Dinsdag 21/05/2019

Interview

"Vreemdelingen zijn veel solidairder dan wij"

Charles en zijn vrouw Georgette in het zorgcentrum De Drossaert. Beeld Karoly Effenberger

'J'ai peur', schreef Charles Van der Vinck (87), toen hij weer soldaten in de straten van Antwerpen zag lopen. Maar bang voor het leven was hij nooit. Charles is naast de stem misschien ook wel het hart van Een kwestie van geluk, een serie op Eén die Borgerhoutse levens in beeld brengt.

Zodra je zijn stem hoort, hou je van Charles Van der Vinck. Als hij off-screen spreekt en als je op de bel van Van der Vinck-De Groof duwt in zorgcentrum De Drossaert. "'t Is op 't vijfde, pak de lift maar."

87 is Charles, "sedert 14 maanden" wonen hij en Georgette hier. "Als ge van een paleis naar een mosterdpot verhuist, moet ge acclimatiseren", zegt hij. "We woonden in de Groenstraat. In een burgerhuis, goed onderhouden, bij mijn dochter en mijn schoonzoon. Maar ik kon de trap niet meer op en af. Toen dachten we aan een serviceflat en ik heb gevraagd: 'Liefst zo hoog mogelijk.' De ruimte die we intern niet meer hebben, hebben we nu extern. Het is een schoon zicht."

De klokt tikt van ja en van neen, van de tijd die verdwijnt en van de dagen die voorbijgaan. Georgette zoekt iets in een schuif. Georgette veegt de tafel af. Georgette gaat weer zitten. Charles noemt zonder geluid en met articulerende lippen de naam van de ziekte die Georgette veel doet vergeten. Ze moet dat niet horen. Charles wil haar niet kwetsen.

Maar hier kijken ze samen naar de daken van Borgerhout. 2140 Antwerpen, stadje van 45.000 mensen en 170 nationaliteiten in 't Stad: dat deeltje waar regisseur Kat Steppe de parel draaide dieEen kwestie van gelukheet. Stan Ockers koerste hier, Floris Jespers schilderde er en Hugues C. Pernath leerde schrijven in Borgerhout. Charles heeft dat allemaal beleefd. De mensen van toen en de mensen van nu. "Toen ik geboren werd, woonden we op de grens van Deurne en Borgerhout, maar sinds 1934 woon ik onafgebroken hier." Hij is de ideale verteller. En hij is communist.

Wel, vertel dan, Charles. En leer ons over het leven.

"'Het was zo warm', zei mijn moeder altijd over mijn geboortedag, 30 augustus 1927. Ik was de eerste, na mij kwamen Ferdinand en Frans nog. Maar nu ben ik de laatste der Mohikanen: mijn broers zijn allebei gestorven. Dat is raar hoor, zo alleen achterblijven, van heel uw gezin. Zeker met Frans had ik een stevige band. In de oorlog zijn we samen hout en brood gaan zoeken. Twee jaar geleden is hij gestorven. Ik mis Frans."

'Schijn bedriegt, zeggen ze. Maar eigenlijk is dat niet waar. 't Is de werkelijkheid die bedriegt.'

(Charles in 'Een kwestie van geluk')

"Borgerhout is veel veranderd, natuurlijk. Vroeger was er meer samenhang, nu leven mensen meer in hun carcan. Vroeger was er meer solidariteit, nu is er meer individualisme. Maar dat is niet alleen hier, dat is volgens mij in de hele maatschappij. In de zomer zaten de mensen aan hun voordeur, ze deden een babbeltje en staken een handje toe. Ge kunt dat nu niet peilen, maar ik denk dat het minder gebeurt. De mensen zitten aan hun tv in plaats van aan de voordeur."

"Pas op, dat heeft voordelen: als de aarde beeft in Japan, dan zie we dat. Vroeger moesten we zes weken wachten op nieuws, tot de schippers terug thuiskwamen. Veel dagbladhandels hadden toen een eigen bibliotheek. Dat is waarschijnlijk afgeschaft, zeker? Veel was spontaan. Niet georganiseerd. Als iemand ne velo kocht, kwam de hele buurt kijken. Nu wordt er zelfs niet meer over gesproken."

"Zeker ben ik het niet, maar ik denk dat Borgerhout vroeger ook meer bevolkt was. Zeker 50.000 man woonde hier. En dan had ge nog achtersteden. In de Blijde Inkomststraat waren er huizen die de Franse Revolutie nog hadden meegemaakt. Gevels van kalk en steen en binnen grote kachels. Nu zijn daar allemaal grote en schone appartementen. De mensen staan daar niet meer bij stil."

"De mensen vergeten ook dat er in de jaren 30 al crisis was. Mijn vader was kleermaker, maar veel mensen hadden geen geld meer om een eigen kostuum te maken. Hij kon dat zelfstandig niet meer aan, maar hij had chance toen hij ging postuleren bij het voertuigenarsenaal: daar hadden ze kleren nodig én moest hijbachenstikken. En toen kwam de oorlog. Hij is met het Belgisch leger gevlucht tot in Toulouse en na twee maanden stonden ze terug. Tijdens de oorlog werkte hij in de Nationalestraat, daar maakten ze kleren op maat. Als den Duits binnenkwam, stuurden ze die altijd naar hem. Zo goed was hij. Maar hij heeft nooit een knop aangenaaid voor een Duitser."

'De mensen die ge kent, die kent ge feitelijk niet. Ze zijn beter dan ge denkt. En ze zijn slechter dan ge denkt.'

(Charles in 'Een kwestie van geluk')

"Ik was 12 toen de oorlog begon en 16 toen die eindigde en tot dan wist ik van niks. Zelfs niet hoe de kinnekes kwamen.(lacht)Maar toen de Amerikanen met de bevrijding de stad binnenkwamen, kon ik het op straat zien hoe dat moest. Frans was ziek. De 'kinderdieven' kwamen en hij moest naar de zee om beter te worden. Maar de tweede maand daar had hij een boebel op zijn been, een tbc-abces, en mijn vader vertrouwde dat niet. Frans kwam terug mee naar huis. Maar daardoor kregen we dubbel rantsoen: 7 kilo suiker, bijvoorbeeld."

"Waar er altijd een tekort aan was, was boter. Een mens heeft vetstoffen nodig, heb ik toen geleerd. We hadden patatten en geen honger, maar we werden niet sterk genoeg. Maar als kind heb je al die zorgen niet. Dat mijn ouders hun trouwringen hebben moeten verkopen, hoorde ik pas later. Daar let je niet op. De dagen gaan voorbij."

Beeld Karoly Effenberger

"Maar tot vandaag begrijp ik niet dat mensen in de oorlog voor den Duits gingen werken. Mijn grootouders en ouders hadden '14-'18 meegemaakt en ik de Tweede Wereldoorlog. Ik ging de oorlog in als een braaf katholiek manneke dat pastoor kon worden en ik ben er bij de partizanen uitgekomen. Omdat ik heb gezién hoe de Kerk was. Ik kende de catechismus van buiten. Maar op de gespen van de Duitse soldaten stond:GOTT MIT UNS. Hoezo? God moest toch met ons zijn? En het waren de partizanen die ons redden van de Duitsers? Dus waren zij de goeie. Zo ben ik die richting uitgegaan. Zoals Frans."

'Ze zijn de gelukzak, de clochard, de boeman of de redder. Ze zijn de vader, de moeder, het kind van iemand. Van iemand die ge niet kent.'

(Charles in 'Een kwestie van geluk')

"We hadden een buurman die op de Dienst Registratie en Domeinen werkte en die kon me na de oorlog aan werk helpen."

"In de Antwerpse haven: daar waren die heel actief. Door zelfstudie en examens leerde ik het burgerlijk recht en stilaan geraakte ik tot het niveau van 'Ontvanger'. Nu is dat voor universitairen weggelegd hè. Maar ik werd ontvanger. En dan algemeen secretaris van het ACOD Antwerpen. Voor alle sectoren."

"Maar ik was dus communist, alleen wilde ik dat niet bestendigen in een job. Dus werd ik syndicalist. Maar toen ik verkozen werd in het Nationaal Comité voor Financiën, heeft men mij voorgesteld op te komen op de lijst van de socialisten. Bob Cools stond er ook op en ik zou de elfde plaats krijgen. Maar ik wilde dat niet. Ik heb geen achting voor mensen die zomaar van idee veranderen. Liberalen als Van Campenhout en De Ridder die plots op de N-VA staan: daar kunt ge toch niet voor stemmen?"

''t Is er ene die niet meekan, denkt ge. Of die niet mee wil. Een sukkelaar. Een zatlap. Mijn broer denkt ge, twee druppels water. En toch komt hij uit een vreemd land. Of hij is van hier, uw broer, maar hij doet raar.'

(Charles in 'Een kwestie van geluk')

"Onlangs was er een bonte namiddag met Micha Marah, ze heeft me naar voren geroepen en we hebben samen een nummerke gezongen. Een Zuid-Frans dronkenmanslied. Kent ge dat? 'Boire un petit coup, c'est agréable. Boire un petit coup, c'est doux. Mais il ne faut pas rouler dessous la table.' De hele zaal was aan het lachen, ach, dat is toch plezant."

"Maar ik heb altijd graag geschreven ook. Ik ben een grote liefhebber van Parijs en ik ga graag naar het Mémorial des martyrs de la Déportation kijken. De Gaulle heeft dat nog ingehuldigd. Nu geraak ik daar niet meer, maar jaren geleden bleek het plots niet toegankelijk voor het publiek. 'Ca tombe en ruïne', zeiden ze. Dus ik schreef een brief naar de burgemeester van Parijs. Met de hand hè. Ik kreeg eerst een brief terug dat ze die van mij goed ontvangen hadden, maar dat het monument onder Landsverdediging viel. En drie weken later kreeg ik een brief van Landsverdediging: 'We zullen het nodige doen.' Korte tijd nadien ben ik met Vera, mijn oudste dochter, teruggeweest. En het wás hersteld. Nu zeg ik niet dat dat door mijn brief kwam, maar ik heb het wel geapprecieerd dat ze geantwoord hebben."

"Ik schrijf nog graag. Drie weken geleden heb ik een toespraak gehouden voor de loge. Onder de titel 'J'ai peur'. België is de weg kwijt en we zijn naar een eenpartijstaat aan het evolueren. Dat is begonnen met de verkiezing van Bart De Wever. Als een Romeinse keizer, zo machtsgeil was hij. Hij wilde militairen in de straat en de meeste gemeenten niet, maar kijk eens naar Antwerpen: ze lopen hier rond. Niet moeilijk. Wie zit er op Landsverdediging? Een partijgenoot. Wie zit er op Binnenlandse Zaken en politie? Een partijgenoot. En wie zit er Financiën? Een partijgenoot. Voilà. Is er dan geen democraat meer die daar tegen protesteert?"

"Waarom ben ik bang? En waarom schreef ik 'J'ai peur'? Ik heb de oorlog meegemaakt en niemand beseft nog hoe het voor ons voelt om plots weer soldaten in de straat te zien. Voor mij is het alsof de stad weer bezet is. Natuurlijk moet er veiligheid zijn en moet er tegen gangsters geageerd worden. Maar ik wil VRIJHEID, en zet dat maar in grote letters, voor de veiligheid zetten.J'ai peur, ja. Want nu kunnen ze álles."

'Ik geloof dat niemand weet wat een ander denkt. De ander is altijd een vreemd land.'

(Charles in 'Een kwestie van geluk')

"Onlangs zag ik De Wever tegen John Crombez op tv. Hij zei: 'We moeten gaan zoeken in de sociale zekerheid.' En hij had het over de werkloosheidsuitkeringen via de vakbonden. Dat klopt. Maar hoe is dat gegroeid? De Hulpkas werkte altijd tergend traag. Op een bepaald moment hebben de vakbonden en de sociale organisaties voorgesteld om dat op zich te nemen. Goed idee, vond de overheid. Plots draaide het goed en iedereen werd sneller geholpen. Maar dat zegt De Wever er niet bij."

"Een tijd geleden moest ik een taxi nemen. Ik heb een invalidenkarretje, ik ben niet zo mobiel. Die chauffeur zat maar te razen op de socialisten. Toen we er waren, heb ik hem gevraagd: 'Zijt ge al in congé geweest dit jaar?' 'Ja, Barcelona, de Ramblas, fantastisch', zei hij. 'Gij hypocriet', heb ik geantwoord. 'Voor uw betaald verlof hebben de socialisten in 1936 gezorgd.' Hij wist niet meer wat te zeggen."

"Georgette en ik zijn altijd graag naar Frankrijk gegaan. Met een stacaravan naar de Côte d'Azur, we feestten mee op Quatorze Juillet, van eind maart tot eind augustus waren we er. Stilaan kenden ze ons daar. 'Les Belges sont là', zeiden de mensen en hun zomer begon. Maar nu gaat dat niet meer. Daar heb ik het wel moeilijk mee, hoor. Zeker twintig jaar lang gingen we elk jaar in Parijs naar La Fête de l'Humanité. Ah, Parijs,j'ai perdu mon coeur à Paris. Maar al die mensen die we het best kenden, zijn weggevallen. Ik was 16 en de jongste bij de Communistische Partij, maar nu zijn we de enigen die nog overblijven. Dat is lastig. Maar Georgette en ik waren altijd van hetzelfde gedacht. Altijd."

"Ooit gingen we met de autobus naar Parijs. We stopten aan Place Pigalle en iedereen ging in die eethuisjes eten. Wij konden dat niet. We hadden Vera, Nicole en François, drie kinderen, en we waren geen dubbelverdieners. We moesten oppassen. Wel. Ik heb altijd een zakmes bij. We kochten een baguette, een camembert en een fles wijn en gingen op een bankje zitten. Onder de paraplu van Georgette. We zaten daar als clochards, maar we waren van hetzelfde gedacht en we vonden het fantastisch. We waren de 'Koning van de Wereld'. Ik denk dat dat gevoel bij veel mensen mankeert vandaag. Zelfs in Frankrijk."

"Nu komen we niet meer buiten Borgerhout. En natuurlijk is het hier veel veranderd, ik heb het al gezegd. Er wonen mensen van overal in de wereld. Maar die mensen zijn veel solidairder dan de eigen bevolking. In de zomer reed ik met mijn karretje op straat, ik kwam vast te zitten aan een borduur en de eerste die me kwam helpen, was een vreemdeling. Wie staat op de tram als eerste op om je zijn plaats te geven? Een vreemde. Een beetje verder woont een Marokkaan: hij brengt mij altijd flessen water. En een tijdje terug had ik een plank bij me, dat was moeilijk met dat karretje, en iemand zei: 'Moet ge ver zijn? De Drossaert? Oh, ik draag het wel tot daar.' Een vreemde. Dat lijken details. Maar het leven is een aaneenrijging van details."

"Is dat erg dus dat er zoveel mensen van ver hier zijn komen wonen? Ik wil voorzichtig zijn met mijn woorden. Maar eigenlijk durf ik zeggen: het is een verrijking."

Een kwestie van geluk, elke woensdag om 20.35u op Eén.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.