Woensdag 26/06/2019

Kunst

Waarom Leonardo da Vinci meer dan een kwart van zijn schilderijen onaf liet

In het voorjaar van 1481 werkte de toen 29-jarige Leonardo da Vinci zeven maanden aan een schilderij op paneel, Aanbidding der wijzen. Nooit werd het voltooid. Beeld Getty Images

Leonardo da Vinci was een briljant kunstenaar, maar hij liet ook meer dan een kwart van zijn schilderijen onaf. Perfectionisme, nieuwsgierigheid en een gebrek aan discipline nekten de uomo universale niet zelden.

In het voorjaar van 1481 begon de toen 29-jarige Leonardo da Vinci aan een schilderij op paneel, Aanbidding der wijzen. Het betrof een opdracht voor het net buiten Firenze gelegen San Donato-klooster. Leonardo’s vader, die notaris was, hielp de kloosterbroeders met het opstellen van contracten in ruil voor twee kippen. Het was waarschijnlijk door zijn bemiddeling dat de jonge Leo de klus verwierf.

Hij maakte zich er niet gemakkelijk van af. Het geplande schilderij, toonden de voorstudies, had als grondvorm een spiraal met in het midden het Christuskind waar niet minder dan zestig figuren omheen zouden cirkelen: koningen, magistraten, soldaten, kinderen, ruiters te paard, een verdwaasd omkijkende kameel. Het was een werk dat, zoals Da Vinci’s biograaf Walter Isaacson schrijft, zou overlopen van ‘energie, emotie en leven’. Dat deed het ook, zij het anders dan verwacht. Nadat Leonardo het tweeënhalve meter brede paneel had gevuld met talloze mensen, beesten, ruïnes en bergen, hield hij er opeens mee op. Hij stalde het paneel bij een vriend en verkaste naar Milaan. Zeven maanden had hij eraan gewerkt. Nooit werd het voltooid.

Lees ook: ‘‘Laatste Avondmaal’ in abdij van Tongerlo is geen replica maar een ‘tweede versie’ van Da Vinci’

Het was geen incident. Waarschijnlijk was er geen andere renaissancekunstenaar die zo veel kunstwerken onaf liet als Da Vinci. En dan gaat het alleen over kunstwerken, niet over uitvindingen, waarvan Leonardo er in zijn aantekenboeken talloze neerkrabbelde zonder er ook maar een te realiseren. Van de zeventien schilderijen waarvan bekend is dat ze van zijn hand zijn (onder andere Het Laatste Avondmaal, Maagd op de rotsen), is meer dan een kwart onafgemaakt; van de voorgenomen publieke beelden realiseerde hij er exact nul. Je kunt daaraan toevoegen dat werken die wij als voltooid beschouwen, zoals de Mona Lisa, in feite nooit voltooid werden, aangezien de schilder er tot aan zijn dood aan bleef schaven. Leonardo was een briljant man, ongeëvenaard in zijn verbeeldingskracht en inventiviteit, en op zijn naam staan enkele van de mooiste schilderijen en tekeningen ooit, maar hij was ook een chronische in-de-steek-later. Hij was, zoals biograaf Walter Isaacson hem treffend typeert, “de meester van het onvoltooide”.

Externe omstandigheden

Daar had hij niet altijd zelf schuld aan. Soms dwongen externe omstandigheden Leonardo een klus voor onbepaalde tijd te parkeren. Voor het ruiterbeeld in opdracht van de doge van Milaan, Ludovico Sforza, voltooide hij bijvoorbeeld een kleimodel op ware grote en een giettent (een roosterwerk van ijzer dat de gietmal overeind hield, als was het een korset), maar toen men daadwerkelijk met gieten wilde beginnen, bleek het gereserveerde brons nodig voor kanonnen voor de naderende oorlog tegen de Fransen. Leonardo kon aan die ongelukkige timing weinig doen, maar veel van zijn andere geflopte projecten kwamen wel degelijk op zijn conto.

Een van de oorzaken was Leonardo’s tomeloze nieuwsgierigheid. Naast schilder was hij ook muzikant, wiskundige, ornitholoog, waterbouwkundige, militair ingenieur en allrounduitvinder. In zijn sollicitatiebrief aan voornoemde Sforza presenteerde hij zich als ontwerper van bruggen, kanonnen, ‘gepantserde strijdwagens’, katapulten, voetangels, ‘machines voor aanval op zee’, openbare en publieke gebouwen, beelden (‘in brons, marmer en klei’), en, aan het eind van de opsomming, schilderijen. Daar zou men bedenker van het machinegeweer en de helikopter aan kunnen toevoegen, alsook van een recept voor blonde haarverf (“neem noten en kook ze in loog en duw de haardos daarin”). 

500ste sterfdag

Donderdag 2 mei is het exact 500 jaar geleden dat Leonardo da Vinci stierf. Om dat te herdenken, worden er een jaar lang exposities aan de illustere uomo universale gewijd. Het Louvre, bijvoorbeeld, heeft de ambitie uitgesproken om in het najaar het grootste aantal schilderijen van Leonardo in één expositie ooit bijeen te brengen, wat er sowieso meer zijn dan vijf, het aantal dat het museum bezit, en minder dan zeventien, het totale aantal als authentiek erkende Leonardo’s.

Al die bezigheden hielden hem van het schilderen af. Toen Isabella d’Este, volgens Isaacson de ‘koppige first lady van Mantua’, via een tussenpersoon liet informeren of het nog wat ging worden met dat en profil-portret van haar, werd haar door de monnik in kwestie vriendelijk doch gedecideerd medegedeeld dat het hoofd van de maestro niet naar schilderen stond. “Werkelijk”, schreef de tussenpersoon, “zijn wiskundige experimenten nemen zijn gedachten zo in beslag dat hij het aanzien van een verfkwast niet langer kan verdragen”. De wereld was domweg te interessant voor Leonardo om dag in dag uit portretten te fabriceren. Een kunstwerk voltooien lukte hem alleen wanneer hij bovenmatig door het onderwerp was gegrepen, en zelfs dan niet altijd.

Een andere reden waarom Leonardo zijn schilderijen soms verweesd achterliet, was zijn perfectionisme. Zijn ambitie om het ultieme kunstwerk te maken werkte verlammend. Volgens de 16de-eeuwse schilder en kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari was wat Leonardo in zijn hoofd had “zo subtiel en zo wonderbaarlijk” dat het onmogelijk was het foutloos uit te voeren. “Het leek hem”, schreef Vasari, “dat de hand niet in staat was de perfectie in de kunst te bereiken bij het uitvoeren van de dingen die hij zich voorstelde”. Zoiets speelde ook bij de Aanbidding der wijzen. De zestig geplande figuren op die voorstelling, nam Leonardo zich voor, zouden baden in een hemels licht. “Hij moet de moed verloren hebben toen hij nadacht over hoe hij de weerspiegelingen, die van de ene op de andere figuur vallen, in evenwicht kon krijgen en hoe hij die veelheid aan variabelen van licht, schaduw en emoties van zo’n massa mensen kon beheersen”, schrijft de Amerikaanse kunsthistorica Francesca Fiorani. Optische problemen loslaten zat niet in Leonardo’s karakter. Hij leverde liever niets, dan iets met onvolkomenheden.

Gebrek aan discipline

Er is nog een derde reden: gebrek aan discipline. Leonardo behoorde, zoals Isaacson schrijft, tot het type kunstenaar dat liever bedacht dan uitvoerde. Tijdens de fase van het verzinnen en uitvogelen was hij geestdriftig, maar wanneer alle stukken eenmaal op het bord stonden en de rush van de vondst was uitgedoofd, ontbrak het hem vaak aan innerlijke rust en zitvlees om de klus tot een goed einde te brengen. Men stelt zich voor hoe hij uitvluchten zocht wanneer de saaie stukjes zich aandienden. In de kern was hij een conceptueel kunstenaar.

Dat vond hij zelf ook vervelend. In zijn jonge jaren beklaagde Leonardo zich geregeld dat er weinig uit zijn vingers kwam. “Het ontbreekt ons niet aan apparaten die die mistroostige dagen van ons meten, waarop het een genoegen zou zijn dat ze niet door onze vingers glippen zonder een herinnering aan ons achter te laten in de geest van de mensen”, noteerde hij in zijn aantekenboek rond de tijd dat hij zijn werk aan de Aanbidding der wijzen staakte. 

Leonardo’s beschermheren en andere opdrachtgevers ontging het evenmin dat hun protegé leed aan de ziekte van morgen. Talrijk zijn de aanvullende contracten waarmee men de schilder aan zijn afspraken probeerde te houden. De Florentijnse raadslieden die Leonardo de opdracht gaven voor een muurschildering van de slag bij Anghiari in het Palazzo Vecchio lieten contractueel bepalen dat Leonardo indien hij de klus niet binnen een jaar voltooide, al zijn toelagen moest terugbetalen. De kloosterbroeders van San Donato kwamen met een slim staaltje risicomanagement door de schilder zijn verf en andere materialen uit eigen zak te laten bekostigen en hem een deadline van dertig maanden te geven. Het haalde weinig uit, Leonardo staakte beide klussen halverwege.

Slechte beurten

Dat waren slechte beurten voor Leo. Het hoofd van de Florentijnse Republiek, Piero Soderini, liet zich na de afgebroken Slag bij Anghiari in een brief zeer negatief uit over de kunstenaar vanwege diens gebrek aan fatsoen jegens de burgers van Firenze. Andere begunstigers van de kunsten passeerden hem vanwege zijn beroerde zakelijke reputatie. Toen Leonardo ongevraagd solliciteerde bij de machtige Florentijnse De’ Medici-familie om een schildering te maken ter nagedachtenis van de samenzwering waarbij Giuliano de’ Medici werd vermoord, ging men daar niet op in, en ook toen de daadkrachtige Paus Sixtus IV in 1481 een keurkorps van schilders in Rome ontbood ter decoratie van de Sixtijnse kapel ving hij bot. Men koos voor een doorpakker als Botticelli. Had men de klus overgelaten aan die draler uit Vinci, dan zou hij op de dag des oordeels nog niet klaar zijn.

De sympathie voor onvoltooide kunstwerken was in Leonardo’s tijd gewoon niet zo groot. Goede kunst, zo luidde de heersende opinie, moest een vervolmaakte afspiegeling zijn van de natuur, en daar het onvoltooide per definitie onvolmaakt was, kon het nooit goed zijn. Bovendien was het kunstbedrijf van het quattrocento niet ingericht op de verkoop van premature producten. Altaarstukken en fresco’s werden geleverd op contractbasis en behoorden te tonen wat maker en koper van tevoren overeenkwamen, tot aan het precieze aantal afgebeelde heiligen en de pigmenten voor de gewaden aan toe. Wij bestellen, u levert: zo kan men de verhoudingen samenvatten. En niemand bestelde een rudimentaire leeuw of een onafgewerkte jongenskop.

Wij denken anders over zulke stukken. Ruim honderd jaar moderne kunst heeft ons de evocatieve kracht van het onvoltallige doen waarderen. We willen niet dat alles voorgekauwd is. We willen zelf invullen, aan de hand van schetsen die het hart sneller doen kloppen. Zij geven een kijkje voor én achter de schermen, zo lijkt ook te gelden voor de onvoltooide Leonardo’s.

Interessant is in deze context de vergelijking die biograaf Isaacson maakt tussen Maria met kind en Sint-Anna (nu in het Louvre) en het karton dat als voorstudie ervoor diende (National Gallery, Londen); logischerwijs twee nagenoeg identieke voorstellingen. We zien het Christuskind dat net van de schoot van de Madonna is gesprongen en een heilige maagd die zelf weer op de schoot zit van de Heilige Anna, een matroesjka van schootzitters. Wanneer Isaacson het schilderij in het Louvre ziet, is hij lichtelijk teleurgesteld. Ja, het is een optelsom van Leonardo’s kwaliteiten: het rokerige sfumato, de aaibare vacht van het lam, maar het is ook wat levenloos, wat gekunsteld. Nee, dan het karton! De schouder van de maagd oogt daar natuurlijker. De omhoog wijzende hand van de Heilige Anna oogt logischer, veel erop oogt logischer, suggestiever, mysterieuzer. Maria met kind en Sint-Anna is een werk waarvoor je je pet afneemt, tot in de kleinste details uitgewerkt, tot aan de kiezelsteentjes aan toe. Maar het karton is beter.

Vier onvoltooide werken van Leonardo da Vinci:

Slag bij Anghiari (1503-05)

In 1503 begon Leonardo aan het ontwerp voor een wandschildering voor de Salone dei Cinquecento, de raadzaal van het Palazzo Vecchio in Firenze. Het onderwerp was de Slag bij Anghiari (1440), waarbij de Florentijnen de Milanezen in de pan hakten. Zoals gebruikelijk ging Leonardo volledig op in zijn voorstudies, ontwerpen die volgens Isaacson meer getuigden van gepassioneerde nieuwsgierigheid dan dat ze direct nut hadden. Van de voorstelling zelf schilderde hij enkel het centrale deel: de strijd om het vaandel, een kluwen van paarden- en mensenlichamen. Dit keer werkte het materiaal niet mee. Leonardo had zich voorgenomen de schildering in olieverf uit te voeren, maar de ‘dikke substantie’ die hij daarvoor als bindmiddel op de muur had aangebracht, begon al tijdens het schilderen af te bladderen. Dat zijn rivaal Michelangelo, die op de belendende muur werkte, Leonardo op zijn vingers keek, zal het werken ook niet bespoedigd hebben.

Slag bij Anghiari. Beeld De Agostini/Getty Images

De heilige Hiëronymus in de Wildernis (1480)

Van zijn onvoltooide werken is dit het emotioneelst. Het toont de 4de-eeuwse geleerde en kerkvader Hiëronymus van Stridon terwijl hij op het punt staat boete te doen: in zijn hand houdt hij de steen waarmee hij zich weldra op de borst zal slaan. Leonardo liet Hiëronymus onaf, om er begin 16de eeuw aan verder te werken. Het bewijs hiervoor wordt geleverd door de halsspier, ofwel musculus sternocleidomastoideus. Deze spier, die van sleutelbeen langs de hals naar de schedel loopt, is op een voorstudie voor het in de jaren 90 gemaakte Het Laatste Avondmaal nog abusievelijk als één baan weergegeven, maar bestaat op de eerder begonnen Hiëronymus uit de correcte twee banen. Het was een gevalletje voortschrijdend inzicht: na anatomische studies te hebben gedaan op echte lichamen, paste Leonardo het kunstwerk aan. Het is andermaal een bewijs dat schilderijen voor hem evenzeer weerslagen van wetenschappelijke bevindingen waren als esthetische objecten.

De heilige Hiëronymus in de Wildernis. Beeld Corbis via Getty Images

Het Paard (1489-1493)

In 1489 vroeg Ludovico Sforza Leonardo een ruiterbeeld te maken van zijn vader, Francesco Sforza, doge van Milaan. Het beeld diende de eerbiedwaardige reputatie van de Sforza’s te onderstrepen en moest eerdere ruiterbeelden, zoals dat van Donatello, qua formaat overtreffen. Leonardo’s beeld zou twee keer zo hoog worden als Donatello’s 3,5 meter hoge Gattamelata, en zou uit een stuk brons gegoten worden. Een huzarenstukje, in zijn én onze tijd. Hij pakte de voorbereidingen aan op zijn Leonardo’s: grondig, op het compulsieve af. De anatomie van het paardenbeen bijvoorbeeld, de geschiedenis van het Romeinse ruiterbeeld, de mogelijkheden om een sculptuur uit één mal te gieten. Het leek, kortom, weer eens een gebed zonder eind te worden, en tegen de tijd dat er gegoten kon worden, stonden de Franse troepen voor de Milanese poorten en was het gereserveerde brons nodig om kanonnen te smeden. Dag, groot paard. Het kleimodel ervoor werd door Franse soldaten later gebruikt als trainingsdoelwit om op te schieten.

Het Paard. Beeld Getty Images

Het Trivulzio-monument (1511)

Als het om politiek ging, was Leonardo pragmatisch. Nadat Lodewijk XII eind 15de eeuw Milaan had ingenomen, verleende hij zijn diensten net zo makkelijk aan de vijand. Zo maakte hij rond 1511 een ontwerp voor een tombe voor de aan Franse zijde vechtende generaal Trivulzio, toen al gouverneur van Milaan. Het bestond uit een sokkel van acht zuilen en gebeeldhouwde figuren met daarop, wederom, een ruiterbeeld, ditmaal op een schaal van 1-op-1. Studies tonen paard en ruiter van opzij. Ook zijn er aantekeningen bewaard gebleven van het beoogde gietproces. Uit niets blijkt dat het ooit tot een realisatie van de ontwerpen is gekomen.

Het Trivulzio-monument. Beeld Print Collector/Getty Images
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden