Donderdag 02/07/2020

Interview

‘We maken nu al werk van de Frank en Simonne van morgen’

Mathieu Carpentier en Lynn Van den Broeck.Beeld VRT

Thuis, dat heerlijke avondritueel waarin de werkelijkheid dagelijks een ruim bemeten pofbroek aankrijgt, wordt straks 25. Dat is geen leeftijd om achter een rollator te sjokken, schijnt het, en dus werd er de afgelopen jaren druppelsgewijs jong bloed toegevoegd aan de cast. Lynn Van den Broeck (27) en Mathieu Carpentier (23) bijvoorbeeld: ze vlinderen op uw scherm als Viv en Joren, jongelui op wie het lot al eens geregend heeft, en die hun littekens met vriendschap overplakken. Samen zijn ze een prachtige chemische formule.

Op het scherm zoekt Joren zich een weg naar het volwassen leven en brult er een wilde verliefdheid in Viv – we zagen haar bepaald passioneel de amandelen van Lowieke poetsen. Maar achter dat scherm gebeurt er momenteel niets: ook Thuis is in coronapauze, en dus zijn Carpentier en Van den Broeck momenteel, welja, thuis.

Carpentier: “Je moet weer een beetje met jezelf leren leven, hè. Maar mij lukt het aardig: ik voel mezelf tot rust komen.”

Van den Broeck: “Ik vind het toch comfortabel dat ik een huisgenoot heb. Het helemaal alleen rooien, zou me moeilijk vallen.”

Carpentier: “Snap ik. Ik woon samen met vrienden en mijn lief. Dat helpt: er blijft leven in huis.”

Van den Broeck: “Voorlopig vind ik het nog leuk – het solitaire leven, bedoel ik, niet dat ellendige virus. Op dit moment voelt het verkwikkend, de wereld die even tot stilstand komt. Maar ik vrees dat ik rusteloos ga worden als het allemaal lang zou aanslepen: zodra ik het gevoel heb dat ik niet van betekenis kan zijn voor anderen, begint er iets onbehaaglijks in mij te broeien.”

De opnames van Thuis liggen voor onbepaalde tijd stil. De kans is reëel dat voor het eerst in 25 jaar de uitzendingen de opnames zullen inhalen.

Carpentier: “En dat is behoorlijk kut, natuurlijk. Alleen: je kunt het niemand verwijten. Het was de enige logische maatregel. Solidariteit is belangrijk, hè.”

Van den Broeck: “Voilà. Hoe zou je uitleggen dat winkels, cafés, restaurants en bedrijven sluiten, maar wij wel dagelijks met tien man op een kleine, warme set staan?”

Waar zouden jullie personages zich mee bezighouden tijdens zo’n quasi-quarantaine?

Van den Broeck: “Bij Joren is er geen twijfel, denk ik.”

Carpentier: “Inderdaad: die zou de hele dag zitten gamen. Saai, quoi. Ik probeer zelf toch om me met zoveel mogelijk verschillende dingen bezig te houden: een beetje lezen en schrijven, een beetje koken...”

Van den Broeck: “Viv zou niet bij de pakken blijven zitten. Ze is het type dat meteen flyers maakt waarin ze haar hulp aanbiedt, en die dan bij de buren gaat bussen. Iemand die in beweging blijft: gewoon chillen, da’s niets voor haar.”

Vinden jullie het makkelijk om jullie personage een beetje graag te zien?

Van den Broeck: “Ik vind het alleszins belangrijk om daar mijn best voor te doen. Viv zegt dingen die ik nooit zou zeggen, maar net dat is het fijne aan mijn job: ik moet proberen om haar te begrijpen. En dat lukt aardig.”

Carpentier: “We kneden onze personages ook mee, hè. Het verhaal wordt voor ons uitgetekend, de dialogen worden voor ons uitgeschreven – maar hóé we dat vervolgens spelen, dat bepalen we zelf. Ik vind het fijn om zo met Joren bezig te zijn.”

Van den Broeck: “Er wordt weleens gezegd dat Thuis een fabriekje is, maar dat klopt toch niet helemaal. Goed, het tempo ligt hoog, maar we repeteren alles wel uitgebreid en in die repetities kun je als acteur verschillende nuances uitproberen.”

Jullie behoren tot De Twintigers, de generatie waar de makers de afgelopen jaren sterk op ingezet hebben.

Van den Broeck: “We krijgen dat ook te horen van de oudere acteurs: ‘Jullie zijn de toekomst van Thuis!’ Logisch: verjonging is cruciaal voor een soap. Er moet nu al gewerkt worden aan de Frank en Simonne van morgen.”

Zijn jullie dat misschien, de Frank en Simonne van morgen?

Van den Broeck: “(lacht uitbundig) Já, schrijf dat maar op!”

Over Frank gesproken: jij hebt regelmatig scènes met Pol Goossen, Mathieu. In gedachten reik ik hem weleens een Oscar uit.

Carpentier: “Fantastisch, toch, dat ik als kleine gamin met zo’n legende mag spelen?”

Pol Goossen en Mathieu CarpentierBeeld VRT

Van den Broeck: “Het is een gratis groeisupplement dat je krijgt. Ik heb dat met Leah Thys en met Karlijn Sileghem, die in Thuis mijn moeder speelt. Ik heb haar altijd een formidabele actrice gevonden, en nu sta ik gewoon náást haar. Onlangs speelde ik een heel intieme scène met Karlijn – een heftig, emotioneel moment tussen moeder en dochter. Ik was een beetje onzeker, en twijfelde of mensen het wel zouden geloven. Maar het lukte, en ik kreeg er ook heel lovende commentaren op. Dat zijn ijkpunten voor een jonge acteur, hè, momenten die je in één klap veel rijper maken.”

Carpentier: “(knikt) De scènes waarin je een boterham zit te smeren, worden snel routine. Maar toen ik aan het einde van vorig seizoen heel veel intense, diep tragische scènes had, voelde ik hoe die me optilden en hoe ik daar een betere acteur van werd.

“Het is ook in die crisissituaties dat je personage evolueert. Daar moet je nadien rekening mee houden, óók wanneer je weer gewoon een boterham zit te smeren. Ik ben me voortdurend bewust van wat Joren heeft meegemaakt en welke impact dat heeft gehad op zijn ontwikkeling. Als ik hem nu nog altijd zou spelen als de teruggetrokken, afstandelijke ket die hij aanvankelijk was, zou dat niet kloppen.”

KAST IS KUNST

Is dit een goeie tijd om een acteur te zijn?

Carpentier: “Ik heb les gehad van iemand die nog samen met Pol Goossen theater heeft gemaakt. Die leerkracht vertelde hoe onbezonnen het er een paar decennia geleden aan toeging, hoeveel vrijheid de makers hadden. Zo’n theatergezelschap landde ergens in een stad en nam die plek helemaal in. Straattheater op elke hoek, gekke installaties, muziek overal: een fijne, goedbedoelde anarchie, en niemand die daar een probleem van maakte. Dat is voorbij nu: we leven in een tijd van regeltjes, controle en moeilijkdoenerij. En van politici die ons wantrouwen. Daardoor moet onze generatie acteurs vechten om te kunnen doen wat ze wil doen. Ik vind het heel mooi dat we bereid zijn tot dat gevecht: het toont aan dat we absoluut wíllen spelen. Want niemand heeft ons natuurlijk verplicht om acteur te worden.”

Hoe zijn jullie daarachter gekomen?

Carpentier: “Ik ging naar school omdat dat nu eenmaal is wat je hoort te doen als tiener. Maar alles gleed aan me voorbij: ik zat daar maar, zonder iets te registreren. Het waren jaren van verveling, tot ik eindelijk besefte wat ik miste: een doel. Iets dat ik heel graag wilde, en waar ik dus inspanningen voor zou leveren. Het was Mathias Vergels (Lowie in ‘Thuis’, red.) die me de ogen opende. Ik was bevriend met hem, en zag hoe enthousiast hij bezig was met schilderen, muziek maken en acteren. Hij had ook een tijdje doelloos rondgelopen, maar had zijn bestemming uiteindelijk gevonden op de kunsthumaniora. ‘Probeer dat ook’, zei hij. Dat was mijn redding.”

Van den Broeck: “Ik heb ook kunsthumaniora gedaan. Maar ik heb niet zo moeten zoeken als Mathieu: voor mij is het altijd glashelder geweest dat ik zou gaan acteren. Ik begrijp perfect dat je als tiener twijfelt en overweldigd wordt door al die mogelijkheden die voor je liggen. Maar ik wist al op heel jonge leeftijd wie ik was en wat ik wilde.”

Carpentier: “Voor mij is het pas daar begonnen. In het begin deed ik wat lacherig over het regime op zo’n kunstschool – tikkertje spelen en ademhalingsoefeningen en van die dingen. Tot ik merkte dat ik daar echt iets aan had. Ik leerde mezelf kennen, kreeg nieuwe interesses, leerde me een eigen mening te vormen. Ik had het gevoel dat de dingen daar bewogen, terwijl het op mijn vorige school leek alsof ik vastgeplakt zat.”

Ondanks die ene heldere droom, Lynn, ben je niet zonder slag of stoot actrice geworden.

Van den Broeck: “Klopt. Ik kreeg onderweg meermaals met afwijzing te maken: scholen waarop ik niet werd toegelaten, audities die niets opleverden... Vaak heb ik, in de teleurstelling van het moment, gedacht: ‘Nu stop ik.’ Maar elke keer weer raapte ik mezelf bijeen en ging ik verder. Omdat ik het zó graag wilde. Ik hoef daar geen felicitaties voor. Iederéén vindt obstakels op zijn weg en probeert die te overwinnen. Als iemand een eigen zaak wilt starten, maar de bank komt niet over de brug met een lening, zet die persoon toch ook niet meteen zijn droom bij het vuilnis?”

Carpentier: “Het verschil is wel dat je als acteur telkens weer in je blootje staat voor de mensen die over je oordelen.”

Van den Broeck: “Da's waar: ik kreeg soms héél persoonlijke dingen naar m'n hoofd geslingerd. Dat was slikken, ja, en ik vroeg me weleens af waarom ik dat mezelf aandeed. Maar de liefde was – en is – te groot. Weet je, toen ik op een bepaald moment op geen enkele academie toegelaten werd, besloot ik om een jaartje theaterwetenschappen te gaan studeren. Dat was the next best thing, redeneerde ik – tenslotte zat er ook ‘theater’ in de naam van de richting. (schudt het hoofd) Maar dat klopte helemaal niet. Ik heb me nooit zo ver van mijn droom verwijderd gevoeld als in dat jaar. Het was: theater beschouwen. Niet: theater spelen. Ik verdorde helemaal. Achteraf gezien had ik dat jaar liever iets met mijn handen gedaan dan in een aula naar de theorie te luisteren en die vervolgens niet in de praktijk te mogen omzetten.”

Carpentier: “Soms is het goed om wat afstand te nemen wanneer je vast zit. Eens ergens anders gaan kijken. Want wat is kunst, hè? Ik ben dan maar begonnen met houtbewerking, en ik vind het geweldig. Zonder ironie: mijn leerkracht is de god van het hout. Hij maakt geen kasten, hij maakt kúnst.”

VAGEBOND

In Thuis hebben jullie personages een innige vriendschap. Kunnen jullie elkaar ook in het nog echtere leven een beetje lijden?

Van den Broeck: “Absoluut. Volgend jaar zullen we ook samen in een theaterstuk spelen: daar kijk ik erg naar uit.”

Carpentier: “Het is zo makkelijk om van Lynn te houden. Ze is heel open en toegankelijk: geen noot die je moet openbreken. Ik kan me niet voorstellen dat Lynn vijanden heeft. Je voelt je meteen op je gemak bij haar.”

Van den Broeck: “En Mathieu is één van de liefste gasten die ik ooit ontmoet heb. Daarmee bedoel ik niet dat hij voortdurend cadeautjes uitdeelt – al zou dat weleens mogen, Mathieu. (lacht) Wel dat hij een fundamenteel goeie, aaibare, bezorgde gast is.”

Carpentier: “Wij zijn geen wantrouwige mensen, denk ik. Zodra we iets van veiligheid voelen, geven we ons helemaal aan de ander.”

Wat missen jullie nog in jullie leven?

Van den Broeck: “Het vermogen om mensen om hulp te vragen. Dat klinkt wat gewichtig, maar het is gewoon zo: ik heb de neiging om problemen in mijn eentje te lijf te gaan. Wat Mathieu daarnet zei – dat ik open en toegankelijk ben – klopt. Ik ben vlot en sociaal, een vrolijke prater, maar het állerpersoonlijkste krijg je maar moeilijk uit mij gepeuterd. Dat heeft niet te maken met een gebrek aan vertrouwen in mensen, hoor. Ik ben heel goed omringd. Het is eerder mijn angst om mensen lastig te vallen, om ze te bezwaren met iets waar ze niet om gevraagd hebben. En dus denk ik telkens weer: ‘Kom, ik los het zelf op.’ Maar dat loopt nooit goed af.”

Want zo stapelt het brandbaar materiaal zich in je op?

Van den Broeck: “Voilà. En onvermijdelijk komt er dan een moment waarop alles er in één keer uit gulpt. Maar ik werk eraan. Ik probeer om mezelf in te prenten dat ik het recht heb om met mijn zorgen naar anderen te gaan. Want zelf ben ik vaak het luisterend oor, diegene naar wie vrienden bellen wanneer hun leven even donker kleurt.”

Daarin lijk je op je personage.

Van den Broeck: “Viv is iemand die anderen helpt met hun zware bagage, ook wanneer haar eigen rugzak overvol zit. Ze is de bemiddelaar, het baken van vertrouwen dat de problemen van anderen oplost, maar ondertussen zichzelf vergeet. En dat herken ik. (denkt na) Ik moet leren om het niet altijd gezellig te willen houden. Een gesprek mag ook eens gewoon over mij en mijn twijfels gaan, en schuren en pijn doen.”

Carpentier: “Maar je wilt de sfeer er altijd in houden, hè?”

Van den Broeck: “Ja. Ik ben vrolijk en uitbundig, maar daaronder zit een kwetsbaar meisje dat niet altijd in zichzelf gelooft. ‘Wat heb ik mensen te bieden?’ – die vraag. Maar die kant van me verstop ik dus.”

Carpentier: “En weet je hoe dat komt?”

Van den Broeck: “In mijn tienerjaren zijn mijn ouders gescheiden. Dat was een schok, want voor mij waren mijn mama en mijn papa perfect. Alleen bleken ze sámen niet perfect te zijn. Ik heb mezelf toen niet toegestaan om verdrietig te zijn, terwijl ik daar wel nood aan had. Maar ik vond dat ik voor mijn ouders moest zorgen, want zij waren toen eventjes wrakhout: voor het eerst in mijn leven zag ik mijn papa huilen. En mijn mama is iemand die de geborgenheid van een relatie heel erg nodig heeft, en dus voelde die scheiding voor haar alsof ze alle grond onder haar voeten verloren had. Ik moest dat verdriet een beetje dragen, vond ik. Dat is de omgekeerde wereld, een kind dat zijn ouders troost, maar ik vond het niet meer dan logisch. Tenslotte hadden zij mij al zoveel gegeven. (denkt na) Het is iets bevreemdends, hoor, je ouders verdriet zien hebben. Als mijn moeder moest huilen, huilde ik automatisch mee. Haar pijn kon ik niet voelen, maar de vrouw van wie je zoveel houdt volkomen weerloos zien... Dat snijdt in je.

“Enfin, ik denk dat in die periode mijn reflex geboren is om eerst voor anderen te zorgen, en mijn eigen gevechtjes voor mezelf te houden. Niet dat mijn ouders daarom vroegen, hoor: ze waren heel lief en attent voor me, en probeerden om me te troosten. Maar ik wilde het verdriet niet toelaten. Toen nog niet, want later is de etterbuil wél in alle hevigheid opengebarsten. Maar dat verdriet is voorbij intussen. Ik heb een enorm goeie band met mijn beide ouders: ze zijn de twee polen waarrond mijn leven draait. Dat die polen niet bij elkaar kunnen komen, dat ze het wel hebben gehaald als moeder en vader maar niet als gezin, dat heb ik helemaal verteerd.”

Hoe is jouw band met je ouders, Mathieu?

Carpentier: “Heel goed. Maar ik heb wel al in mijn tienerjaren een zekere afstand genomen. Dat was geen keuze tégen mijn ouders: ik voelde gewoon dat dat de manier was om mezelf te ontwikkelen. Ik wilde in mijn eentje een weg zoeken, over mijn eigen keuzes nadenken, mijn eigen fouten maken. Ik ging op internaat in Brussel – mijn eigen keuze – en daarna ben ik in de stad blijven hangen. Mijn vrienden waren mijn referentiekader: van hen kon ik het meest leren. En er was altijd wel iemand bij wie ik een tijdje kon inwonen. Het leven van een vagebond, ja. (lacht)

Wat heeft die zelf gekozen afstand je opgeleverd? Nergens beter dan thuis, dacht ik?

Carpentier: “Weet je, ik heb één broer, en we zijn heel verschillend. In onze kindertijd was dat een probleem: het ging er heftig aan toe thuis. We waren te jong om de verschillen te overbruggen en elkaar te appreciëren. Dat ik op internaat ben gegaan en daarna niet meer teruggekeerd ben naar huis, heeft gek genoeg onze band veel beter gemaakt. We hadden beiden tijd nodig om te speuren naar wie we precies waren. Toen dat eenmaal gebeurd was, vonden we elkaar: nu zijn we maatjes. En met mijn ouders is het eigenlijk op dezelfde manier gegaan. Net door wat afstand te creëren en me een poos heel erg met mezelf bezig te houden, ben ik gaan inzien hoeveel liefde ze voor me koesteren, en hoeveel ze voor me gedaan hebben.”

Lynn Van den Broeck en Mathieu Carpentier.Beeld VRT

SLANGENMENS

De liefde, zijn jullie daar een beetje bedreven in?

Van den Broeck: “Ik kan dat goed, ja, van iemand houden. Ik ben heel zorgzaam: als ik iemand graag zie, is geen moeite me te veel. Alleen moet ik leren om te communiceren wanneer het niet goed met me gaat. Ook in de liefde geldt dat ik de dingen opkrop, en plots komt dan de overstroming, zonder dat de ander dat heeft zien aankomen.”

Carpentier: “Communicatie is zo belangrijk, ja. Ik ben nu acht maanden samen met mijn vriendin, en ze is meteen komen inwonen bij mij en mijn vrienden. Ik besef heel goed dat dat betekent dat ik mijn leven nu déél met iemand en dat ik daarnaar moet handelen. Dat komt vooral neer op communiceren. Niet alleen in mijn eigen hoofd leven. Uitleggen wie ik ben.

“Ik krijg weleens te horen dat ik impulsief ben. Dat mijn vriendin en ik meteen zijn gaan samenwonen, is daar dan een voorbeeld van. Maar ik vind dat helemaal niet problematisch: zodra ik iemand vertrouw, ben ik niet bang. Dan durf ik te tonen hoe ik me voel. Bij haar ging dat allemaal moeiteloos: we puzzelden ons meteen in elkaar. Eerst was ik nog op zoek naar de angel. Er moest toch iets zijn dat niet klopte? Maar die was er helemaal niet. Het is verbazingwekkend simpel tussen ons: wij houden van elkaar.”

Van den Broeck: “(knikt) Groot gelijk: dan mag je niet aarzelen.

“Ik ben zes jaar samen geweest met een jongen. Achter die relatie heb ik zelf een punt gezet, en dat was de juiste keuze. Maar dat neemt niet weg dat ik daar veel verdriet om gevoeld heb – en misschien nog altijd voel. Het was de eerste keer in mijn leven dat iets wegviel waar ik zelf voor gekozen had. Dat er een periode afgesloten werd. In zes jaar maak je samen veel mee, hè: je kunt zo’n lange relatie niet hebben zonder vervlochten te raken. En als je dan op een punt komt waarop je je weer los moet vlechten van die andere, dan is dat geen detail dat je snel even in orde brengt. Eerst heb ik toen heel erg van mijn vrijheid genoten, van de zuurstof die ik kreeg, maar daarna werd ik koud gepakt door de rouw.

“Nu kijk ik het allemaal wat aan. Er is geen plan: ik zie wel wat er op mijn pad komt. In die relatie hadden we het weleens over onze toekomst: wilden we een huis kopen? Trouwen? Kinderen krijgen? Ik kon me dat toen allemaal perfect voorstellen. Nu die relatie voorbij is, zijn ook die ideeën weg. Ik ben tot het besef gekomen dat datgene waar je naar verlangt, samenhangt met wie je ontmoet. Dat er verlangens bestaan die helemaal van jezelf zijn en verlangens die ontstaan doordat je iets deelt met iemand. Dat vind ik voorlopig het moeilijkste aan het leven: uitmaken welk verlangen van mezelf is, en welk van een geliefde of van vrienden komt. Waar ligt de grens tussen jezelf en de verwachtingen van de wereld?”

Carpentier: “Ik zou me daar niet te veel zorgen over maken: we zijn nog zo jong. We evolueren, en ooit komen we wel ergens aan. Ik ben vandaag niet meer wie ik gisteren was, en dat is prima. Ouder worden moet een synoniem zijn van rijker worden, vind ik. Ik zie de toekomst als een dag die pas begonnen is. Ik ben jong en dom nu, en ik hoop ooit oud en wijs te zijn. Laat het allemaal maar komen: ik heb er zin in.”

Van den Broeck: “Wel een stevige filosofische sessie, dit. (lacht)

Carpentier: “(onverstoorbaar) Je blijft toch niet je hele leven dezelfde persoon? Je vervangt oude gedachten door nieuwe inzichten, je leert bij van wat je leest en van wie je ontmoet, je probeert de scherpe kantjes van je persoonlijkheid wat af te vijlen... We vervellen voortdurend, zoals slangen dat doen.”

Van den Broeck: “Weet je wat: ik benoem je bij deze tot mijn favoriete slang.”

Carpentier: “Goed dan: ik jou tot de mijne. (hilariteit)

Thuis, Eén, maandag tot vrijdag, 20.20 uur

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234