Donderdag 17/10/2019

Expo

Wedergeboorte van een vermoorde artiest

Stéphane Mandelbaum, ‘Compositie (Mishima, Bacon...)’,1980. Beeld Galerie Zlotowski/Jean-Louis Losi

De eerste tentoonstelling waar het Joods Museum in Brussel mee uitpakt na het proces-Nemmouche is een retrospectieve van Stéphane Mandelbaum. Dat getuigt van koelbloedigheid, klasse en cojones. Want in diens oeuvre spelen gangsters, nazi’s en hoeren een hoofdrol.

Vijf jaar geleden, op 24 mei 2014, schoot Mehdi Nemmouche vier mensen dood in het Joods Museum; twee bezoekers en twee museummedewerkers. In maart van dit jaar werd hij voor die aanslag veroordeeld tot levenslang. Vandaag begint in het Joods Museum het post-Nemmouche-tijdperk.

En dat wordt ingezet met de eerste grote overzichtstentoonstelling op Belgische bodem van de Brusselse kunstenaar Stéphane Mandelbaum. In diens universum, dat wordt bevolkt door cultuuriconen met een donker kantje als Arthur Rimbaud, Pier Paolo Pasolini en Francis Bacon, maar ook door gangsters, hoeren en nazi’s, zou de Nemmouche van de politiefoto’s probleemloos gepast hebben. Jammer genoeg werd Mandelbaum doodgeschoten. Lang geleden al, toen Nemmouche nog een pasgeboren baby was.

Wie opgroeide in de jaren 80 van de vorige eeuw zal het zich misschien nog vaag herinneren. Het waren de anni di piombo, de loden jaren van het zwaar banditisme, van bommen en granaten met een geur van extreemrechts in de rookpluimen.

Januari 1987, een bericht in de krant: kinderen vinden lijk kunstenaar onder brug in Namen. In de weken en maanden die volgden kreeg de titel een verhaal. Het lijk was dat van de vijfentwintigjarige Brusselse kunstenaar Stéphane Mandelbaum. De lijkschouwing wees uit dat hij in december 1986 was omgebracht. Zijn aangezicht was onherkenbaar gemaakt met zuur, in zijn schedel zaten twee kogels. De jonge kunstenaar zou in de laatste maanden van zijn leven gemene zaak hebben gemaakt met de Brusselse onderwereld. Zo was hij in oktober 1986 betrokken bij de diefstal van een schilderij van Amedeo Modigliani uit het appartement van een rijke weduwe in Elsene. Het schilderij was vals, maar het werd op de zwarte markt aangeboden voor de prijs van een echt: 70 miljoen frank. Wat er vervolgens precies is gebeurd, is nog altijd onduidelijk. De meest plausibele versie van de feiten is dat Mandelbaum ruzie kreeg met de rest van de bende en vanwege zijn te hoge ‘risicofactor’ uit de weg werd geruimd. Het onderzoek naar de moord werd bij gebrek aan harde bewijzen geseponeerd.

Sindsdien, nu al 32 jaar lang, begint elk verhaal over het fenomenale werk van Stéphane Mandelbaum met een verwijzing naar zijn gewelddadig einde.

Het dyslectisch wonderkind

Hij was een wonderkind. Een dyslectisch wonderkind, dat door zijn ouders – het artistieke echtpaar Arié en Pili Mandelbaum, hij schilder, zij boekenillustrator – aanvankelijk werd ondergebracht in een alternatieve kostschool voor kinderen met gedragsstoornissen. Vanaf zijn zestiende trok hij naar de Academie voor Schone Kunsten in Watermaal-Bosvoorde, twee jaar later schakelde hij over naar de Academie van Ukkel, waar zijn vader lesgaf. Maar wie in het Joods Museum voor de werken gaat staan die hij op vijftien-, zestien-, zeventienjarige leeftijd heeft gemaakt, kan niet anders dan besluiten dat Mandelbaum al een volleerd kunstenaar was voor hij goed en wel begon te studeren. En eens hij achttien, negentien was, was hij uniek.

Zijn uniciteit zit in de combinatie van een virtuoze, haast volmaakte beheersing van de klassieke portretkunst, met een schriftuur en een kadrering die bijna veertig jaar later actueler is dan ooit. Het grootste en beste deel van Mandelbaums oeuvre bestaat uit tekeningen, uitgevoerd met potlood, houtskool, balpen, kleurstift en af en toe een streep aquarel op papier. Vrijwel elke tekening is op zijn beurt een combinatie, een collage of gewoon een wemeling van figuren en woorden, koppen en krassen, scènes en verhalen, titels en ondertitels. Vanwege zijn dyslexie staan de woorden vol spellingfouten. Vermoed wordt dat hij het op de duur moedwillig deed. Ook de tekst was in de eerste plaats tekening, landschap, uitroepteken.

Stéphane Mandelbaum, ‘Francis Bacon (tekening nr. 1)’, Rond 1980. Beeld Roger Asselberghs

Aanvankelijk tekende hij de helden van zijn vader: Arthur Rimbaud, Pier Paolo Pasolini, Francis Bacon. Niet één keer, maar twintig, dertig keer. In elk geval zo vaak dat het niet anders kan dan dat het ook zijn helden werden. Hij was amper negentien jaar. Het vuur brandde en zijn ambitie was grenzeloos. Hij stuurde kopieën van zijn portretten van Francis Bacon met de post naar Francis Bacon.

Na 1980 werden de figuren en de thema’s steeds minder onschuldig. De portretten van Pierre Goldman waren een keerpunt. De Fransman was een nazaat van Joodse verzetsstrijders die zich in de jaren 60 aansloot bij de linkse guerrilla in Zuid-Amerika maar na zijn terugkeer naar Frankrijk in de misdaad verzeilde. Veroordeeld voor een dubbele moord, na een herziening van zijn proces vrijgelaten, in 1979 voor de deur van zijn huis doodgeschoten. Mandelbaum tekende verscheidene grote portretten van hem, met opmerkelijk weinig woorden erop. En toen kwamen de nazi’s.

‘Sale Juif’

Hij was een Joods wonderkind. Ondanks het feit dat hij naar de letter van de Joodse wet helemaal niet Joods was: het zijn de moeders die de bloedlijn doorgeven, en zijn moeder Pili was van Armeense afkomst. Maar Stéphane voelde zich veel meer verbonden met de achtergrond en de cultuur van zijn vader Arié dan met die van zijn moeder. In zijn werk zit geen enkele verwijzing naar zijn Armeense roots, des te meer naar zijn Joodse.

Een dubbelportret uit 1981: links een portret van zijn grootvader Salomon Mandelbaum, rechts een zelfportret. Aan de linkerkant, rond het hoofd van de patriarch: een leeg wit vlak, zonder woorden. Aan de rechterkant, rond z’n eigen beeltenis: krassen en vlekken, kreten en krachttermen. ‘Sale Juif, Merde, Sale Arabe, Vive la France, etc.’

Drie, vier keer tekende Stéphane Mandelbaum het portret van Ernst Röhm, de stafchef van Hitlers Sturmabteilung (SA), de paramilitaire knokploeg wier leden ook wel ‘bruinhemden’ werden genoemd. Röhm werd in 1934, tijdens de ‘Nacht van de lange messen’, het slachtoffer van de toenemende rivaliteit onder de nazi-top. Hij werd geëxecuteerd door twee SS-officieren. Hitler rechtvaardigde de eliminatie van Röhm door te verwijzen naar diens homoseksualiteit.

Mandelbaum beeldde hem af zoals de meesters van de Neue Sachlichkeit, George Grosz en Otto Dix, dat zouden gedaan hebben. Als een dik, dommig, meelijwekkend stuk vreten met een platgeslagen boksersneus. Maar hij legde er nog een dikke laag baldadigheid van zichzelf bovenop.

Maar de nazi die hij het vaakst heeft afgebeeld, is propagandachef Joseph Goebbels. Steeds op basis van dezelfde foto, genomen op 1 mei 1933 in Berlijn: in zijn lange lederen jas, met gebalde vuisten zijn getrouwen toesprekend. Het Goebbels-portret uit 1980 is een van Mandelbaums allersterkste staaltjes. Het werk werd recent aangekocht door het Centre Pompidou in Parijs.

Stéphane Mandelbaum, ‘Der Goebbels’, rond 1980. Beeld Philippe MIGEAT

Volgens Bruno Benvindo, de curator van de expo in het Joods Museum, doorbrak Mandelbaum met die werken, waarin hij nazisme en pornografie door elkaar roerde, twee Joodse taboes tegelijkertijd: dat op de Holocaust, en de religieuze preutsheid rond seksualiteit. Salomon Mandelbaum, Stéphanes grootvader, was de enige van zijn tak van de familie die de oorlog overleefde. Over dat onderwerp werd enkele decennia later nog altijd zo veel mogelijk gezwegen, het was te pijnlijk. En als het al ter sprake kwam, moesten de kinderen van tafel.

Benvindo ziet het spel met nazi-symbolen ook als vorm van generatieconflict. Mandelbaum zei op die manier tegen zijn vader Arié, die zijn grote voorbeeld was, en die hij vaak assisteerde in zijn atelier en in zijn lessen aan de academie: ‘Ik ben anders, ik ben nieuw.’

De kunstenaar-gangster

In de laatste jaren van zijn leven maakte Mandelbaum zich los van zijn Joodse achtergrond en van de culturele iconografie die hij van thuis en van de academie had meegekregen, om onder te duiken in een totaal andere wereld: de onderwereld. Matonge en de prostitutiebuurt rond Brussel-Noord werden het decor van zijn werk. En van zijn leven. Gangsters, marginalen, hoeren en pooiers kwamen in de plaats van Pasolini en Bacon. En in het ware leven trouwde hij halsoverkop met Claudia, een vrouw met Congolese roots, en hij adopteerde ineens ook haar dochter. Tezelfdertijd begon hij een hele mythologie rond zichzelf te creëren. Zijn vrienden maakte hij wijs dat hij optrok met de gangsters die hij portretteerde; dat het leven dat zij leidden ook zijn leven was geworden. Dat was goeddeels stoerdoenerij. Er was maar de helft van waar. En toen kwam de diefstal van de valse Modigliani.

‘Bordeel van het leven’, rond 1986. Beeld Philippe MIGEAT

“Mandelbaum had geen comfortzones”, besluit curator Bruno Benvindo. “Alles wat hij deed, was op het scherp van de snee. Het gevaar moest maximaal zijn, het risico zo hoog mogelijk. In zijn werk, en dus ook in zijn leven. Want werk dat niet doorleefd was, was in zijn ogen niets waard.”

De Brusselse Basquiat

Vorig jaar was er in de Fondation Louis Vuitton in Parijs een prestigieuze dubbeltentoonstelling: een ‘best of’ van Jean-Michel Basquiat, een van de duurste hedendaagse kunstenaars, gecombineerd met een honderdtal klassiekers van Egon Schiele. Het was prachtig. Maar ik stel me nu even voor dat ze Basquiat hadden gecombineerd met Mandelbaum. Tijdgenoten. Basquiat is één jaar vroeger geboren en één jaar later gestorven. Twee kunstenaars met een gelijkaardige signatuur, tekening en tekst in één krachtig, expressief geheel. Hoewel ze elkaar naar alle waarschijnlijkheid niet kenden. Twee versies van in wezen hetzelfde verhaal. Basquiat de technicolor New Yorkse versie, schatplichtig aan de pop-art, de street-art en de jazz. Mandelbaum de donkere Brusselse versie, schatplichtig aan de Duitse expressionisten, de nouvelle vague-cinema en, jawel, Egon Schiele. Je kunt er vergif op innemen dat Mandelbaum in één klap wereldberoemd zou zijn geworden als de Europese Basquiat.

Maar het was een ander adres in Parijs waar ze begin dit jaar uitpakten met Mandelbaum: het Centre Pompidou. Bijna drieëndertig jaar na de dood van Stéphane Mandelbaum is zijn internationale carrière begonnen.

Stéphane Mandelbaum, The inner demons of an 80’s provocative artist. Joods Museum van België, tot 22 september. www.mjb-jmb.org

‘Salomon Mandelbaum en zelfportret’, rond 1981. Beeld Philippe MIGEAT
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234