Maandag 26/07/2021

InterviewArne Quinze

‘Waarom mag je in België niet trots zijn op wat je hebt bereikt?’

Arne Quinze: ‘Ik gebruik geen ellende om kunst te maken. Ik heb veel geïncasseerd, maar ik ben een blije mens. En dat zie je in mijn werk.'
 Beeld Damon De Backer
Arne Quinze: ‘Ik gebruik geen ellende om kunst te maken. Ik heb veel geïncasseerd, maar ik ben een blije mens. En dat zie je in mijn werk.'Beeld Damon De Backer

Arne Quinze (49) plantte wereldwijd installaties neer, van Shanghai tot São Paulo. Maar hier is hij de man van de omstreden ‘rode dozen’ in Oostende. Brengt een expo in Bergen daar nu verandering in? ‘Ik heb bewezen dat ik geen eendagsvlieg ben.’

Hoe het allemaal begon? Met een jeugdtrauma, natuurlijk. Arne Quinze was negen toen zijn ouders scheidden en hij van het West-Vlaamse platteland naar hartje Brussel verhuisde. “Ik was een kind van de natuur, als klein manneke bracht ik mijn dagen door in de velden en bossen. Dat prikkelde mijn fantasie, ik beeldde me in dat ik zo klein als een insect was, en elk grassprietje als een wolkenkrabber boven mij uittorende. Ik vond dat een heel fijn perspectief, om je klein en nietig te voelen in een groter geheel. Ik tekende en knutselde toen al heel veel, in mijn verbeelding bouwde ik hele steden.”

En toen bleek Brussel in niets aan dat droombeeld te beantwoorden. “Ik was nog nooit in een grootstad geweest, en had me een spannend, sciencefictionachtig decor ingebeeld. Maar al wat ik zag waren inspiratieloze blokken, een vlakte van grijs beton en steen. Dat was een grote ontgoocheling. En eigenlijk is die nooit helemaal weggegaan. Ik kan me nog altijd niet neerleggen bij die somberheid en grauwheid in onze steden. Dat is nog altijd de belangrijkste motor achter alles wat ik doe. Ik wil een injectie van schoonheid en kleur brengen.”

In het BAM, het museum voor schone kunsten in Bergen, opent vandaag een grote overzichtstentoonstelling met werken van Arne Quinze uit de voorbije vijfentwintig jaar, vanaf het prille begin van zijn carrière tot zijn meest recente werk, waaronder ook grote olieverfschilderijen met bloemen. “Dat weten mensen niet van mij, maar ik kan best goed figuratief schilderen. Ik heb nog filmaffiches geschilderd, die vroeger aan de gevels van de cinema hingen. Dat waren opdrachten om wat centen te verdienen, maar ik hield er niet van. Ik wil creëren wat ik in mijn verbeelding zie, dat is altijd mooier dan de realiteit.” (lacht)

Het bekendst werd Quinze door zijn publieke installaties in steden over de hele wereld. Het is een oeuvre dat gemakshalve als ‘controversieel’ wordt bestempeld. Quinze wekt liefde of haat op, zelden iets daartussen. Hij probeert het als een compliment te zien, vertelt hij, dat zijn werk tenminste niemand onverschillig laat.

In het atelier van Quinze.  Beeld Damon De Backer
In het atelier van Quinze.Beeld Damon De Backer

Om maar meteen een lastig voorbeeld op tafel te gooien: in Oostende spande een bewoner een proces aan tegen de stad, omdat Quinzes Rock Strangers, een kunstwerk van elf felrode, gedeukte sculpturen in metaal, zijn uitzicht op zee verstoorde. ‘Genotsderving’, zo noemde de advocaat het. De man verloor de zaak en verhuisde, het kunstwerk bleef trots op zijn plaats staan. Hoeveel artiesten kunnen zo’n rel op hun palmares zetten?

Quinze: “Kijk, het is heel makkelijk om een kunstwerk in een museum of een galerij te hangen. Dat is een beschermde omgeving, met enkel gecultiveerde toeschouwers die openstaan voor je werk, en die moeite willen doen om het te begrijpen. Maar met kunst op straat maak je jezelf als artiest heel kwetsbaar. Ik heb door de jaren zo vaak moeten knokken tegen tegenstand en kritiek, dat ik dat als een wezenlijk onderdeel van mijn werk ben gaan zien. Het is net de confrontatie en de dialoog met het publiek die het werk interessant maakt.”

Geniet u dan van de controverse die uw werken soms teweegbrengen?

“Absoluut niet. Misschien klinkt dat naïef, maar ik had in het begin nooit gedacht dat ik op weerstand zou stoten. Ik wilde een vleugje kleur brengen in onze lelijke grijze straten, en kon me niet inbeelden dat iemand daar niet blij mee zou zijn. (lacht) Ondertussen staan er meer dan vijftig monumentale structuren van mij in Azië, Zuid-Amerika, Europa, het Midden-Oosten. We kunnen de vraag vandaag amper bijhouden. Eigenlijk kreeg ik alleen in België altijd kritiek te slikken, maar ik heb gelukkig het talent om me af te sluiten voor te veel negativiteit. Ik heb aanvaard dat ik niet iedereen blij kan maken met mijn kunst.

“Soms rijd ik ’s ochtends vroeg naar de kust om te gaan lopen, en met mijn mondmasker op passeerde ik onlangs nog eens incognito langs het Zeeheldenplein in Oostende, waar Rock Strangers staat. Daar geniet ik van, want het werk doet altijd iets met de passanten. Natuurlijk hoor ik dan soms commentaar, over ‘die geblutste blikken dozen’. Maar dat is prima, het houdt mensen scherp, het weekt reacties los. Beeld je in dat ze daar morgen niet meer zouden staan, dan is dat toch maar een kaal, kleurloos plein?

“We krijgen nog elke dag selfies te zien van toeristen met de Rock Strangers, foto’s van kussende koppeltjes, de vraag van een jeugdvereniging of ze het werk als logo mogen gebruiken, een bakker die een taart bakt in de vorm van de beelden. Dat werk leeft echt bij de mensen. Er hebben al vissers me gevraagd of de werken niet groter konden, want zij mikken op die rode rotsen om hun weg naar de vismijn te vinden.” (lacht)

Rock Strangers in Oostende was een van uw eerste permanente sculpturen, terwijl u jarenlang vooral naam maakte met tijdelijke constructies in hout. Waarom bent u daarmee gestopt?

“Misschien omdat mensen er te veel aan gewend raakten? Het was tijd voor iets nieuws, maar het is treffend hoe mensen een natuurlijke weerstand hebben tegen verandering. Wanneer wij die houten installaties ergens neerzetten, lokten ze altijd heftige reacties uit. En als we ze weghalen, zoals in Bergen onlangs, zorgt dat opnieuw voor commotie. De leegte die we achterlaten, lijkt nog groter dan voorheen. Onze interventies in het straatbeeld doen mensen anders kijken naar de stad.

Een van de omstreden 'Rock Strangers' in Oostende. 'Beeld je in dat ze daar morgen niet meer zouden staan, dan is dat toch maar een kaal, kleurloos plein?' Beeld Dave Bruel
Een van de omstreden 'Rock Strangers' in Oostende. 'Beeld je in dat ze daar morgen niet meer zouden staan, dan is dat toch maar een kaal, kleurloos plein?'Beeld Dave Bruel

“Er staan nog enkele houten constructies her en der in de wereld, een in Shanghai die nu vervangen wordt door een stalen versie. En waar ik heel trots op ben: in Beiroet, aan de inkom van de souks, is onze houten stilthouse een van de enige zaken die overeind zijn gebleven na de ontploffing in de haven. Alles eromheen is verwoest, maar mijn huisje op vier wankele houten pootjes staat er nog. Dat symboliseert heel veel: de mens als overlever, hoe we toch overeind blijven in alle kwetsbaarheid.”

Ik interviewde u bij de opbouw van Cityscape, in 2007 aan de Brusselse Louizalaan. U zat ook toen vol utopische plannen. ‘Ik ga de stad Brussel helemaal hertekenen’, zei u. Is het confronterend als we vaststellen dat u die grote dromen niet hebt waargemaakt?

“Als het alleen van mij afhing, dan zou er heel wat meer bewegen. Maar in België gaat verandering heel traag, je botst op een muur van structuren en een logge administratie. Maar ondertussen beweegt er wel iets in de Brusselse binnenstad: er zijn een autovrije zone, deelfietsen, laadpalen voor elektrische auto’s. Twintig jaar geleden was er van al die zaken geen sprake. Ik ben er echt van overtuigd dat wij met onze installaties City­scape en The Sequence (aan het Vlaams Parlement, red.) mee hebben bijgedragen tot die mentaliteitsverandering.

“Overal ter wereld zie ik hoe mijn werken ontmoetingsplaatsen worden. Het zijn organismen die je aantrekken als een magneet, waardoor mensen samenkomen en weer communiceren. Tijdens Cityscape kreeg ik van een oudere vrouw een handgeschreven brief om me te bedanken ‘Ik heb nu contact met mijn buren, die ik hiervoor niet eens kende’, schreef ze, omdat ze daar vaak op een bankje bij dat werk ging zitten om een praatje te slaan.

“Ik ben altijd optimistisch en ik wil niet bang zijn om luidop te dromen. Je kunt nooit afmeten wat het ‘nut’ of de impact is van mijn werk, maar ik weet dat het iets teweegbrengt. Als je schoonheid en kleur injecteert in de publieke ruimte, dan kan daar alleen maar iets goeds van komen.”

Quinze toont schetsen van Tupi, met 70 meter hoogte zijn grootste sculptuur ooit. Bestemming: de ingang van Cidade Matarazzo, een stadsproject van onder andere de Franse architecten Jean Nouvel en Philippe Starck dat ‘de groene long’ van São Paulo zou moeten worden. Op tekeningen staat de immense kleurrijke sculptuur naast de iconische Cristo Redentor in Rio (38 meter hoog) en het Vrijheidsbeeld in New York (een minieme 34 meter).

“Is de boodschap nu: kijk, ik heb de grootste?”, plaag ik.

Quinze, onverstoord: “Neen, dat is om de schaal te tonen. Tussen de wolkenkrabbers in zo’n metropool wil je niet zomaar een gewoon klassiek beeld neerzetten, daar lopen mensen zo voorbij. Ik wil dat mijn installaties opvallen, zodat iedereen even vertraagt en stilstaat bij de boodschap. Het is vechten via schoonheid.”

‘Ik kan me niet neerleggen bij de somberheid in onze steden. ik wil een injectie van schoonheid en kleur geven.’ Beeld Damon De Backer
‘Ik kan me niet neerleggen bij de somberheid in onze steden. ik wil een injectie van schoonheid en kleur geven.’Beeld Damon De Backer

Quinze ziet het graag groots: hij vertelt over zijn plannen om in Spanje een heel nieuw dorp te bouwen, een utopia. “We hebben samenwerkingen met boeren in de buurt, om helemaal zelfvoorzienend te kunnen zijn. Binnen vijf jaar hoop ik daar te kunnen gaan wonen, er is een hele groep gelijkgezinden die mee aan de kar trekken.”

We zitten in Arne Quinzes huis annex studio in Sint-Martens-Latem. Buiten waarschuwt het KMI voor code geel: een loden lucht, regenval en rukwinden. Binnen is het code appelblauwzeegroen: het hele huis is een explosie van kleur, behang met flamingo’s, een opgezette pauw in het salon, de muren bezaaid met tekeningen, foto’s, souvenirs van honderden reizen.

Na zijn laatste trip naar Mexico besliste Quinze dat ook dit prachtige huis nog te ‘vierkant’ was. “Ik snak naar een omgeving met meer organische, ronde vormen. Meer zachtheid, in plaats van al die rechte muren. Ik was in Azulik in Tulum, Mexico: een inspirerende plek, en daar is niet één rechte muur te zien. Een week na mijn thuiskomst had ik al schetsen bezorgd aan de architect.”

En dat terwijl de buren in deze keurige woonbuurt al in paniek sloegen toen Quinze hier twaalf jaar geleden neerstreek. “Het eerste wat ik deed toen ik hier introk, was de haag weghalen (lacht) en het gazon omploegen zodat er een bonte bloemenwei kon ontstaan.”

“De buren werden zot: zo hoort het niet! Tot ze mijn tuin vol bloemen zagen. Het heeft aanstekelijk gewerkt en de hele straat samengebracht. De kinderen spelen samen, er zijn straatfeesten. Het was hier zogezegd een groene gemeente, maar een haag en gemillimeterd gras waar elk sprietje onkruid direct wordt verwijderd, dat heeft helemaal niks met natuur te maken; qua biodiversiteit is dat een woestijn. Als er wat mos komt piepen tussen de straatstenen, dan wordt dat weggespoten. Hoe gruwelijk is dat?

“Ondertussen zie ik stilaan de verandering: de gemeente is nu helemaal mee om overal in de openbare ruimte, op elk pleintje en grasberm, bloemenoases te laten ontstaan. Goed voor meer bijtjes en vlinders.”

“Dit is mijn Giverny,” zegt Quinze, verwijzend naar de bloementuin van de impressionist Claude Monet. “Ik heb 25.000 planten- en bloemensoorten in mijn tuin! Het is een eindeloze bron van inspiratie. Al mijn schilderijen en sculpturen vertrekken vanuit de vormen en kleuren in mijn eigen tuin. Er is elke dag iets nieuws om te ontdekken. Samen met mijn jongste dochter kunnen we hier uren op ontdekkingstocht gaan en met onze handen in de aarde zitten ploeteren.

'The Visitor' in Beiroet. ‘Het was een van de enige zaken die overeind zijn gebleven na de ontploffing in de haven.’ Beeld Arne Quinze
'The Visitor' in Beiroet. ‘Het was een van de enige zaken die overeind zijn gebleven na de ontploffing in de haven.’Beeld Arne Quinze

“Ik weet dat ik enorm dankbaar mag zijn dat ik een huis met tuin heb. De overgrote meerderheid heeft niet die luxe, en de publieke ruimte wordt alleen maar belangrijker. Hoe triestig is dat, om tijdens de lockdown al die jonge mensen in Antwerpen te zien samenkomen op de vernieuwde Scheldekaaien, op een ellendige, kale, grijze strook beton.”

Dit is uw eerste grote retrospectief, in een museum in België bovendien. Voelt dat als een vorm van erkenning?

“Het doet wel deugd, ja. Ook voor mijn team, er zijn medewerkers die al meer dan vijftien jaar meedraaien, door alle ups en downs. We zaten daar tijdens het opstellen van de tentoonstelling samen anekdotes op te rakelen. Heel ontroerend, om te zien wat we allemaal samen hebben verwezenlijkt.

“Ik ben niet via het klassieke, geschoolde kunstcircuit gestart. Ik heb een eigen weg moeten zoeken, door eerst naar de States te trekken en een studio in China op te starten. Ondertussen heb ik toch bewezen dat ik geen eendagsvlieg ben? Ik heb werken over de hele wereld, maar in Gent of Antwerpen hebben ze me zelfs nog nooit gevraagd. Nooit sant in eigen land.”

Het is knokken tegen de perceptie, zegt Quinze. De schuld van de media, die hem een fout imago hebben aangemeten. “Vooral sinds mijn huwelijk met Barbara Becker, terwijl ik geen idee had wie zij was toen we elkaar ontmoetten. Ze is nog steeds mijn beste maatje, we bellen elke twee dagen. Zij heeft me gemaakt tot wie ik ben. Ik had een grote muur rond mij opgetrokken en had veel kwaadheid in mij, maar zij heeft me geleerd om heel open en vol vertrouwen in het leven te staan. Ze is een fantastische, slimme, getalenteerde, warme vrouw. Maar de Belgische pers schreef over ‘de ex van Boris Becker’ en printte foto’s van ons op feestjes met celebrity’s. Toen was de toon gezet: Arne Quinze, de ‘jetsetter’, dat kon zeker geen goede kunstenaar zijn. Als je een beetje je nek uitsteekt, dan word je daar op afgerekend. Hoge bomen vangen veel wind. Dat is typisch Belgisch.

“Ik heb echt fantastische dingen gedaan en over de hele wereld geweldige mensen ontmoet. Bernard Arnault (kunstverzamelaar en baas van LVMH, red.) heeft twee werken van mij gekocht, het is een geweldige eer om in zo’n topcollectie terecht te komen. Maar ik weet dat ik dat misschien beter niet vertel, want misschien vinden sommigen dat opschepperij. Dat is toch spijtig? Waarom mag je hier niet trots zijn op wat je hebt bereikt?”

Met de Belgische pers wilde Quinze de voorbije jaren niet meer spreken. Dat de media in zijn leven gingen graven toen hij getrouwd was met VTM-presentatrice Ann Lemmens, is hem niet goed bekomen. “Sindsdien ben ik voorzichtiger geworden. Het enige dat ik hoop is dat mensen de kans nemen om mijn werk te ontdekken. De tentoonstelling in Bergen is een uitnodiging voor iedereen om mijn universum binnen te stappen en zich er een eerlijke mening over te vormen.”

Soms lijkt het alsof u de controverse als een magneet aantrekt. De laatste keer dat uw naam in alle Belgische kranten opdook, was bij de diefstal van uw werk Natural Chaos, een sculptuur in 18 karaat goud, ter waarde van 2,2 miljoen euro.

“Echt zo typisch, waarom moet mij dat weer overkomen? Dat werk heeft de hele wereld rondgereisd. In Los Angeles, ja, dáár waren ze heel beducht voor diefstal. Het komt veilig en wel in België aan, en dan wordt dat in Knokke of all places gestolen. Dat verzin je toch niet?

‘Al mijn schilderijen en sculpturen vertrekken vanuit de vormen en kleuren in mijn eigen tuin. Het is een eindeloze bron van inspiratie.’ Beeld Damon De Backer
‘Al mijn schilderijen en sculpturen vertrekken vanuit de vormen en kleuren in mijn eigen tuin. Het is een eindeloze bron van inspiratie.’Beeld Damon De Backer

“Er is trouwens nooit een spoor gevonden. Dat werk is meteen gesmolten tot een blokje goud, denk ik. Het was goed verzekerd, en er is niemand gewond geraakt, dat is het belangrijkste.”

U vertelde ooit dat u op uw negen jaar heel plots stopte met tekenen, omdat u droevig was dat uw ouders uit elkaar gingen. Moet u gelukkig zijn om kunst te kunnen creëren?

“Ik ben in ieder geval niet iemand die ellende gebruikt om kunst van te maken. Ik heb veel meegemaakt en geïncasseerd, maar ik ben een optimistische, blije mens. En dat zie je in mijn werk. Het is een illusie dat kunst donker moet zijn om diepgang te hebben. Ik wil de wereld een injectie geven van kleur en energie en passie en positiviteit. Daar is vandaag meer dan ooit nood aan.

“Ik kan me bij momenten droevig voelen, maar ik ben nooit ongelukkig. Vorig jaar is mijn vader overleden, dat hakte er diep in. Maar zelfs daar zag ik de schoonheid van in. Ik heb dat afscheid heel bewust beleefd, met een enorme dankbaarheid voor al het moois dat hij heeft betekend voor mij en mijn kinderen.

“Mijn vader was mijn held, mijn grootste vriend, mijn klankbord. Hij was de rots van de familie, bij wie iedereen terechtkon met eender welk probleem. Hij was een vat vol kennis, over de natuur en kunst en geschiedenis. Heel vervelend als je eens op uitstap gaat met een gids, want mijn papa wist altijd meer dan de experts. (lacht)

“Hij is het die me ecologisch bewustzijn met de paplepel heeft meegegeven. Mijn papa heeft mee het natuurgebied De Blankaart in Diksmuide opgericht. En in de jaren 1970 redde hij al met olie besmeurde vogels, die toen massaal aanspoelden op de Belgische stranden door illegale olielozingen. Ooit is hij met een camion vol dode vogels naar Brussel gereden om ze daar op het Brouckèreplein te dumpen, als protestactie. Hij was beeldhouwer en had later een drukkerij, maar als klimaatactivist avant la lettre was hij echt indrukwekkend.

“Hij had een spierziekte en ik heb hem vorig jaar voor mijn ogen zien aftakelen, tot er van die grote, stevige man niets meer overbleef. Maar ik vergeet nooit de kracht die hij nog steeds uitstraalde, toen zijn lichaam al zo fragiel was.

“Ik hou van het Japanse begrip mono no aware: de schoonheid van de vergankelijkheid. Dat is ook wat de natuur ons leert. Een bloem is mooi als ze met volle kracht juist uit de grond komt piepen, maar ook als ze langzaam begint te verwelken. Al die fases zijn wonderlijk. Als je die zaken kunt aanvaarden en niet probeert te strijden tegen verlies of imperfecties, dan vind je pas echt innerlijke rust. We leggen onszelf veel druk op door te verwachten dat alles nieuw en glanzend en perfect moet zijn. Door zelf ouder te worden, leer ik die kwetsbaarheid te omarmen.”

U hebt vijf kinderen, tussen de zes en zeventwintig jaar oud. Wat voor vader bent u voor hen?

“Ik wil dat deze plek vooral een veilige cocon is, waar iedereen zichzelf mag zijn. Dit is een open huis, mijn vijf kinderen komen hier allemaal graag over de vloer, en brengen vrienden en vriendinnen mee. Aan de grote tafel kan altijd nog een stoel bij. Het voorbije jaar heb ik voor het eerst in mijn leven het gevoel gehad dat dit echt mijn thuis is. Ik had al beslist om minder te reizen, en voel me meer geaard.

null Beeld Damon De Backer
Beeld Damon De Backer

“Ik zal nooit vergeten waar ik vandaan kom. Voor alles wat ik heb, heb ik keihard gewerkt, en die waarden geef ik ook aan mijn kinderen mee. We zaten hier aan het kampvuur in de tuin herinneringen op te halen aan vroeger. Toen de twee oudste kinderen klein waren was er weinig geld, in de vakanties trokken we met een tentje de natuur in om te gaan kamperen. Nu heb ik meer middelen, en kunnen we in chiquere plekken logeren. ‘Papa, we missen dat avontuur van vroeger’, zeiden ze. We hebben direct een lijst gemaakt, van trips die we gaan maken. Met een tentje, back to basics.”

My Secret Garden, van 29/5 tot 29/8, in Beaux-Arts Mons (BAM), Bergen. bam.mons.be

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234