Maandag 17/05/2021

InterviewFerdinand von Schirach

Wanneer je opa baas van de Hitlerjugend was: ‘Ik zie het nog voor me: mijn naam stond in ons schoolboek’

Ferdinand von Schirach: ‘Aan pogingen van historici om dingen uit de oorlog te verklaren, heb je niets als het je eigen opa betreft.’ Beeld ARD Degeto/Constantin Entertainm
Ferdinand von Schirach: ‘Aan pogingen van historici om dingen uit de oorlog te verklaren, heb je niets als het je eigen opa betreft.’Beeld ARD Degeto/Constantin Entertainm

Zijn toon is laconiek, maar zijn verhalen gaan over grote thema’s als goed en kwaad. In Koffie en sigaretten schrijft Ferdinand von Schirach (56) – zijn opa was baas van de Hitlerjugend – voor het eerst over zichzelf en zijn markante familiegeschiedenis.

Ferdinand von Schirach, Duitslands best gelezen auteur, zit in een kale ruimte. Voor het raam hangen jaloezieën, de lamellen zijn half dichtgedraaid. Hij draagt een zwarte coltrui en rookt een sigaret.

Het past wel bij hem, zo’n interview via Skype vanuit een onopvallend kamertje ergens in Berlijn dat overal en van iedereen zou kunnen zijn. Hij schermt zijn privéleven graag af. Op enkele details na – dat hij met een Mercedes uit de jaren zestig rijdt, vier uur per dag schrijft, geen alcohol drinkt, maar wel rookt, véél rookt – laat hij er in de pers doorgaans weinig over los, laat staan in zijn boeken. Daarin is hij toeschouwer, de advocaat die zich in anderen verdiept, in de grijs­tinten tussen zwart en wit van normale mensen die elkaar soms opeens de verschrikkelijkste dingen aandoen.

Von Schirach, voormalig strafadvocaat, publiceerde elf jaar geleden zijn eerste boek, Misdaden. Zijn verhalen zitten vol drama, moord en wraak en snijden grote thema’s aan: goed en kwaad, schuld, rechtvaardigheid. Maar zijn toon is nuchter, zakelijk haast, laconiek. Hij trekt er een miljoenenpubliek mee, al zijn de kritieken soms vernietigend. Zo schreef recensent Ulrich Greiner in weekblad Die Zeit zijn populariteit toe aan wat hij het Tatort-syndroom noemde, een verwijzing naar de wekelijkse krimi: mensen gruwelen nu eenmaal graag over misdaad.

In zijn meest recente boek, droogjes getiteld Koffie en sigaretten, doet Von Schirach iets nieuws: voor het eerst schrijft hij ook over zichzelf. De 48 titelloze, genummerde hoofdstukjes zijn een collage van herinneringen, anekdotes, verhalen, nieuwsfeiten uit de krant, scènes. De hoofdstukken zijn kort. Ultrakort soms – zo bevat hoofdstuk 31 welgeteld zeven regels. Von Schirach houdt van kort. Korte titels, korte verhalen, korte hoofdstukken. Korte zinnen.

Vond u het moeilijk om over uzelf te schrijven?

“Ja, natuurlijk. Het moeilijke is niet zozeer het schrijven zelf, als wel wat erna komt: dat je met wat je hebt geschreven in de openbaarheid staat. Je doet de deur open en iedereen kijkt je woning in. Voor iemand die zo terughoudend over zijn privéleven is als ik, is dat niet heel eenvoudig.”

Ferdinand von Schirach: ‘Hoewel ik de meest succesvolle schrijver van Duitsland ben, ben ik elke morgen nog bang dat geen mens mijn boeken meer leest.’   Beeld RV Michael Mann
Ferdinand von Schirach: ‘Hoewel ik de meest succesvolle schrijver van Duitsland ben, ben ik elke morgen nog bang dat geen mens mijn boeken meer leest.’Beeld RV Michael Mann

En hij geeft nogal een inkijkje: het eerste verhaal, meteen ook een sleutelhoofdstuk, gaat over zijn jeugd, over zijn vader die stierf toen hij tiener was (hij pleegde zelfmoord, al staat dat er niet bij) en zijn eigen zelfmoordpoging als vijftienjarige, met een jachtgeweer. Omdat hij stomdronken was, mislukte dat. “Bij het schrijven moet je waarachtig zijn”, zegt Von Schirach. “Je mag je niet verstoppen achter wat je schrijft.”

Hij gaat dus naar waar het pijn doet. Maar hoe heftig de inhoud ook is, hij schrijft het zó compact op dat je naar veel moet blijven gissen. Zijn taal is gespeend van emotie. Het staat er allemaal zo koeltjes, in de derde persoon, alsof hij een zaak uit zijn praktijk als advocaat beschrijft. Het maakt het verhaal ook beklemmend, er sijpelt wanhoop in door. Laatste zin van het hoofdstuk – hij is inmiddels 18 en lijdt aan depressies: ‘En dan begrijpt hij dat er nog zestig van zulke jaren voor hem liggen.’

De afstandelijke toon heeft op mij een vervreemdend effect. Ik word geraakt, maar voel me tegelijk vaak ook buitengesloten. Probeert u zich niet toch nog een beetje te verstoppen?

“Uiteindelijk is er maar één criterium voor de beoordeling van literatuur: raak je de lezers of niet? En ik denk dat je ze juist níét raakt als je iets beschrijft en dan zegt: hier moet u ontroerd zijn en huilen. Nee, je slaagt er enkel in als je een situatie beschrijft die daadwerkelijk ontroerend ís. Hoe afstandelijker je dat doet, hoe meer je de lezer ruimte geeft om er zelf iets bij te voelen. Het ergste is kitscherig te worden. Dat kan ik zelf niet verdragen. Zulke boeken leg ik altijd meteen weer weg.”

BIO • geboren in 1964 in München • maakte carrière als straf­pleiter, daarna als auteur • debuteerde in 2009 met Misdaden, een bundel verhalen, die hij ontleende aan zijn advocatenpraktijk • ook onder meer Schuld (2010) en Straf (2018) werden bestsellers • eind 2020 kwam Koffie en sigaretten in vertaling uit

Ferdinand von Schirach werd geboren in München, maar bracht zijn kinderjaren door op een landgoed van zijn familie aan moederszijde in Baden-Württemberg. Hij schrijft over zijn vroegste herinnering aan dat beschutte park, omringd door stenen muurtjes. De vijver met karpers en brasems. De tennisbaan. Er waren paarden, honden, jachtpartijen en zes dagen per week lag er wildvlees op het bord. Er waren dienstmeiden, koks, tuinmannen, boswachters, chauffeurs – een ‘langzame, gesloten wereld’, zei hij onlangs in een interview met weekblad Die Zeit.

Een wereld die niet meer bestaat, zei u ook.

“Ja, die dingen zijn echt verdwenen. Zulke grote huishoudens van de hogere klasse bestaan bijna niet meer, die jachtpartijen niet, geen mens kan nog zoveel bedienden betalen. Ik zou ook niet willen dat die wereld terugkomt. De idylle die een kind erin zag, bestond in werkelijkheid niet. Het waren óók de compleet leugenachtige jaren vijftig en zestig, toen men in Duitsland nog heel veel verdrong.

“De meeste schrijvers en kunstenaars leven uiteindelijk van hun kinderjaren, van de zoektocht naar een manier om de dingen weer samen te voegen zoals ze ooit waren, toen alles nog klopte. En natuurlijk lukt dat nooit, maar het schrijven is een weg daar naartoe. Naar je heimat, je geboortegrond. Maar heimat is eigenlijk een herinnering, geen plek. Het is onze voorstelling van iets. En dat is ook genoeg.

“Het treffendst heeft Vladimir Nabokov daarover geschreven. Aan het einde van zijn leven woonde hij in een hotel. Een inloopkast diende als zijn bibliotheek. En dat was een man die op een van de mooiste land­goederen van Rusland had geleefd! Maar dat thuis van vroeger droeg hij in zijn hoofd met zich mee en dat ­volstond voor hem. Daarover heeft hij een geweldig boek geschreven: Geheugen, spreek. Je hoeft het origineel niet altijd terug te hebben.”

Baldur von Schirach (r.), baas van de Hitlerjugend, naast Adolf Hitler op de opening van de Reichsparteitag in Neurenberg in 1933.  Beeld BELGAIMAGE
Baldur von Schirach (r.), baas van de Hitlerjugend, naast Adolf Hitler op de opening van de Reichsparteitag in Neurenberg in 1933.Beeld BELGAIMAGE

Ferdinand von Schirachs opa, Baldur von Schirach, was een van de belangrijkste nazi’s, leider van de Hitlerjugend en later rijksgouwleider in Wenen. ‘Iedere Jood die in Europa werkt, is een gevaar voor de Europese cultuur’, zei hij in een toespraak. Hij was verantwoordelijk voor de deportatie van 130.000 Joden, wat hij een ‘actieve bijdrage aan de Europese cultuur’ noemde. Tijdens de processen in Neurenberg werd hij tot twintig jaar cel veroordeeld.

Hij kwam daarna enige tijd op het landgoed wonen – Ferdinand maakte hem als klein kind nog even mee – maar verhuisde al gauw naar een afgezonderde plek. ‘Op zijn grafsteen liet hij schrijven: Ik was een van jullie’, memoreerde Von Schirach in een essay uit 2011 in weekblad Der Spiegel. ‘Een afschuwelijke zin.’

Op zijn tiende werd Ferdinand naar een jezuïe­teninternaat in het Zwarte Woud gestuurd. Daar begreep hij voor het eerst wie zijn opa eigenlijk was. ‘In ons geschiedenisboek stond een foto van hem’, schreef hij. ‘Ik zie het nog voor me: mijn naam stond daadwerkelijk in ons schoolboek.’

Hij kon later overigens prima met zijn familie over zijn opa praten – ‘het enige voordeel van zo’n naam is misschien dat niets verborgen kan blijven’. Toch heeft hij hem nooit begrepen, schreef hij, hoe verwoed hij ook zijn best deed. Zijn opa groeide op in weelde, beschermd, gecultiveerd, zijn vader was intendant van het theater van de stad Weimar, zijn moeder was Amerikaanse. Ferdinand las alles over de processen van Neurenberg, over de nazitijd.

‘Maar aan de pogingen van historici om de dingen te verklaren, heb je niets als het je eigen opa is. Hij zat daar in zijn loge in de opera van Wenen, helemaal de zogeheten cultuurmens, en liet tegelijkertijd het centraal station afzetten om de Joden te laten wegvoeren. Hij hoorde in 1943 in Posen Himmlers geheime toespraak over het vermoorden van de Joden – hij wist zonder enige twijfel dat ze zouden worden omgebracht.’

Antwoorden vond hij niet, maar hij leerde wel inzien dat je schuld niet erft: de schuld van zijn opa is de schuld van zijn opa, niet de zijne. ‘Ieder mens heeft recht op een eigen biografie.’ Zijn familieverleden motiveert hem misschien wel om zo veel te schrijven ‘over misdaden van nu’, schreef hij in Der Spiegel – over ‘de dingen waarin we vandaag nog falen. We geloven dat we veilig zijn, maar het tegendeel is het geval: we kunnen onze vrijheid weer verliezen.’

Waarom besloot u pas zo laat om schrijver te worden?

“Ik ben een angstig mens, ik koos een beroep met een klein risico om te mislukken. Depressies gaan vaak gepaard met de angst om arm te worden, heb ik geleerd. Vandaar dat ik altijd zo voorzichtig was. Die angst heb ik nog steeds.”

(glimlacht, half verlegen, half trots) “Ook nu ik waarschijnlijk de succesvolste, nu ja, económisch succesvolste schrijver van Duitsland ben, heb ik elke morgen nog de angst dat geen mens mijn boeken meer leest: o God, nu is het voorbij. Als ik mijn leven mocht overdoen, zou ik zeker weten niet opnieuw rechten studeren. Ik was met veel plezier advocaat, het is een mooi en heel interessant beroep, maar een echte behoefte was het nooit.

“Ik heb lang gedacht: ik ben een oplichter, morgen wijzen alle vingers naar me; dat is geen echte advocaat, hij doet maar alsof. Het voelde altijd als een tussenstap op weg naar het schrijven.”

Hij steekt een nieuwe sigaret op. “Ik heb nooit begrepen waarom zo veel schrijvers zeggen dat schrijven zo’n kwelling is. Natuurlijk, het is ­inspannend, maar het heeft zo’n schoonheid als je zo lang alleen kunt zijn met personages die je hebt verzonnen, of met scènes die je je ­herinnert. Ik denk dat het schrijven voor mij een thuis is. Je keert naar je computer terug en alles is er nog. Dat is toch het mooiste wat er is.”

U schrijft in Koffie en sigaretten dat u uit ‘woede en schaamte’ over uw grootvader bent geworden wie u bent. Bent u zich in de loop der tijd anders tot dat verleden gaan verhouden? Is bijvoorbeeld de woede minder geworden?

“Integendeel, die is juist groter geworden. Hoe ouder je wordt, hoe meer je gezien hebt, en hoe meer je de verbanden begrijpt, om het zo maar te zeggen – en hoe woedender je wordt over die verschrikkingen uit die tijd. Een paar jaar geleden ontving ik een Europese filmprijs. De prijsuitreiking was in Wenen, in de Hochburch. Toen ik daar zat, besefte ik: naast die zaal was het balkon waarop mijn grootvader de Hitlerjugend had toegesproken. Ik was zo verontwaardigd dat die wereld van toen überhaupt kon ontstaan, en dat uitgerekend mijn familie daaraan bijgedragen had. Mijn ergernis en woede overschaduwden die hele bijeenkomst. En dan lees je de volgende dag in de krant over absurditeiten die wéér plaats­vinden.”

In uw boek noemt u er een paar. U citeert bijvoorbeeld Alexander Gauland, parle­ments­lid voor Alternative für Deutsch­land (AfD), die in 2018 Hitler en de nazi’s ‘slechts een vogelpoep op onze duizend­jarige geschiedenis’ noemde.

“Weet u, als een Duitse politicus vroeger op dit vlak ook maar één klein foutje beging, dan betekende dat zijn einde, en wel onmiddellijk. Hij moest aftreden, werd als persoon niet meer geaccepteerd.

“Ondertussen is het gangbaar. Dat heeft de AfD voor elkaar gekregen. Daar schaam je je als Duitser echt voor. Het is ongelooflijk gênant. Juist vanwege ons verleden. Het gaat niet om schuld – schuld is een persoonlijk verwijt. Wij zijn niet schuldig aan de daden van onze grootouders. Maar uit de schuld die vroegere generaties op zich hebben geladen, groeit wel een verantwoordelijkheid. En die moeten we serieus nemen.

“Het is voor mij ook überhaupt niet geruststellend om te horen dat het met het rechts-nationalisme elders erger gesteld is. Wij zijn het land dat veel beter moet zijn.”

Ferdinand von Schirach, ‘Koffie en sigaretten’, De Arbeiderspers, 176 p., 21,50 euro. Vertaling Marion Hardoar. Beeld RV
Ferdinand von Schirach, ‘Koffie en sigaretten’, De Arbeiderspers, 176 p., 21,50 euro. Vertaling Marion Hardoar.Beeld RV
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234