Dinsdag 23/04/2019

Interview

“Wie met zijn tijd meegaat, wordt snel oud”

Martin Michael Driessen: ‘Mijn zelfvertrouwen is alleen maar gegroeid.’ Beeld Sanne De Wilde

In Mijn eerste moord bundelt Martin Michael Driessen (64) een weelderige oogst aan korte verhalen en novellen. Noodlot, dood én gedwarsboomde liefde regeren deze soms dwarse, dan weer puntgave parabels. “Ik ben niet uit op snel succes. Ik wil zo tijdloos mogelijk schrijven.”

Een blind bedelaarskoppel is verknocht aan elkaars schoonheid. Tot ze even hun gezichtsvermogen terugkrijgen en ontdekken hoe godsgruwelijk lelijk ze beiden zijn. Een verliefde vrouw krijgt nog één extra nacht met haar verongelukte minnaar. Een jongetje duwt zijn enige vriendje in de sloot, ‘ik bedacht opeens dat het beter zou zijn dat hij er niet meer was’. Om vervolgens zelf de met melkchocolade gevierde redder uit te hangen.

Het is slechts een kleine greep uit de grimmige en uitgekiende plots die Martin Michael Driessen ons voorschotelt in zijn bundel Mijn eerste moord en andere verhalen. Net als in het met de ECI Literatuurprijs bekroonde Rivieren (2016) en De pelikaan (2017) toont de Nederlandse auteur zich een soeverein, meeslepend verteller. Zijn fabels en parabels – of zijn het allegorieën? – staan glashelder en klemvast op het papier, vol indringende beelden en achteloos gedebiteerde waarnemingen. Telkens weer zorgt het lot voor een onverwachte frats.

Naast de herdruk van Een ware held (2013) en een vertaling van Theodor Storm zijn alle verhalen nieuw. “Dit boek is de oogst van drie jaar hard werken”, verzekert Driessen. “Als ik een idee heb, weet ik niet of het zal uitgroeien tot een roman of een novelle. Maar het is wél verleidelijk om op een zo klein mogelijke ruimte zo veel mogelijk gedaan te krijgen.”

De 64-jarige Driessen toont zich de laatste jaren productiever dan ooit. “Mijn zelfvertrouwen is alleen maar gegroeid.” Door de buitenwereld laat hij zich in zijn alchemiekamer in Hoeksche Waard niet afleiden. “Waarom zou een schrijver ook een morele instantie moeten zijn?”

Uw proza wordt vaak geroemd als ambachtelijk en onmodieus. Kunt u leven met deze kwalificaties?

“Onmodieus, ja, maar dan wél in de hoop dat daarmee ‘tijdloos’ wordt bedoeld. Want wie met zijn tijd meegaat, wordt snel oud. En als ambachtelijk een synoniem is voor ‘vakmanschap’, dan heb ik er geen enkele moeite mee. Maar ‘ambacht’ klinkt ook als nederig maakwerk. Mijn ambitie reikt verder dan dat.”

In ieder geval slaat uit uw verhalen en romans een intens vertelplezier over op de lezer. Hoe zit dat bij de schrijver zelf?

“Ach, of ik er zelf plezier aan beleef, doet weinig ter zake. Het resultaat telt. Het gaat mij erom de lezer mee te slepen. Ik lees en schrijf graag plotgedreven literatuur. In een narratieve vorm hoort iets te gebeuren. Voor oeverloze zelfbespiegeling heb ik geen enkele belangstelling. In die zin schrijf ik literatuur die tegengesteld is aan bijvoorbeeld Oblomow van Ivan Gontsjarov, met zijn luie hoofdpersonage, of Laurence Sternes Tristram Shandy, hoe fabelachtig en fascinerend stationair hun boeken ook zijn.”

U lijkt gretig terug te grijpen naar een 19de-eeuwse Russische romantraditie à la Gogol of Toergenjev of een Duitse met Theodor Storm, waarvan u hier een novelle vertaalde?

“Zeker, daar heb ik een diepgaande affiniteit mee. Mijn kennis van de 19de eeuw is ook veel groter dan die van andere tijdperken. Maar het is tevens mijn manier om afstand te scheppen. Een goed verhaal heeft het kenmerk dat het zich ook naar een andere tijd laat transponeren. Het gaat mij om universele geldigheid. Vandaar dat ik zo graag refereer aan de parabels en mythes die tot ons aller musée imaginaire behoren. Dat zijn machtige middelen om de lezer een kader aan te reiken. Als ik de naam Orpheus laat vallen, dan gaat er toch bij iedereen een belletje rinkelen.”

Op een vreemde manier zijn uw verhalen spannend te noemen. Maar op andere momenten ontmantelt u die suspense door de ontknoping meteen weg te geven. Waarom?

“Ik wantrouw het begrip ‘spanning’ en ik heb ook een hekel aan het woord ‘pageturner’; ik ervaar dat als een soort afvalverwerking. Ik wil dat mijn boeken lang op dezelfde pagina’s blijven openliggen. Ik vind het, na snelle, scherzo-achtige passages, vaak wenselijk dat er langzamer en aandachtig gelezen wordt. Adagio, dat doe ik door stilistisch langere zinnen te schrijven die het leestempo op natuurlijke wijze afremmen. Of ik daarbij schema’s hanteer? Nee, dat gebeurt allemaal vrij intuïtief. Ik kan toch moeilijk een metronoom bij mijn boeken stoppen om het tempo aan te geven?” (lacht)

‘Met een korter verhaal is het makkelijker om feilloos te zijn’, zei u ooit. Wat is uw definitie van een geslaagd kort verhaal?

(categoriek) “Die kan ik u niet geven, want ik ben geen literatuurwetenschapper. Wél vind ik een kort verhaal als opgave overzichtelijker. Je werkt met een fijne beitel en je doet precies wat je wilt. Een roman is een veel gecompliceerdere constructie. Het is een systeem dat op een gegeven moment structurele eisen stelt, je moet alle bijfiguren ruimte geven, enzovoort. Het is veel moeilijker om daarin perfectie en excellentie te bereiken.

“Bij een kort verhaal is het dé uitdaging om een heel groot thema in een heel beknopte vorm onder te brengen. Kijk bijvoorbeeld naar de ‘Dodendansjes’ in Mijn eerste moord. Daar probeer ik de onvoorspelbaarheid van het noodlot telkens in amper twee pagina’s te vatten. In het verhaal ‘De zon’ overleeft Willem twee atoombommen en een vliegtuigcrash maar komt aan zijn einde omdat hij een zwemtrapje aan zijn zeilboot vergat te hangen. Dat is wrang, ja.”

Uit welke reservoirs put u voor uw verhalen? Hoelang moet een verhaal gisten?

“Ik begin pas te schrijven als er in mijn hoofd een soort kernfusie heeft plaatsgevonden. Ik kan twintig of dertig jaar een thema bij me dragen. Ik wacht geduldig tot de vonk overspringt en ik de dramaturgie bij de lurven heb. Zo gaat mijn roman Vader van God (2012) terug op het feit dat ik twaalf jaar eerder mijn zoontje had verloren. Uiteindelijk laat ik Jozef een poging doen om Jezus te behoeden voor zijn taak de Messias te worden: hij ontvoert hem uit het Heilige Land. Dat is het verhaal van een vader die alles wil doen om zijn kind te redden.

“Bij ‘De reis naar de maan’ uit Rivieren liep ik lang met het idee om iets te schrijven over de grenzen van onze zelfkennis en de onmogelijkheid om een ander echt te kennen. Tot ik op dat gegeven stuitte van houtvlotters die ooit de Main en de Rijn afvoeren. Dat was de fusie. Met behulp van dat epische gegeven kon ik eindelijk mijn verhaal vertellen.”

In ‘Tijdrit’ doet een vader jaarlijks de tijdrit van zijn overleden zoon over waarmee die in 1963 nationaal jeugdkampioen werd. Een bijna heilloze onderneming, vol onderhuidse sidderingen.

“Het gegeven van die imaginaire tijdrit is zeer meerduidig. Je rijdt tegen iemand die al dood is, je fietst tegen het verleden. Dit verhaal gaat over een kannibalistische vader, over een man die zijn dode zoon wil inhalen – om hem te omhelzen, denk je eerst, maar in feite wil hij hem verslaan en vernietigen. Er zijn onverschillige families en er zijn kannibalistische families. Deze vader is de incarnatie van de laatste soort. Als hij beseft dat zijn zoon beter was dan hij ooit zal zijn, wil hij zich wreken via zijn andere zoon. Die zal hij ook aan het koersen zetten.”

Beeld Sanne De Wilde

Altijd weer is er dat noodlot, die onontkoombaarheid. Vaak lijken uw personages het slachtoffer van een zekere willekeur en van de elementen?

“Ik confronteer mijn personages vaak met situaties die groter zijn dan zijzelf, bijvoorbeeld – heel archetypisch – met de overmacht en de nietsontziendheid van de natuur. Maar het gaat evenzo over de onontkoombaarheid in jezelf. Bij ‘Fleuve sauvage’, het eerste verhaal in Rivieren, met de kanovarende man, is niet het water de schuldige, het is de autodestructiviteit van de hoofdpersoon. Zoals Friedrich von Schiller zei: ‘In deiner Brust sind deines Schicksals Sterne.’ (Het zijn niet de sterren die iemands lot bepalen, maar de mens zelf, door zijn handelen, red.)

U was decennialang actief als opera- en toneelregisseur in Duitsland. ‘Vandaar dat Driessen in zijn verhalen zijn personages als pionnetjes uitzet’, hoor je weleens.

“Ik beschouw dat als een denigrerende formulering. Natuurlijk ben ik overtuigd van het belang van een stringente dramaturgie én een strakke spanningsboog. Ik orkestreer. Maar pionnetjes? Dat doet afbreuk aan de waardigheid en zelfstandigheid van mijn personages.

“Bovendien is er steeds dat intuïtieve aspect. Ik schrijf meer zoals je natuurstenen tot muren stapelt, dan dat ik volgens een vooropgezet plan met bakstenen metsel.”

Er straalt veel zelfverzekerdheid uit deze bundel, ja, zelfs soevereiniteit. U krijgt de lezer waar u hem hebben wilt.

“Dat eerste kan ik beamen. Ik weet precies wat ik doe. Ik heb veel zelfvertrouwen als schrijver, misschien omdat ik al een dertigjarig kunstenaarsleven achter de rug heb. ‘Wie iets kan, kan ook iets anders’, laat ik het oude moedertje van de vlotter Konrad niet toevallig zeggen.”

Toch lijkt u zich ver te houden van het schrijverscircus. Uw boeken doen het op eigen kracht, maar kregen wel langzaam erkenning én prijzen.

“Wanneer je een boek schrijft, moet je alles doen wat er in je vermogen ligt. Wat er daarna mee gebeurt, daar heb je weinig invloed op. Ik denk nooit veel na over nominaties, recensies of verkoopcijfers. Ik ben niet uit op snel succes of directe erkenning. Ik heb de tijd.

“Ik meng me ook niet in publieke debatten, ik ben geen vlogger of blogger. Ik denk overigens dat veel schrijvers met een bepaalde status het belang van hun persoonlijke opinies overschatten. Waarom zou je als auteur automatisch een soort morele instantie zijn? Margaret Atwood is natuurlijk wél zo iemand, maar die heeft dan ook via een enorm oeuvre aan alle politieke debatten van haar tijd deelgenomen. Schrijverscolumns vind ik vaak volkomen oninteressant. Mijn uitdaging is boeken te schrijven. Wat daaruit voortkomt, staat in de sterren.”

Martin Michael Driessen, ‘Mijn eerste moord en andere verhalen’, Van Oorschot, 251 p., 19,99 euro. Beeld RV
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.