Vrijdag 18/06/2021

Boekenrecensie

‘Wij zijn nooit alleen’ van Bart Meuleman: veelvormig maar altijd prikkelend ★★★★☆

Bart Meuleman. Beeld ENKEL IPAD
Bart Meuleman.Beeld ENKEL IPAD

Bart Meuleman is zo’n schrijver die je als ­geheime tip soms in de luwte zou willen houden. Ook in zijn bundel Wij zijn nooit alleen, met verhalen, essays en messcherpe stukken, spreidt hij zijn kwaliteiten tentoon.

Een elegante en beeldende verteller. Een schrandere, opmerkzame geest. En bovendien een schrijver die iets kleins plots hevig kan laten oplichten, alsof hij er een zaklamp op richt. Het proza van Bart Meuleman (°1965), ook theatermaker en dichter, heeft vaak een autobiografische ondertoon. Hij omsingelt zijn Kempense jeugd én familie, maar tegelijk rijst hij er zelf uit op. Hij spaart zichzelf niet en gumt zichzelf soms weer weg. Steeds ligt er schaamte, melancholie en verlangen maar ook een tekortschieten op de loer. Het mag schuren en wringen bij Meuleman.

Zo gaf Meuleman in zijn uitstekende prozadebuut De jongste zoon (2014) een ingenieuze invulling aan de adolescentenroman, terwijl hij in Hoe mijn vader werd verwekt (2018) de herkomst van zijn vader ­ontrafelde, een ‘brave, goedmoedige’ ­bediende, ‘bezwaard met een geschiedenis’. Nu verkent hij nieuwe paden, in verhalen, portretten én essayis­tische zijsprongen. Is het een pronte ­staalkaart of juist een vergaarbak van zijn kunnen? In Wij zijn nooit alleen lees je de ene keer een intrigerende tranche de vie, dan weer een ‘gebeuren van niets’. Vervolgens een schuchtere observatie waarin ­onderhuids van alles plaatsgrijpt. Hij neemt afscheid van zijn dichterschap of bedrijft het aandachtige kunstkijken. En er zijn ronduit bijtende stukken.

Ongetwijfeld het spraakmakendst is het grimmige ‘Het vochtige’, over Wilfried Martens, en de gesprekken met christendemocratische politici die Meuleman ter voorbereiding van zijn theatermonoloog Martens (2006, met Koen De Sutter) voerde. Hij laat ons vilein in de coulissen van de macht gluren en schrijft: ‘Ik wist dat hij een boerenzoon was, in een flits moest ik al gezien hebben wat voor drama er in zijn verhaal kon schuilen.’ Hij gaat langs bij Leo Tindemans, Herman Van Rompuy (‘Hij laakte de vulgaire humor van de eerste minister’) en Willy Claes. Martens blijkt later in zijn nopjes over de voorstelling, Meuleman belandt zelfs op een diner na de presentatie van zijn memoires. Maar: ‘Soms sprak iemand welwillend over de eerste minister, de meesten uitten ergernis.’

Er sluipt méér onbehagen en ongemak in de verhalen. Zo ontmoet de ik-verteller in ‘Freddy’ op de boemeltrein Guy D., een merkwaardig grijze schim uit zijn jeugd, in de knoei met zijn katholieke roeping. Hij vertelt dat hij één keer per jaar een bezoek brengt aan de beruchte moordenaar Freddy Horion. ‘Op slag verandert de lucht van samenstelling. Het is alsof we nu samen in een vacuüm gezogen ruimte zitten, in een capsule, los van de wereld, alleen hij en ik.’ Guy D. zegt: ‘Ik ben dus een soort van uitverkorene.’ Nog merkwaardiger is ‘En de winter moest nog komen’, dat zich eveneens voltrekt in een trein, de late van Brussel naar Antwerpen. Daarin wordt de verteller onverhoeds gevraagd een zich ontblotende vrouw te filmen. Hij levert er zich met enige gretigheid én onmiddellijke gêne aan over. ‘Het voelt als in een film, een ordinair verhaal.’ In de ondergrondse stationsfietsenstalling wordt van hem nog een blowjob gevergd.

Niet altijd gaat het er zo full in the face aan toe, integendeel zelfs, meestal zindert het vooral onder de oppervlakte. In veel teksten grijpt Meuleman opnieuw regelmatig naar zijn Kempense roots – sommige lazen we eerder in het bibliofiele Kijkverdriet. Hij schrijft over de licht hooghartige, maar evengoed onzekere jongen die hij ooit was. Of over een moederdagfeest waar een racistische oprisping als een vaatdoek in ieders gezicht pleurt.

Wij zijn nooit alleen gaat ook over mannenvriendschap, zoals die met zijn overleden mentor, essayist en cultuurcriticus Dirk Lauwaert, getypeerd als ‘een schaatser die met een paar slides op het ijs tot stilstand komt (…).’ Of er is boezemvriend Paul Verrept, vormgever, uitgever en schrijver: ‘Soms als hij enkele dagen weg is, voel ik al gaten in mij geslagen, het eerste stadium van puin.’ Niet minder fraai zijn Meulemans excursies naar de fotografie, die hij lang als de slippendrager van de kunsten beschouwde . Nu beleeft hij ‘telkens weer een coup de foudre’. We lezen over Helen Levitts subwayportretten, William Eggleston of de chaos van de straat die Garry Winogrand vastlegde. Meuleman is een tactiel kijker. Jammer wel dat die essays geen foto-ondersteuning krijgen. Best mogelijk ook dat je samenhang mist in deze veelvormige maar altijd prikkelende bundel. Maar wie zich op Meulemans onderstroom laat meedrijven, wordt met glasheldere formuleringen beloond. En opstekende stekeligheid.

Bart Meuleman, Wij zijn nooit alleen, Querido, 208 p., 20 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234