje te zijn gehouden na een simpele tweet toch werd geholpen. De reputatieschade die T-Mobile opliep, was vergelijkbaar met die van Heineken na wat in Nederland gemeenzaam de Buckler-affaire is gaan heten. In een eindejaarsconference had Van ’t Hek zich zo vrolijk gemaakt over de consumenten van Heinekens alcoholvrije bier Buckler, dat de verkoopcijfers de dieperik in gingen om er nooit meer uit te komen. Heineken zag zich genoodzaakt het bier van de markt te halen in Nederland.

In een zwart jasje en met een zwarte deukhoed verschijnt Youp van ’t Hek in een Amsterdams café. Niemand kijkt op als hij binnenkomt en zo heeft hij het graag. Van ’t Hek staat tenslotte al veertig jaar op de planken. Zijn huidige voorstelling, Met de kennis van nu, is zijn 27ste oneman­show, eindejaarsconferences op televisie inbegrepen – nog altijd meer een traditie in Nederland dan bij ons. Zijn jarenlange metier vertaalt zich in een zekere gerieflijkheid.

Van ’t Hek: “Ik kom aan in het theater en het decor is opgesteld, mijn overhemd hangt er, mijn schoenen staan klaar. Voor Hekwerk, het bedrijfje dat ik oprichtte, werken zeven mensen. Zij regelen alles voor mij, zodat ik me kan concentreren op mijn voorstellingen. Ik heb tijd voor de essentie.”

Herinnert u zich uw eerste voorstelling nog?

Youp van ’t Hek: “De allereerste keer was in een middelbare school in de jaren 70. Ik speelde toen in Cabaret Nar (samen met onder meer zijn latere vrouw Debby Petter, red.), maar ik wilde een eigen programma maken. Dat werd Your Youp for You. Ik huurde de aula van een school waar ik niet eens op zat en rekende een gulden toegang. De zaal zat vol. Ik was op school best een populair mannetje, iedereen kwam kijken, ook mijn ouders en familie. Ik was zeventien, dus ik maakte veel grapjes over de wereld van een zeventienjarige. Maar ook over de dood en over het gezeik van mensen. Toen al! (lacht)”

“Na de schoolaula huurde ik zaaltjes aan de kust en via de kleinere ging ik naar de grotere. Dat was tussen mijn twintigste en dertigste – ik noem het mijn studententijd. Ik ben al spelend cabaretier geworden. Soms stond ik voor twaalf man te spelen. Uiteindelijk heb ik in Amsterdam met Man vermist 27 weken achter elkaar uitverkocht gestaan, in 1982 was dat. Het jaar voordien speelde ik een voorstelling die regelmatig afgelast moest worden wegens een gebrek aan belangstelling.”

Wat was er veranderd?

“Ik was op tv geweest, in de Alles is anders show, op het hoogtepunt van een ruzie tussen Gerard Reve en Boudewijn Büch. In een interview had Reve nogal wat rechtse dingen geroepen die hij later ontkende. Waarop Büch zei dat ie het wel zo had gezegd. Een gedoe, heel Nederland was ermee bezig. Op een ochtend werd in de kranten aangekondigd dat de ruzie tussen Reve en Büch op televisie zou worden beslecht. Toevallig zong ik in dat programma een nummertje: ‘Lenen lenen betalen betalen’, waarbij ik mezelf begeleidde met mijn voet. Die avond keken er 6,5 miljoen mensen; iedereen wilde natuurlijk die ruzie zien. De volgende ochtend om tien uur was mijn tournee volledig uitverkocht. Daarna heb ik nooit meer voor een niet-uitverkochte zaal gespeeld.”

Is de Youp die op het podium staat dezelfde als de Youp die in Amsterdam rondloopt?

“Het scheelt niet veel. Mijn kinderen krijgen vaak de vraag of ik thuis ook zo grappig ben. Natuurlijk niet: papa is papa, die veel in zijn werkkamer aan zijn computer zit. Privé ben ik zachter – ik heb inmiddels kleinkinderen. Maar als ik speel, speel ik een aangezette versie van mezelf. Youp zijn is mijn vak. Maar zelfs als ik naar het voetbal ga (Van ’t Hek is een fervent supporter van Ajax, red.), ben ik Youp.”

Wanneer besefte u dat u het talent had om andere mensen aan het lachen te brengen?

“Op mijn vijftiende hadden we op school een leraar met een glazen oog. Ik zat achterin, stak mijn vinger op en zei: ‘Meneer, kan ik u straks onder drie ogen spreken?’ Heel de klas keihard lachen – die leraar ook, trouwens.”

“Ik ben de zevende van acht kinderen. Toen ik op mijn zeventiende tegen mijn vader zei dat ik cabaretier wilde worden, deed hij daar niet moeilijk over. Mijn vader was zestig en had een goed leven achter de rug. Hij was niet het type dat vond dat ik eerst een beroep moest leren, dat hadden mijn broers en zussen al gedaan. De kiem was trouwens al eerder geplant: op mijn zesde ging ik met mijn ouders naar Toon Hermans kijken in Carré (theaterzaal in Amsterdam, red.). ‘Dat wil ik later ook’, dacht ik. Inmiddels heb ik er 250 keer gestaan en vind ik het nog steeds fantastisch. Ik ben nog altijd verliefd op mijn vak. Ik schrijf mijn voorstellingen zelf, bedenk het decor, bemoei me met de muziek. Ik weet zo goed wat ik wil. Dat had Toon Hermans ook.”

Wat vond u zo goed aan Toon Hermans?

“Zijn timing. De simpele humor. De ontroering. Het feit dat hij een avond theater maakte. Dat je in je auto stapte en wist: ‘Dit gaat een leuke avond worden.’ En dat het dan ook zo uitdraaide. Toon Hermans kon een zaal van tweeduizend man omtoveren tot een kroeg. Ken je zijn sketch over de goochelaar? Toon Hermans speelt een goochelaar wiens auditie totaal de mist in gaat: ‘Ik had een nummer en dat heette ‘Zeven duiven’. Maar ja, toen kwam de hongerwinter.’ (hinnikt) Zo grappig!”

“Spelen is fantastisch. Ik vind schrijven onbedaarlijk leuk, maar als ik aan het spelen ben, zit ik in de auto ernaartoe mijn voorstelling te overlopen en bedenk ik waar ik nog langer kan wachten. Lang wachten was het handelsmerk van Toon Hermans.”

Wat drijft mensen naar uw voorstellingen?

“Ik ben familie van ze geworden. Van mijn 27 voorstellingen hebben veel mensen er al een paar gezien. Ze zijn met me groot geworden. Ze zagen me op oudejaarsavond op tv en hoorden me op lange ritten op weg naar de wintersport. Ik heb ook elke week een column in de NRC.”

“Ik hoor een beetje bij de inboedel van het land. Ik ben in Nederland zeer geliefd én zeer gehaat – voornamelijk door mensen die vinden dat ik veel geld en een groot huis heb en die zich afvragen wat ik zelf doe aan de vluchtelingen over wie ik grappen maak. Terechte vragen, hoor.”

Youp in 1982. “Er treedt geen gemakzucht op met de jaren. Ik word nog altijd even stil voor ik het podium op ga.” Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands In

Hoe word je als komiek waardig ouder in het vak?

“Dat is een klus. Er zijn een paar dingen waarvan ik weet dat ik ze op mijn leeftijd niet meer moet doen – over seks praten bijvoorbeeld. Dat wordt treurig. En voor de rest moet je met je leeftijd meegaan. In 1989 vertelde ik dat mijn kinderen een cracker in de videorecorder stopten. Inmiddels hebben mijn kinderen zelf kinderen en ben ik 65. Mijn toekomst is korter dan mijn verleden.”

Hebt u het gevoel dat u school hebt gemaakt, een invloed hebt gehad?

“Ik denk van niet, maar laatst zei iemand me dat ik een bepaalde mentaliteit bij de mensen heb veranderd. Niet zeiken, doorgaan met je leven, niet zitten miepen. Al dat getut! (op dreef) Je mag tegenwoordig het woord ‘pisnicht’ niet meer gebruiken of je bent homofoob. Hou toch eens op, zeg! (somt verder op) Neem je vakantie en laat je baas de tyfus krijgen. Maak jezelf niet zo belangrijk.”

Mensen gingen vroeger naar het theater om een mening te horen. Twintigers en dertigers halen hun mening tegenwoordig op het internet, waar ze zich zelf ook in het debat storten. Hoe kun je als cabaretier tussen al dat geroep nog relevant blijven?

“Ik weet niet of ik nog relevant ben. Maar ik ben wel zeer amusant en kan mensen een leuke avond bezorgen. In mijn huidige voorstelling zit een verhaal waarin ik beticht word van MeToo, heel geestig. Dat zet de discussie in een ander licht. Dat vind ik leuker om te doen dan iets over #MeToo te zeggen.”

Wat zegt dat over het vak, als u zichzelf niet meer relevant acht?

“Ik weet niet of ik vroeger zo relevant was. Waarom ga je naar een cabaretier? Deels voor een mening, maar ook om een leuke avond te hebben. Ik zeg nog wel dingen in de zijlijn, maar een-op-eenmeningen over elke scheet die een politicus laat... nee, laat maar.”

Kunt u nog wel volgen? Gaat het niet allemaal te snel?

(prompt) “Nee, hoor. In Nederland is minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra afgetreden omdat hij had gezegd dat hij in het vakantiehuis van Poetin was geweest – wat gelogen was. In mijn voorstelling heb ik het over een vriend van me, die niet van zijn vrouw wil scheiden. Dat komt door Wouter, zijn middelste zoon, die zwaar verstandelijk gehandicapt is. Hij is 34 en ik doe hem ook na. De laatste keer dat ik Wouter tegenkwam, vroeg ik waar hij op vakantie was geweest: de datsja van Poetin. Dat zet die affaire in een totaal ander licht. (grijnst) De hele voorstelling noem ik Zijlstra niet meer, maar mijn publiek ziet voortaan bij Halbe wél die Wouter voor zich.”

“Je moet andere wegen vinden, zijpaadjes, om te zeggen wat je zeggen wilt. Het mag allemaal wat indirecter, wat slimmer.”

Kun je nog alles zeggen op een podium?

“Ik wel. Mijn publiek wil dat ook. In een van de recensies onlangs las ik dat het woord ‘pisnicht’ beneden mijn niveau zou zijn. Maar ik vind het zelf heel grappig. Het gaat godverdomme over het feit dat iedereen tegenwoordig loopt te letten op wat ie zegt, dat je van de intellectuele zeikers niet meer mag zeggen wat je wilt. Je bent homo of je bent pot: nou, dan krijg je een grap naar je hoofd. Dat betekent dat je serieus genomen wordt.”

Spreekt u over zwarte mensen nog altijd in woorden die niet meer aanvaard zijn?

“Ik heb jarenlang een donkere lichtman gehad, een heel leuke gozer die wij gewoon Zoeloe noemden. Hij heeft trouwens een website die hij zelf zulu.nl heeft genoemd. ‘Neger’ zou ik hem niet meer noemen op het podium. Ik zou iets zeggen als: ‘Vroeger zouden we hem neger genoemd hebben, maar dat doen we niet meer.’ Snap je?”

Volgens Herman Brusselmans kan in Nederland niets meer. Kijk maar naar het zwartepietendebat.

“Paul de Leeuw liet onlangs weten dat hij vond dat ik het woord ‘pisnicht’ niet meer mag gebruiken. Op een gegeven moment had ik ’m aan de lijn: ‘Dit is toch de Paul die ik godverdomme alles op een podium heb zien doen? Die Anneke Grönloh (Nederlandse zangeres met Nederlands-Indische roots, red.) tot op d’r veters heeft afgefikt?’ ‘Ja, maar het is een andere tijd.’ Ach, flikker toch op! Je hebt nichten en je hebt pisnichten – dat zijn gewoon nichten die de hele dag lopen te zeiken, klaar.”

In 2009 zei u in een voorstelling dat burn-outers welvaartszeikers zijn. Zou u dat nu nog doen?

“Kijk, ik gun iedereen zijn burn-out, maar op een feestje sta je tegenwoordig tussen negen burn-outers die wél allemaal over hun telefoon gebogen staan en nog koppijn hebben van het comazuipen de dag voordien. Ik zou daar ook een burn-out van krijgen. Je crematie, dát is pas een burn-out.”

En de islam?

“Kan ik redelijk goed grappen over maken. Maar ik heb gezien hoe het met Theo van Gogh is afgelopen. Die riep de hele tijd dat moslims geitenneukers waren. Dat gaat een keer mis. Wat dat betreft, let ik meer op mijn woorden. Over het voetbal wil ik nog wel eens graag mijn mening zeggen. Maar ik ben al eens door zulke types bedreigd, dat ik denk: ja, da-hag, ik wil best dood maar niet voor de harde kern van een voetbalclub.”

De dood is een vaak terugkerend thema in uw voorstellingen. Hoe komt dat?

“Ik zie veel mensen zeiken in het leven en met de buren ruzie maken, terwijl ik denk: morgen ben je hartstikke dood. Vroeger was ik echt bang voor de dood. Toen ik ouder werd, sloeg dat over in de angst dat ik mijn kinderen en Debby zou verliezen. Nu realiseer ik me dat de dood een steeds grotere vriend wordt – hij komt almaar dichterbij. Dat relativeert.”

Heeft dat te maken met uw openhartoperatie in 2015, toen u er bijna niet meer was?

“Nee. In de eerste klas van de lagere school zijn een jongen en een meisje uit mijn klas omgekomen in een brand. Toen we naar de engelenmis gingen, stonden er twee witte kistjes vooraan in de kerk. Dat heeft een verpletterende indruk op mij gemaakt. Sindsdien ben ik altijd met de dood bezig geweest. Het begon met me af te vragen waar mijn vriendjes nu waren – de dag voordien deed ik nog tikkertje met ze op het schoolplein.

“Toen mijn vader 75 was, zaten we op een avond te praten over zijn leven. Ik was 32 en vroeg hem of hij bang was voor de dood. ‘Eigenlijk niet’, zei hij, waarop hij namen begon op te noemen van mensen die er niet meer waren. Zes jaar later stond ik aan zijn graf. Ik ga niet zeggen dat ik me verzoend heb met de dood, maar er treedt wel meer gewenning op. En ik krijg er haast van!”

Andere favoriete slachtoffers in uw voorstellingen zijn de burgertrutten mannen én vrouwen. Wat is er mis met Jan Modaal?

“Het veilige. Het jack dragen dat iedereen draagt, de vakanties doen die iedereen doet. Ik kijk daar met verbazing naar. Die veilige staat is blijkbaar de enige manier om het leven te leven. In Nederland kijken 4,2 miljoen mensen naar Heel Holland bakt. Vind ik veel voor een bende amateurs die cakejes in elkaar staan te flansen. En de schele boer die een vrouw zoekt, trekt ook 3 miljoen kijkers. Over hen mag ik graag een grapje maken.”

Is dat uw motor, die ergernis? En blijft u boos omdat u bang bent dat als die motor ooit stilvalt, het dan gedaan is?

“Mijn motor is altijd het liedje ‘Niemand weet hoe laat het is’ geweest: leef je leven als het laatste uur, maak er wat meer van, doe iets. Dat is waarnaar ik streef. Vroeger met mijn gezin, nu met mijn vrouw. Ik zoek het spannende op.

“Er zit een soort oplettendheid in mij, die mij doet denken: huh, zegt die dat nou echt? Vijftig jaar geleden zat mijn generatie met haar ouders te praten over politiek, geloof, geld, de toekomst. Soms kwam daar ruzie van. Nu zeggen mensen van mijn leeftijd over de klimaatspijbelaars dat ze niet mogen spijbelen. ‘Toch niet onder schooltijd, zeker?’ Dan denk ik: waar ben je nu? Ben je vergeten dat je ooit vijftien was? Je hebt godverdomme de wereld naar de kloten geholpen.”

Cabaretier: Youp van 't Hek: “ik ben inderdaad rijk. Het enige is: ik zeik daar niet over en betaal mijn belastingen.” Beeld Daniel Cohen

In uw shows hebt u vaak kritiek op de rijken terwijl u zelf niet onbemiddeld bent. Hoe rijmt u dat?

“Ik trek al 35 jaar volle zalen en heb 5 miljoen boeken verkocht, dus ik ben inderdaad rijk. Het enige is: ik zeik daar niet over en betaal mijn belastingen. Ik heb geen trucjes om dat niet te doen. Ik steun een aantal goede doelen en praat daar niet over. Er werkt ook zeven man voor mij. Maar: geen medelijden. Rijk zat. Ik maak wel bezwaar tegen mensen die dat ook zijn en hun verantwoordelijkheid niet nemen door plots op een andere partij te stemmen of om via een fiscale truc minder belastingen te betalen.”

Krijgt u soms schouderklopjes van mensen over wie u grappen maakt?

“Soms sturen ze een mailtje, ja. Maar zonder schouderklopjes, eerder dat ze boos zijn.”

Leidt dat niet tot ongemakkelijke toestanden? Een spreidstand waarin u zowel sympathiseert met de schlemiel als met het establishment?

“Ik heb helemaal geen band met het establishment. Ik ga niet met rijke mensen om, mijn vrienden zijn nog altijd mijn vrienden van vroeger. Ik laat me ook niet door partijen lenen. Tien jaar geleden heb ik voor een hele rijke meneer opgetreden, Marcel Boekhoorn, nu de eigenaar van Hema. Zijn vrienden wilden hem verrassen. Ik heb daar een verschrikkelijk groot bedrag voor gevraagd. Op de avond zelf heb ik aan de hele zaal laten weten dat al het geld naar een goed doel ging. Leuk om hen een poot uit te draaien.”

‘Ik ben een heel Nederlandse cabaretier’, zei u ooit. Past u uw voorstellingen aan als u in België komt spelen?

“Nee, al moet ik soms meer uitleggen. Maar als je een grap uitlegt, wordt het nog stompzinniger. Dat kan ik dan weer gebruiken als ik de week nadien in Nederland speel: ‘Die Belgen zaten me zó aan te kijken!’”

Volgt u de Belgische cabaretscene?

“Wim Helsen wel. Die kale heb ik nooit gezien.”

Geert Hoste? Die is drie jaar geleden gestopt.

“Hoezo? Vond ie het niet meer leuk? Of vond men hem niet meer leuk?”

Geert is binnen, hij is de rijkste artiest in Vlaanderen. U daarentegen blijft doorgaan. U hebt overigens een band met België, u kwam er vroeger op vakantie.

“Ja, in De Haan. In 1990 huurden we voor het eerst een wit huis achter de boulevard (Van ’t Hek bedoelt de dijk, red.). Daar hadden we het zo naar onze zin dat we tien jaar lang zijn blijven gaan. Het was zelfs zo erg dat toen ik in 1994 een huis kocht in Bergen aan Zee, mijn kinderen me aankeken: ‘Dus we gaan niet meer naar De Haan?’ Ik gaf de sleutel van ons huis aan de Nederlandse kust aan vrienden van mij, terwijl wij naar De Haan bleven gaan.

“Het strandleven is rustgevend. Alles komt er tot stilstand. Er is ook niet zo gek veel te doen: je graaft een kuil en je gooit hem weer dicht. Het wordt vloed, en dan weer eb. Je maakt bloemen van crêpepapier. ’s Avonds ga je naar huis, je eet en daarna ga je een ijsje halen en op een rare fiets zitten. Wij zijn tien jaar zielsgelukkig geweest in De Haan. Daarvoor gingen we altijd naar Egmond aan Zee, waar we precies hetzelfde deden. Ik heb daar een boekje over geschreven, Droomzomers.”

Familie is belangrijk voor u. Ook op het werk. In Youp als beroep schrijft u: ‘Ik heb alleen maar vrienden rond me verzameld die heel goed begrijpen wat het is, mijn manier van theater maken.’ Wat is die?

“Mijn pen in mijn hart dopen. Ik ga geen namen noemen, maar als ik naar sommige collega’s ga kijken, zie ik bijna de redactievergadering: ‘Weet je waarover we iets moeten zeggen?’ Dat zint me niet. Mijn manier van theater maken is dicht bij mezelf blijven. Als ik iets wil vertellen over een lul die door de Ikea loopt, dan ben ík die lul. Toen ik het in mijn vorige voorstelling over een mislukte vakantie had in Schotland met mijn vrouw, was dat bijna het echte verhaal. De mensen in de zaal worden onderdeel van het verhaal. Die lopen ook door de Ikea en hebben ook kutvakanties.”

U moet zich met alles kunnen bemoeien: licht, muziek, decor. Vermoeiend, nee?

(stellig) “Dat vindt iedereen alleen maar leuk. We hebben nu een nieuwe lichtman, een jonge kerel. Als ik hem vraag of hij een uurtje heeft om iets door te nemen omdat ik een paar dingen op punt wil zetten, dan doet hij dat.”

De familiaire insteek merk je ook in het boek. Youp als beroep is bijna een plakboek geworden, zoals je online een fotoalbum samenstelt.

“De grootste vermelding moet hier gaan naar Eva Kohnstamm, na mijn vrouw mijn beste vriendin, met wie ik elke dag bel. Zij maakt al mijn affiches, boekjes en platenhoezen. Toen we het boek aan het maken waren, zei ik dat de lol ervan moest afspatten. Want ik heb namelijk een ontzettend leuk leven gehad tot nog toe.”

Hoe weet u dat het tijd is om aan een nieuwe voorstelling te beginnen?

“In de eerste plaats omdat dat is afgesproken. Ik kies een veilige titel, zodat ik mezelf niet vastzet, maar vaak gaat het dan nog een andere richting uit. Tot de eerste try-outs doe ik weinig. Als ze thuis merken dat ik muurtjes ga witten of kastjes in elkaar ga schroeven, dan weten ze dat ik begonnen ben en dat ik moet schrijven. Dan heb ik nog maar vier dagen en ga ik zitten, desnoods vierentwintig uur aan een stuk, en rammel ik zo het hele programma eruit. Daarna begint het schrappen of komt er een liedje bij.”

Betrapt u zich er soms op dat u een grap eerder al hebt gemaakt?

“Ik niet, maar anderen wel, tijdens de voorleesvoorstellingen of de try-outs die daarop volgen. Ik speel dan in zalen waar ik nooit zou kunnen staan met mijn decor of waar mijn vrachtwagen niet tot bij het theater kan komen.”

Tijdens deze tournee treedt u gemiddeld vier keer per week op. Wat doet u op een vrije dag?

“Ik lees veel, ik luister muziek en zit best veel op het internet. Elke vrijdag schrijf ik mijn column voor de NRC – tegen de deadline aan, dat moet zo van mezelf. Je wilt niet met achterhaalde info komen. Ik kan me prima vermaken, maar ik ben even goed in nietsdoen. Vroeger was ik veel van de drank, maar dat heb ik er vijftien jaar geleden uit gegooid. Je wordt er niet leuker van.”

“Elke avond waren er vrienden en had ik drie witte wijnen in mijn mik. In elke stad deed ik het licht uit in de plaatselijke kroeg. Ik heb een kerstsingle, ‘Flappie’. Dan eindigde ik op de bar en stond ik ‘Flappie’ te zingen. Nu zou ik dat niet meer durven: binnen de twee minuten staat het op YouTube. Ik ben veel voorzichtiger geworden in mijn privé-uitingen. Laatst was ik op een begrafenis en stond iemand me te filmen. Ik op die man af: ‘Bent u mij nou echt aan het filmen? Maakt mij niet uit, maar wat vindt u zelf?’ Zijn antwoord: ‘Ik wilde mijn dochter even laten weten dat u er bent.’”

Youp van 't Hek: “Ik weet niet of ik nog relevant ben, maar ik ben wel zeer amusant. Beeld Daniel Cohen

Op 28 februari werd u 65 jaar. Hoe hebt u dat gevierd?

“Met mijn familie op restaurant. Later geef ik als dankjewel een groot diner voor alle mensen die met mij samenwerken, dat zijn er zo’n 55. Mensen van de uitgeverij, de krant, het kantoor, de techniek. Ik heb veel aan hen. Hans Floberg, mijn manager, is al veertig jaar bij mij. ’t Is een club – ik heb zelfs studenten die me rijden. Ze halen mij thuis op en brengen me met de auto naar het theater, waar ik ook speel. Van hen hoor ik hoe het leven nu gaat: feestjes, drugs, het internet. Ze eten zelfs mee met de ploeg. En daarna gaan ze naar de film.”

Ze moeten niet blijven kijken naar uw voorstelling?

(verontwaardigd) “Nee, ben je gek? Het zijn slimme studenten.”

Wat volgt er na de 65?

“Met deze tournee ga ik nog eens vijf weken Carré doen en vier weken Rotterdam. Volgend seizoen kom ik ermee naar België. In 2020 volgt er nog een oudejaarsconference, dan ben ik 66. Wat daarna komt, dat weet ik nog niet. Ik ken fijne theaters in Brugge, Groningen, Amsterdam, Leiden – van die mooie bonbonnières. Misschien moet ik eens een toertje maken langs de zalen van vijfhonderd man, met helemaal niks. Geen muzikant, geen decor. Gewoon met mijn handen in mijn zakken het podium op en praten. Of misschien ga ik wel een jaar met Debby op reis. Je weet het niet – drie jaar geleden lag ik op apegapen in het ziekenhuis. Maar een dokter die voor me zorgt, zegt dat ik 94 word.”

Youp van ’t Hek, ‘Youp als beroep’, Thomas Rap, 224 p., 39,99 euro Beeld Bol.com

Dan heeft u nog een kleine dertig jaar te gaan. Dat zijn minstens tien voorstellingen. U kunt sterven in het harnas.

“Precies zoals ik zing in een van mijn liedjes. Dat zou mooi zijn.”

Alle voorstellingen van Met de kennis van nu zijn uitverkocht, tot augustus. Went dat?

“Ja, maar er treedt daardoor geen gemakzucht op. Integendeel: ik word nog meer vereerd door mijn publiek. Voor de aanvang van de show zit ik in mijn kleedkamer en hoor ik via het speakertje het geroezemoes in de zaal. Dan denk ik: godverdomme. Ik word er toch altijd stil van.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden