Woensdag 18/09/2019

Column 40 jaar De Morgen

Walter van den Broeck over 40 jaar De Morgen: ‘Ik overwoog uit het raam te springen’

Walter van den Broeck in 2007. Beeld Filip Claus

Roman- en theaterschrijver Walter van den Broeck (78) werkte ooit nog als journalist voor deze krant. Dat bleek oneindig veel makkelijker dan een abonnement nemen bij de start van De Morgen, zo schrijft hij.

Wanneer op 1 december 1978 het eerste nummer van De Morgen verschijnt, grijp ik naar de telefoon. Ik wil meteen een jaarabonnement. Dat blijkt echter moeilijker dan ik me voorstelde. Vooreerst kom ik niet terecht bij nv De Roos, die het blad uitgeeft, maar bij nv Het Licht, die het drukt. Wat mij opvalt, is de toon van opperste verbazing waarmee een dame met een zware Gentse tongval mij te woord staat. Alsof een verzoek tot abonnering wel het allerlaatste is wat zij die ochtend had verwacht. Maar goed: ik moet 2.590 frank storten en een paar dagen geduld oefenen. Vol vertrouwen doe ik dat, maar wanneer ik een week later nog steeds geen krant heb ­ontvangen, bel ik maar weer eens op.

Een en ander blijkt in het honderd te zijn gelopen. Ik doe er wellicht beter aan naar Antwerpen te bellen, daar ik toch de editie Mechelen-Turnhout zou krijgen. Dat doe ik dan maar. Een man met een zware Antwerpse tongval verzekert mij dat ik De Morgen spoedig in mijn bus zal vinden.

Dat blijkt te kloppen! Na een week krijg ik inderdaad de ­editie Mechelen-Turnhout bezorgd. En de dag daarop ook de algemene! Ja, dat is mijns inziens een tikkeltje te veel van het goede. ‘s Avonds ontmoet ik per stom toeval hoofdredacteur Paul Goossens in de Sfinks, een café in ­Boechout. Ik leg hem tussen pot en pint uit dat ik twéé exemplaren krijg en maar voor één betaal.

Het WK Zorgelijk Kijken

‘Hoe zit dat in elkaar?’, vraagt hij. Ik leg het hem nog eens uit, terwijl hij in al zijn onbedekte lichaamsopeningen een sigaret steekt en een zorgelijk gezicht zet. Zo is hij nu eenmaal. Van het ene op het andere moment kan hij een dusdanig ­zorgelijk gezicht opzetten dat je spontaan een benefietavond begint te plannen. Mocht er een wereld­kampioenschap Zorgelijk Kijken bestaan, dan wint Goossens dat elk jaar opnieuw, en zulks met vele gezichtslengten. Maar dit terzijde.

Op een bierviltje maakt hij een paar aantekeningen. Door het mistgordijn zie ik dat hij ook nog een naam opschrijft en die driftig drie keer onderstreept. Ik heb al onmiddellijk spijt. Ongetwijfeld mag de drager ervan vanaf morgen naar ander werk uitkijken, en dat is nu ook weer niet de bedoeling.

Klaarblijkelijk door Goossens hoogstpersoonlijke tussenkomst krijg ik een paar dagen later dríé exemplaren. Dat weet ik nog goed want mijn postbode belt me die dag me uit mijn bed omdat hij al dat papier niet in mijn bus geramd krijgt.

Begaan met de goede zaak als ik ben, bel ik maar weer naar Antwerpen. “Als elke abonnee twéé en zelfs dríé exemplaren krijgt, dan zal het liedje gauw uit zijn”, zeg ik wijsneuzig.

Mijn gesprekspartner beaamt dat volmondig. Vervolgens krijg ik helemaal niets meer.

Ik overweeg uit het raam te springen. “Waarom moet jij je toch altijd overal mee bemoeien?”, vraagt mijn vrouw Eliane. Ik bel maar weer eens naar Antwerpen. “Eerst krijg ik níéts. Vervolgens krijg ik twéé exemplaren. Daarna dríé. En nu weer níéts. Hoe zit dat eigenlijk? Zal ik ze in wat bruin papier wikkelen opdat men er ter redactie mede zoude kunnen spelen?”

Twee dagen later krijg ik opnieuw twéé exemplaren. “En als je nu nog eens durft te bellen, dan neem ik een abonnement op Gazet van Antwerpen”, dreigt Eliane. Ze weet telkens opnieuw feilloos de vinger op mijn kwetsbare plekken te leggen.

Komt in orde, meneer Brouwers

Dus: een jaar lang krijg ik twéé exemplaren. En wanneer ik aan het eind mijn abonnement níét verleng, nog slechts één. Het jaar daarna ontvang ik niets meer, waarop ik me dan geruisloos weer abonneer...

Kinderziekten, zeg je? Tja, maar tien jaar later blijkt er op dat vlak maar weinig te zijn veranderd.

Neem nu mijn goede vriend Jeroen Brouwers uit Nederland. Naar aanleiding van het verschijnen van zijn magistrale magnum opus De zondvloed, verschijnt in dit blad een uitgebreid interview met hem. Kort daarna krijgt hij elke ochtend De Morgen in de bus. Zomaar. Waarschijnlijk een ­attentie van de redactie. 

Brouwers, die met Vlaanderen een interessante haat-liefderelatie onderhoudt, raakt algauw verslingerd aan het blad. Hij heeft hier zo’n twaalf jaar gewoond, maar is met slaande deuren naar zijn vaderland teruggekeerd. Toch blijft hij graag op de hoogte van het reilen en zeilen in Vlaanderen en De Morgen levert hem elke ochtend precies wat hij nodig heeft. Maar na een half jaar wordt het blad hem opeens niet meer toegestuurd. Nu pas voelt hij écht hoezeer hij er inmiddels aan verknocht is geraakt. En wat doet hij? Hij grijpt naar de telefoon en vraagt of men hem wil noteren voor een jaarabonnement.

“Komt in orde, meneer Brouwers.” Komt natuurlijk níét in orde, meneer Brouwers! Meneer Brouwers krijgt stomp­vingertjes van het bellen. Telkens wordt hem monter meegedeeld dat het nu vast en zeker in orde komt. Maar het komt ook nu niet in orde; het komt nooit in orde. Brouwers wordt nerveus. Vraagt of hij wellicht elke ochtend de grens over moet om een nummer te bemachtigen.

Ja, nee, maar er is een probleem. Kranten voor het buitenland moeten onder omslag worden verstuurd en genieten helaas niet van het goedkope posttarief. Dat is dus een dure aangelegenheid.

“Dat zal mij een rooie rotzorg wezen!”, gilt Jeroen. “Ik wil De Morgen, koste wat het kost!” Of ze dat goed in hun oren ­hebben geknoopt? Dat hebben ze, meneer Brouwers. Het zal nu wel in orde komen!

Waar is mijn riotgun?

Maar het komt godschristus natuurlijk wéér niet in orde! ­Jeroen overweegt de aanschaf van een riotgun en een inval in de redactiekantoren van De Morgen. Zijn bezorgde vecht­genote smeekt hem het nog één keer te proberen. Lukt het dan nog niet, dan zal ze hem met een bazooka naar Brussel vergezellen. Zijn oor wordt ditmaal met excuses volgestameld.

Maar, meneer Brouwers, zij staan voor een onoverkomelijk probleem. Niemand, maar dan ook niemand, schijnt te weten op welke wijze hij zijn abonnement dient te betalen.

Nee, beste lezer, wees nu aardig en doe als ik: probeer níét te lachen! Ach, wat! Ga gerust je gang! Hebben ze eens iemand in het buitenland die gek is op hun blad, krijgt die het niet bezorgd omdat er geen kanaal is waarlangs hij zijn abonnementsgeld kan laten toekomen.

“Probeer het nog één keer”, zeg ik aan de telefoon. “Nog een allerlaatste keer. Mislukt die poging, dan betaal ik vanuit Turnhout jouw abonnement, waarna jij me het bedrag per eenvoudig postmandaat vanuit Nederland terugbetaalt.”

Ik herinner me niet of we daadwerkelijk tot die transactie dienden over te gaan. Soit. Lange tijd heeft men gedacht dat de financiële moeilijkheden waarin De Morgen om de haverklap verkeerde, te wijten waren aan het feit dat Vlaanderen te weinig progressieve lezers had. In het licht van wat hier voorafging, zou het wel eens kunnen dat de krant al die jaren in een ander, veel eenvoudiger bedje ziek is geweest. Want het is bekend dat een stofzuiger, om nu maar iets te noemen, oneindig veel beter functioneert als men gewoon de stekker in het stopcontact steekt. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234