Maandag 01/06/2020

Interview

Yemi Oduwale (‘Thuis’): “Ik begrijp waarom sommige acteurs zich in het weekend niet meer in het stadscentrum wagen”

Beeld Koen Bauters

Intrige! List! Bedrog! Het moet van Jef Vermassens periode met piekjeshaar geleden zijn dat de advocatuur nog zo opwindend was als dezer dagen in Thuis. Daar mikt Dries Van Aken, de nieuwe hulp van advocatenkantoor De Decker-Baert, knuppel na knuppel in het hoenderhok dat Vlaanderens populairste soapserie is. Allemaal prinsheerlijk vertolkt door acteur Yemi Oduwale (32), die ook in het dagelijkse leven aanspraak kan maken op een koninklijke titel.

Je deed twee jaar geleden al auditie voor Thuis, toen er van je huidige personage Dries Van Aken nog geen sprake was. Welke rol hoopte je toen binnen te halen?

Yemi Oduwale: “Ik deed auditie om de man van Charité te spelen. Maar die rol was vrijwel volledig in het Frans, en mijn Frans is niet bepaald geweldig. (lacht) Ik had de tekst goed uit het hoofd geleerd voor de auditie, maar wat improviseren zat er niet in. En ik was ook gewoon te jong: het personage had al een zoon van 8.”

Je moet wel een goede indruk hebben nagelaten als ze zich jou twee jaar later nog herinnerden voor de rol van Dries.

“Ik denk eerder dat ze aan mij dachten door mijn rol in Gevoel voor tumor. Een groot deel van de ploeg van dat programma werkt ook achter de schermen mee aan Thuis.”

Je bent al tien jaar op tv te zien in allerlei bijrollen. Heb je al mogen ondervinden hoe hard het acteursbestaan kan zijn?

“Soms wel. Ik vind het verschrikkelijk om auditie te doen, nog steeds. Daarom ben ik al tijdens mijn studies aan het conservatorium begonnen met er zo veel mogelijk te doen: ik had me ingeprent dat zolang ik nog studeerde, het oké was om te falen. Dat werd er ingehamerd aan het conservatorium: ‘Probeer zoveel mogelijk uiteenlopende dingen, durf te falen.’ Dat nam ik heel letterlijk: ik heb eens de regie én de choreografie van een dansvoorstelling gedaan, terwijl ik helemaal geen danser ben, laat staan een choreograaf. We vonden ook maar moeilijk een repetitieruimte, dus de meeste samenkomsten met de dansers deed ik gewoon op café. Probeer daar maar eens een dansvoorstelling in te studeren. (lacht) Natuurlijk viel het eindresultaat op het podium vies tegen, maar ik schaamde me er niet voor. Ik ben niet meer bang om te falen. Maar goed ook, want het gebeurt nog steeds.” (lacht)

Welke lessen heb je getrokken uit je mislukkingen?

“Ik heb geleerd om kritiek te slikken. In het begin trok ik me elke afwijzing persoonlijk aan, maar na een tijdje ontwikkel je een pantser. Ik ken collega’s die nog altijd niet goed om kunnen met kritiek.

“Nu, ik zal nooit recensies lezen van series of voorstellingen waarin ik heb geacteerd. Ik ben er zeker van dat ik ongelukkig zou worden van de helft van de commentaren op Thuis. Pas op, iedereen mag van mij zijn mening hebben. Maar ik hoef ze daarom nog niet te horen.

“Toen ik net begon bij Thuis schreef iemand online: ‘Het is precies de Dries-show geworden.’ Maar het is normaal dat een nieuw personage in zoveel mogelijk decors verschijnt, zo kan hij kennismaken met de andere personages. Als je daar kritiek op hebt, begrijp je gewoon niet hoe het werkt.”

Die opmerking heb je dan wél gelezen.

“Oké, die wel. (lacht) Maar dat komt omdat mijn moeder me alles wat over mij verschijnt blijft doorsturen.”

Was je voorbereid op wat acteren in Thuis doet voor je bekendheid?

“De makers hebben me bij het begin gewaarschuwd dat de impact niet te onderschatten is. (lacht) En dat klopt: je wordt herkend en aangesproken op straat. Dat hoort erbij. Nu kan ik daarmee om, maar toen ik nog maar net acteerde, was ik er niet op voorbereid. Toen ik een verpleger speelde in Binnenstebuiten werd ik in een winkel vastgegrepen door iemand die wilde dat ik naar zijn pijnlijke arm keek. Ik begreep het niet, tot die man zei: ‘Jij bent toch een verpleger?’”

Heb je meegespeeld?

“Al lachend. Ik heb gezegd dat ik als verpleger geen diagnose mocht stellen en dat hij beter naar een dokter ging. Maar ik was me plots wel erg bewust van het feit dat mensen me konden herkennen van tv, een heel raar gevoel. Op den duur begon ik te denken dat iederéén op straat me herkende, en telkens als ik buitenkwam, voelde ik me heel ongemakkelijk. Dat is gelukkig weer gaan liggen, maar ik snap dat sommige acteurs zich niet meer in het stadscentrum wagen op een zaterdagmiddag.”

In zijn ‘Thuis-rol’ van Dries Van Aken. ‘Ik begrijp dat sommige acteurs zich in het weekend niet meer in het stadscentrum wagen.’Beeld © Geert Van Hoeymissen/VRT

Ook Thuis zal wel kijkers hebben die ervan uitgaan dat jij en Dries Van Aken dezelfde persoon zijn.

“Ik begrijp die reflex, hoor. Als ik een acteur op straat zie, veronderstel ik onbewust ook dat die persoon in het dagelijkse leven is zoals ik hem op tv gezien heb.”

Is er een groot verschil tussen jou en je personage?

“Niet zo heel groot. Dries werkt hard, net als ik. Hij is heel doelgericht. En hij is een charmeur – zo beschouw ik mezelf ook wel.”

Heb je jezelf nu net een charmeur genoemd?

“Ga dat nu niet uitvergroten, hè. (lacht) Maar ja, ik charmeer graag. Mensen voelen zich nu eenmaal meer op hun gemak bij iemand die attent is. En hoe sneller het ijs gebroken is, hoe sneller ik mezelf ook op mijn gemak voel. Al zet Dries zijn charme iets tactischer in. Hij heeft altijd iets berekends over zich. Ik niet.”

Voor iemand die al tien jaar verschillende rollen speelt, is het vast interessant om een beetje werkzekerheid te hebben met een vaste rol in Thuis.

“De werkzekerheid is interessant, maar ik wil er niet door in slaap gewiegd worden. Ik wil Thuis blijven combineren met andere dingen.”

Zoals?

“Ik werk graag met mijn handen, maakt niet uit wat: planten kweken, T-shirts maken… Ik heb alles al gedaan. Ik geniet ervan om iets te maken dat af kan zijn, waarbij je resultaat ziet op het einde. Dat werkt heel ontspannend. Nu ja, tot je naaimachine kapotgaat omdat je niet weet wat je doet. (lacht)

“Ik ben altijd al creatief bezig geweest, maar ik ben ook een perfectionist. Dat wringt weleens. In de middelbare school studeerde ik een tijdje grafische vormgeving en architectuur, maar ik ben ermee gestopt omdat het te vermoeiend was: telkens als ik zo’n maquette moest maken, begon ik de nacht voor de deadline helemaal opnieuw omdat ik niet tevreden was. Dat hou je niet vol.”

Je hebt ook een tijdje café gehouden op de Gentse Vlasmarkt. Ook zelden saai.

“Klopt. Bar Jos, naast de Charlatan. Ik zocht iets waardoor ik meer buiten zou komen ’s avonds, en toen iemand me dat voorstelde, heb ik niet lang getwijfeld. Ik had al wat ervaring: tijdens mijn jeugd in Sint-Niklaas heb ik jaren achter de toog gestaan van het jeugdhuis.

“Ik deed het graag, maar ik ben ermee gestopt toen ik me erin begon te verliezen. Een café uitbaten valt niet te combineren met acteren. Na een tijdje stond ik als een zombie achter de toog, en stak ik geen moeite meer in spelen. Café houden is apart: sommigen kunnen het van nature, anderen totaal niet.”

En jij?

“Daar ergens tussenin, denk ik. Toen ik begon, was ik misschien niet het juiste type, maar ik ben het snel geworden. Ik dacht bijvoorbeeld dat ik assertief was, tot ik elke avond achter de toog stond. Toen ben ik het in ijltempo moeten worden. Ik heb er ook ontdekt hoe je de avond naar je hand kunt zetten, en hoe je een feestje moet starten. Het was een hele leuke tijd. En ik leerde ook in één oogopslag te zien wie gekomen is om iets te drinken, en wie om rel te schoppen.”

Hoe leer je dat?

“Ervaring. Je ziet het aan kleine dingen: hoe zulke mensen binnenkomen, de manier waarop ze iets bestellen, hoe ze omgaan met andere klanten… Nu, ze herkennen is één ding, maar dan moet je ze nog resoluut buiten durven te zetten.”

Is mensen lezen een talent dat ook buiten cafés handig kan zijn?

“Dat durf ik niet te zeggen, want eigenlijk ga je dan uit van een vooroordeel: je zet iemand buiten die nog niets verkeerds heeft gedaan. Ik probeer niet te snel conclusies te trekken over mensen die ik op straat tegenkom. Maar op café had ik het wel opvallend vaak juist.” (lacht)

Afrikaanse prins

Je roots liggen in Nigeria, waar je grootvader stamhoofd was van een volk van 175.000 mensen. Het is eens iets anders.

“Mijn grootvader is deze zomer overleden, hij was al jaren ziek. Hij stond aan het hoofd van het Yoruba-volk. Zijn functie was te vergelijken met die van een soort koning. Nigeria kun je moeilijk als één land zien: in het noorden heb je strikte moslims, in het zuiden christenen, en daartussenin heb je tal van tribale samenlevingen die een ander geloof aanhangen.”

Kort na je geboorte duidde hij je aan als zijn troonopvolger. In principe maakt dat van jou dus een prins.

“Dat was toen ik 1 jaar was, mijn ouders zijn toen op bezoek geweest in Nigeria. Mijn grootvader stelde voor om me daar te laten, zodat hij me kon opleiden als zijn troonopvolger, maar dat zagen mijn ouders echt niet zitten.” (lacht)

Heb je altijd geweten dat je lid was van een Afrikaanse koninklijke familie?

“Niet in die woorden. Ik wist wel dat mijn grootvader een speciale functie had in Nigeria, maar niet dat hij aan het hoofd stond van duizenden mensen. Dat heb ik pas vier jaar geleden ontdekt. Mijn grootvader was toen al ziek, en mijn vader had me aangeraden om hem te gaan bezoeken voor het te laat was. Toen ik voor mijn vertrek informatie over mijn familie wilde opzoeken, besefte ik pas hoeveel hij daar voorstelde, en bleek dat ik mezelf een prins mocht noemen. Een raar moment. (lacht)

Over dat bezoek heb je een documentaire gemaakt: Worthy of the Crown, toevallig ook de betekenis van je naam in het Yoruba.

“Een vriend die cameraman is, kwam op het idee om die reis te filmen. Ik vond het een goed idee: ik wilde sowieso niet alleen gaan, en zo kon ik er later nog eens op terugblikken.”

Je vader wilde niet mee?

“Net wel, hij stond te springen. Maar dat wilde ik niet. Ik wilde zelf ontdekken hoe het leven er daar uitzag, en met mijn vader erbij zou die ervaring anders geweest zijn. Hij is zelf een prins daar, en mensen zouden zich hem misschien nog herinneren: hij is destijds naar België gekomen om te studeren, zoals je daar hoort te doen als lid van een vooraanstaande familie. Hij is hier gebleven omdat hij mijn moeder had leren kennen. Hij woont nog altijd in Sint-Niklaas.

“Ik hoop dat ik ooit eens naar Nigeria kan met hem en mijn zus erbij. Maar dat is niet vanzelfsprekend: er wordt dan verwacht dat je ál je familieleden gaat bezoeken.”

Beeld Koen Bauters

Hoe groot is die familie?

“Dat is een moeilijke vraag. Mijn grootvader had twee vrouwen, en heel wat kinderen en kleinkinderen. Ik denk dat zelfs mijn vader niet met zekerheid kan zeggen hoeveel familieleden we hebben.”

Ben je sindsdien nog nooit in de verleiding gekomen om 'Weten jullie wel wie ik ben?!' te roepen?

(lacht) “Zo speciaal is het nu ook allemaal niet. Je moest eens weten hoeveel mensen eigenlijk Afrikaanse prinsen zijn, maar hier gewoon in een garage of op kantoor werken. Er zijn veel Afrikanen die ‘Prince’ op hun identiteitskaart hebben staan: ik besef nu pas dat dat niet gewoon hun naam is, maar dat ze effectief lid zijn van een koninklijke familie.”

Heb je tijdens je bezoek aan je grootvader nooit serieus overwogen om ginds te blijven en op de troon te zitten in plaats van in België elke dag in de file te staan?

“Ik moet toegeven dat er wel een paar momenten waren waarop ik dacht: hier zou ik wel kunnen wonen. (lacht) Maar dat gevoel ebde na een tijdje ook weer weg. Het zou ook hypocriet van me zijn om dat nog maar te overwegen: ik ben in België opgegroeid, de Yoruba-cultuur is de mijne niet. Wie ben ik dan om te eisen dat ik daar leider zou worden van wie dan ook?

“Je mag ook niet onderschatten hoe vervreemdend dat bezoek was: toen ik aankwam in het geboortedorp van mijn grootvader, kreeg ik meteen kralen omgehangen die je alleen mag dragen als je koninklijk bloed hebt. Overal waar ik kwam, gingen mensen languit op de grond liggen als eerbetoon. Ik heb die kralen na een tijdje weggestoken, het voelde te vreemd aan.

“Bij de Yoruba wordt er maar in twee dingen onderscheid gemaakt: titels en ouderdom. Je geslacht is er bijvoorbeeld niet zo belangrijk als hier, maar titels zijn er dan weer erg gegeerd: mensen zijn bereid veel geld te betalen en zelfs te vechten voor het recht om een titel voor hun naam te zetten. Nigeriaanse politici kopen vaak titels als de mijne om aanzien te winnen.”

Hoe ziet het leven eruit in Nigeria?

“Wat me vooral bijblijft is het lawaai. Omdat er niet overal stroom is, draaien er voortdurend generators. Vroeger had je er misschien twee per wijk en viel dat nog mee, maar nu de mensen wat welvarender worden, kan iedereen zijn eigen generator betalen. Dat zorgt voor een hels lawaai, overal waar je komt.

“Nigeria kampt tot op vandaag met de gevolgen van hoe het is misbruikt door de westerse wereld. De kloof tussen arm en rijk is er enorm, met vooral veel armen: een middenklasse bestaat er niet.

“Ook heel bijzonder: geld is er zoveel meer dan een betaalmiddel. In Nigeria is het een teken van respect als je iemand geld geeft, wat betekent dat je overal geld moet uitdelen. Als westerling krijg je dan al snel het gevoel dat ze van je profiteren, maar eigenlijk vragen mensen gewoon om je respect. In het geboortedorp van mijn opa kreeg ik allemaal geldbriefjes in mijn handen geduwd. Ik voelde me daar ongemakkelijk bij, maar afslaan mocht ik niet: de mensen wilden tonen dat ze me respecteerden.

“Toen we een auto wilden huren, heb ik anderhalf uur ruziegemaakt omdat we voor de zoveelste keer extra moesten betalen. Na eindeloos afpingelen liep ik kwaad weg, maar die mensen kwamen me achterna: ‘Dat heb je goed gedaan. Je bent van die streek, niet? We merken het aan je vurige manier van onderhandelen.’” (lacht)

Maar bij geld komt ook corruptie kijken. Dat zal in Nigeria vast niet anders zijn?

“Inderdaad, corruptie is er een deel van de samenleving. Toen ik daar was, vatte mijn neef het goed samen: ‘Nigeria is een heel mooi land, met heel slechte leiders.’ Dat tweede deel fluisterde hij. Wie tot enkele jaren geleden openlijk kritiek uitte op het regime, liep het risico te worden uitgeschakeld door het leger. Dat is gelukkig aan het veranderen, maar er is nog veel werk.”

Blikje tegen hoofd

Was je opvoeding half Nigeriaans, met een Nigeriaanse vader en een Vlaamse moeder?

“Niet echt. Mijn vader was de strenge en mijn moeder de creatieve, maar dat had niets met een cultuurverschil te maken. Dat heb je volgens mij in wel meer gezinnen. Eigenlijk was het enige verschil dat er bij ons af en toe een Nigeriaans gerecht op tafel kwam. En dat ik tijdens mijn kindertijd Engels sprak met mijn vader, omdat hij pas op latere leeftijd Nederlands heeft geleerd.”

Je bent opgegroeid in Sint-Niklaas. Warme herinneringen aan die tijd?

“Best wel. Ik heb mijn hele jeugd in de scouts gezeten en ik heb er in het plaatselijke jeugdhuis gewerkt. Ik ben gelukkig opgegroeid. Maar: ik ben wel blij dat ik nu in Gent woon. De openheid en de verdraagzaamheid die ik in Sint-Niklaas altijd heb gevoeld bij mijn vrienden, voel ik nu op grotere schaal. Sint-Niklaas is op vlak van diversiteit nog altijd meer een dorp dat zich heeft vermomd als een stad. Om een voorbeeld te geven: ik heb er lang geleden nog gevoetbald bij een ploeg die 'White Boys' heet. Ik was er de enige zwarte. (lacht) Ik stond er toen niet bij stil hoe idioot die naam was, maar mijn ouders wel. Enfin, ik heb er niet lang gespeeld: ik had geen talent.”

Sinds vorige maand is Vlaams Belang de tweede grootste partij in Sint-Niklaas, na de N-VA. Moest je even slikken bij die uitslagen?

“Goh, ik viel niet helemaal uit de lucht. Ik ben onlangs nog eens met de neus op de realiteit gedrukt toen ik mijn vader wilde helpen om een nieuw appartement te vinden. Ik wist niet wat ik hoorde toen ik een makelaar tegen de verhuurder over mijn vader hoorde praten: ‘Hij spreekt goed Nederlands, hij is heel goed geïntegreerd en hij is heel proper.’ Terwijl wij daar gewoon bij zaten! Ik ben niet snel kwaad te krijgen, maar toen wel.

“Zo verbazingwekkend vind ik het dus niet dat partijen als Vlaams Belang weer voet aan de grond krijgen. Als je ziet hoe makkelijk die oude denkwijzen nog kunnen bestaan, en hoe vaak mensen redeneren vanuit een soort angst.

“Niet dat Gent zo anders is, hoor. Toen ik hier mijn eerste appartement zocht, ben ik mezelf op den duur aan de telefoon beginnen voor te stellen als Jimmy Dewaele. Dat maakte een afspraak regelen toch opvallend makkelijker dan wanneer ik belde als Yemi Oduwale.

“En nu ga je vast vragen of ik in mijn jeugd vaak met racisme ben geconfronteerd?”

Beeld Koen Bauters

Is mijn voorbereiding weer gelekt?

“Het leek me een voor de hand liggende vraag.

“Ik moet zeggen: nee en ja. Het gebeurde niet vaak, maar het gebeurde wel. Het ergste wat ik heb meegemaakt? Toen ik jaren geleden op straat fietste, riep er iemand vanuit een rijdende auto ‘Neger!’ naar me en gooide vervolgens een vol blikje tegen mijn hoofd. Toen was ik even aangedaan. Wat had ik verkeerd gedaan?

“Zulk écht racisme heb ik gelukkig niet vaak meegemaakt. Het ging vaker om vooroordelen. Zo ben ik op een bepaald moment zelf begonnen met in gezelschap moppen te maken over zwarten, om anderen voor te zijn. Eigenlijk is dat niet oké, maar het zorgde ervoor dat ik niet meer verbouwereerd was als iemand anders er één maakte.

“Er is al veel veranderd, maar iets dat al zoveel generaties meegaat, kun je niet met één vingerknip rechttrekken. Goede vrienden mogen me bijvoorbeeld voor de grap 'neger' noemen. Ik kan daarmee lachen. Maar het is natuurlijk iets heel anders als een wildvreemde dat woord naar je roept. Onlangs heeft Dalilla Hermans een tekst geschreven waarin ze uitlegde waarom mensen het woord ‘neger’ niet meer mogen gebruiken. Ik vond dat ze gelijk had. De term is te beladen door het verleden. Maar het is niet omdat hij vroeger zo’n negatieve invulling had, dat ik mezelf vandaag geen neger kan noemen in de hoop hem een andere betekenis te geven.”

Toen Eén je intrede bij Thuis aankondigde op Facebook, waren de commentaren ook niet allemaal even koosjer. ‘Waren de Belgische acteurs op?’ was een populaire.

“Terwijl ik gewoon een Belgische acteur bén. Ach ja. Geef het nog een paar generaties, dan zijn er geen vooroordelen meer: in de toekomst zijn we toch allemaal gemengd.

“Ik ben blij dat mijn personage in Thuis een volledig Vlaamse naam heeft. Ik ben bij mijn weten de eerste acteur met een allochtone achtergrond die in de reeks een Vlaamse naam heeft. Je mag de impact daarvan niet onderschatten. Want je kunt nog zoveel acteurs met een andere achtergrond in je programma stoppen, zolang je ze een stereotiepe naam geeft, blijf je in hokjes denken.”

Thuis, Eén, elke werkdag, 20.10 uur

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234