Vrijdag 24/05/2019

interview Boeken

Waarom wekt 'pretentieus gedrag' zo'n weerstand op?

Joost De Vries. Beeld Stephan Vanfleteren

Pretentie. Het is een scheldwoord geworden, zo vreest Joost de Vries in zijn schrandere essay Echte pretentie. Iets waar populisten en anti-intellectuelen de vloer mee aanvegen. Maar waarom zouden we het begrip niet positiever bekijken? “Zonder pretentie geen leergierigheid. Het is reiken naar iets beters.”

“Wat een pretentie!” Drie woorden die bijna blindelings tot ons standaardrepertoire behoren. Wie neemt ze nooit in de mond? Ze komen dagelijks van pas om ons fijntjes te distantiëren of onszelf op een verhoogje te plaatsen. “Pretentieus”, zo fluisteren we op een feestje, wanneer iemand wijdlopig uitpakt met zijn kennis van obscure popgroepjes én vooral dan hun eerste albums. Of we zeggen het over een gastheer die opzichtig zijn wijnkennis etaleert, tot het potsierlijk wordt. “Ik proef eikenhout, een vleugje vanille, een toets oker, ik proef mineraal en slagregens.” En natuurlijk heb je de literaire snobs, de wijsneuzen die hun boekenkennis uitventen als wandelende encyclopedieën en Murakami al in het Japans uitspelden voor hij beroemd werd.

“We kunnen kleren pretentieus vinden, eten, drinken, die ene shawl, die afwijkende schoenen, die zonnebril op een regenachtige dag, de net te hard uitgesproken voorkeur voor een bepaalde kunstenaar of schrijver”, zo noteert de Nederlandse schrijver en journalist Joost de Vries in zijn essay Echte pretentie. Maar waarom, vraagt hij zich af, wekt “pretentieus gedrag” zo’n weerstand op? En waar ligt de grens met snobisme? “Snobisme is denken dat je beter bent dan anderen. Pretentie is denken dat je beter bent dan jezelf. Snobisme is bedrog, pretentie is zelfbedrog”, zo vat hij het samen. Aan de hand van talloze voorbeelden uit film, medialand en literatuur én via schrijvers en denkers als Susan Sontag, Joan Didion, Pierre Bourdieu en Karel van het Reve probeert de Vries te achterhalen waarom het begrip in zo’n negatief daglicht staat. En waarom gaan populisten zo ijverig aan de haal met het “wie-denk-je-dat-je-bent-sentiment”? Echte pretentie vond zijn oorsprong in een artikel in De Groene Amsterdammer. “Het thema raakte duidelijk een gevoelige snaar. Lezers bleven me maar bestoken met lijstjes en suggesties over hun pretentie-ervaringen.”

“Het woord ‘pretentie’ is een heel specifiek verwijt”, zo ontdekte De Vries. “We gebruiken het vooral als iemand zich profileert als slim­mer of cultureel verfijnder. Terwijl in dit Instagramtijdperk iedereen zich toch jonger, hipper, rijker, stoer­der, succesvoller voordoet? Ook ik zit wel eens een halfuurtje te dubben of ik een lekker prentje zal posten. (lacht). Om dan alsnog te besluiten het niet te doen. Onze mediacultuur eist een totale transparantie en vraagt tegelijkertijd om een permanente performance. We zitten in een crisis van de authenticiteit. En pretentie wordt beschouwd als een gebrek aan authentiek gedrag, als fake.”

Toch is pretentie vaak een kwestie van context. “Pretentieus zijn doe je niet zomaar in je eentje, thuis. Er is een publiek voor nodig dat je façade doorprikt. Van experts tolereren we wél eerder het rondstrooien van kennis. Als een sommelier in een verfijnd restaurant over wijnen oreert, geloven we hem op zijn woord. Wanneer een hoogleraar over literatuur uitweidt, accepteren we dat eveneens.”

Waarom heeft pretentie dan zo’n geniepige bijklank? De Vries – met zijn bolleboos-voorkomen – geeft toe dat hij zelf wel eens het slachtoffer werd van ‘pretentie’-aantijgingen. “Vaak noemden ze me het slimme jongetje van de klas of de brave borst die een wit voetje probeerde te halen bij de leraren. Ook over mijn romans hoor ik weleens dat ze voer voor ‘literatuurnerds’ zijn. Maar ik heb nu eenmaal die drang om kennis te verzamelen. Pretentieus zijn zie ik daarom als een soort aanmoediging aan jezelf, een vereiste om beter na te denken, een stok die je voor je neus hangt om jezelf uit te dagen. Om uiteindelijk boven jezelf uit te stijgen. ”

“Het is heel makkelijk om met het woord ‘pretentie’ venijnig rond te schieten. Je kunt er mensen zo mee onderuithalen”, denkt De Vries. “Maar kijk eens hoe drastisch onze omgang met kennis geëvolueerd is. Hoogleraar en schrijver Karel van het Reve muntte ooit het begrip ‘culturele pretentie’. Het was je taak, vond hij, om als ontwikkeld mens bepaalde dingen zomaar te weten. Zo kon je meepraten en ontstond er ook een gezamenlijke cultuur. Leergierigheid was toen nog een deugd. Wanneer een professor dertig jaar geleden in een college de naam Lord Byron liet vallen, stelden studenten de logische vraag: ‘Hoe zat dat nu alweer?’ En ze spoedden zich naar huis om het op te zoeken. Als je iets niet wist, dan wou je het gewoon weten. Nu is het nét omgekeerd. Je bent al snel een eikel of een verwaand elitair figuur als je zelfs maar een tikje met je kennis pronkt. Of als je opdreunt wie Lord Byron of Susan Sontag zijn.” Aan de hand van de Amerikaanse essayiste demonstreert de Vries “het genot van het denken”. “Al kan ik me voorstellen dat je je zou ergeren aan de jonge Sontag, mocht ze bij jou in de klas hebben gezeten.”

Zorgwekkend is die steeds uitgesprokener sfeer van anti-pretentie, zo waarschuwt de Vries. Hij noemt het “een vorm van anti-intellectualisme dat zich uitleeft op culturele ontwikkeling en kritisch denken, een houding die niet te missen is als je tv kijkt, of op Twitter scrolt.” Vandaaruit – en nu komt de kat op de koord – is het maar een kleine stap naar populisme. De Vries haalt er op overtuigende wijze Donald Trump, brexit-voorman Michael Gove, Geert Wilders of zelfs het mannenpanel van sporttalkshow Voetbal Inside bij. Johan Boskamp of René van der Gijp blinken uit in schimppartijen op ‘boekenbalmensen’ of “culturo’s”. De Vries: “Terwijl zij de media-elite zijn, met hun één miljoen kijkers en hun grote gages. Het is een omgekeerde vorm van snobisme.”

“Wie van pretentie wordt beticht, staat dus direct buitenspel, omdat hij afwijkt van het vertrouwde,” aldus De Vries. “Je zou het een dwang kunnen noemen om ‘normaal te doen.” Daarom vind ik populisten erg paternalistisch. Ze suggereren dat mensen geen zin hebben om ergens serieus over na te denken. Ze mikken op de laagste drempel, want daar kunnen de meeste mensen overheen.”

Bizar genoeg zet populisme net bevolkingsgroepen tegen elkaar op, want ook de buitenlander valt buiten dat plaatje van ‘normaliteit’. Populisten zoeken trouwens voortdurend naar zondebokken binnen de eigen cultuur. “Donald Trump fulmineert en foetert in ongeveer elke speech tegen culturele elites. En ook Geert Wilders is onmiskenbaar onpretentieus. Hij gaat er zelfs prat op. Volgens hem is het mooiste stukje Nederland de Efteling en het beste televisieprogramma Heel Holland Bakt, waarin Nederlanders de kunst van het taartenbakken demonstreren. Hij omschrijft hedendaagse kunst als ‘kunst die je je ergste vijand nog niet toewenst’.”

Maar hoe zit het met zijn challenger Thierry Baudet? “Hij maakt de omgekeerde beweging. In alles speelt hij de intellectuele dandy, hij epateert met romans, hij dweept met denkers. Maar tegelijk spant hij enkel die denkers voor zijn kar met een xenofoob of conservatief gedachtengoed. Hij affirmeert zich als een fatsoenlijke jongen. Hem zal je niet zomaar betrappen op staan pissen in een brievenbus, zoals sommig extreemrechts rapalje. Zijn pretentie dient in feite een onpretentieus doel: stemmen halen.” Maar, zegt De Vries, ook de Nederlandse premier Mark Rutte maakt zich weleens schuldig aan populisme met een anti-cultureel randje. “Is Ruttes aanval op de ‘witte wijndrinkende elite’ in Amsterdam ook tot België doorgedrongen?” vraagt De Vries. “Ik begrijp nog altijd niet wat hem bezielde met dit straffe staaltje schofferen in het programma Buitenhof. Maar moet je horen: twee weken geleden zat ik op restaurant te eten, en wie zat daar een aantal tafels verder, lekker sippend aan zijn glas witte wijn? Mark Rutte, natuurlijk.”

Dat populisten intellectuelen als schietschijf gebruiken: het verrast niet. Maar De Vries is verbaasd dat ook kwaliteitsmedia meer en meer dat straatje inslaan. Hij stoffeert het met hilarische voorbeelden. Cees Nooteboom kreeg ooit van een interviewster voor de voeten geworpen dat ze tijdens het lezen driemaal een woord had moeten opzoeken. Waarom gebruikte hij toch de woorden ‘lapidair’, ‘acribisch’ of ‘meticuleus’? Het past helemaal in het salonpopulisme van sommige columnisten, vindt de Vries. “En nee, ik ben geen cultuurpessimist.”

Aan het slot van zijn boek – je voelt het komen – breekt de Vries een lans voor pretentie. Of toch voor een milde, niet pedante vorm ervan. Al kost het hem enige moeite om zijn punt te maken. “We hebben het er zelden over hoe leuk het is om dingen te weten”, zegt De Vries. “Pretentie is ook een vorm van op je tenen gaan staan. Het is reiken naar iets beters. Pretentie is een vorm van eerlijk liegen. Een onstilbare honger om serieuzer te zijn.” Waarom zou je je niet mogen affirmeren met verworven kennis? “Het is een fijn idee dat we allemaal gelijk zijn, even belangrijk, even waardevol. Maar het is een probleem als we allemaal gelijk moéten zijn. Waarom moeten we iemand die zich onderscheidt – door te nuanceren of ergens diep over na te denken – terugfluiten of wegzetten als arrogant?”

Joost de Vries, Echte pretentie. Waarom het zo irritant is en waarom we niet zonder kunnen, Das Mag, 146 p., 19,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.