Woensdag 04/08/2021

Voorpublicatie

Voorpublicatie uit de nieuwe novelle van Saskia de Coster

null Beeld Elise Vandeplancke
Beeld Elise Vandeplancke

Ter gelegenheid van de negende editie van de Dag van de Onafhankelijke Boekhandel, op 12 december, schreef Saskia de Coster de novelle In de rij voor de nachtboot. Hieronder een voorproefje.

Ze had me gevraagd of we eindelijk de overzetboot zouden nemen naar het kleine eiland waar ze het al vaker over had gehad. Ze zou me rondleiden.

Ik had mijn twijfels. Ik stelde me een veel te klein eiland voor, vol toeristen en lawaai. Toch stemde ik in. Ik wilde bij haar in de buurt zijn, al wist ik niet goed waarom. Na vier maanden wachten kon ik nog wel langer wachten. Ik was er heel goed in geworden, zo goed dat ik eigenlijk liever nog wat langer gewacht had. Hoe langer ik wachtte, hoe meer ik haar miste. Ik vond het heerlijk dat ik iemand had om zo te missen.

Vier maanden lang kon zij niet naar mij toe komen en ik kon niet naar haar gaan, omdat we veroordeeld waren tot onze huizen en landen. Ze zei me elke dag dat het bijna voorbij was en elke dag zei ik dat het nog wel even zou duren. Elke dag gaf het nieuws me gelijk. Het was goed zo, dacht ik, gedwongen op een afstand van elkaar maar de hele tijd verbonden. Alsof we aan het touwtrekken waren zonder er echt een wedstrijd van te maken, maar als één van ons twee losliet, zouden we allebei vallen. Ik zou me niet vreselijk verwonden, eerder even schrikken misschien. Ik zou het missen om haar te missen.

Ik kon het zeggen. Ik kon haar mijn eerlijke antwoord geven toen zij vroeg of we de reis zouden boeken. Het heeft geen zin. Die woorden kon ik uitspreken. Maar ik zei dat ik graag meeging naar het eiland, zodra het kon.

De volgende dag belde ik haar op met de bedoeling haar te vertellen dat ik het wilde opgeven, ons. Ze knikte tegen het scherm maar ze hoorde me niet want de verbinding was te slecht, ze schreeuwde naar een stem buiten het scherm die haar riep dat het eten klaar was. Ze gebaarde, ze wuifde, weg was ze. De volgende keer vertel ik het echt, dacht ik. Morgen.

Ik stapte in mijn wagen, reed de stad uit en ging op de ring rondjes rijden, om de stad heen, alsof ik zo een onzichtbare lasso om mijn huis legde. Het was laat ’s avonds en er was haast niemand op de baan. De radio speelde een liedje waar we enorm om hadden gelachen tijdens onze vorige reis. Een zanger met een middelmatige stem zong dat als de wereld nu zou eindigen, ‘I would come over, promise’. Ik kreeg kop noch staart aan dat nummer en we hadden er lange gesprekken aan gewijd. Als de apocalyps nabij is ga ik nog snel bij jou op bezoek en blijf ik bij je slapen, dat zingt de zanger, dat belooft hij. Ik zei dat hij oneerlijk was en dat hij het niet kon waarmaken want op het einde der tijden kan je niet even de trein of het vliegtuig nemen om naar je geliefde te gaan. Dat wisten we nu allemaal. Zij dacht dat hij toch wel oprecht was. Het was symbolisch, hij legde zijn gevoelens op tafel.

Die nacht droomde ik van een teddybeer die in een diepblauwe zee aan het zwemmen was, maar hij had het moeilijk, hij spartelde met zijn stompe poten in het water. Ik vond het een akelige droom, of wat ik me ervan herinnerde toch. Ze belde me op en vroeg me wat ik aan het doen was. Ik vertelde eerst mijn droom, zei daarna dat ik iets moest vertellen.

Wacht even, zei ze.

Waarom?

Zonk die teddybeer? Wilde ze weten.

Ik wist niet zeker of ik hem had zien zinken. Je kan je dromen niet precies terughalen, het is meer een zwerm van beelden zonder een keurige opeenvolging.

Ja, zei ik, de teddybeer zonk terwijl hij aan het zwemmen was, omdat hij zoveel water opgezogen had dat hij te zwaar werd, een teddybeer wordt in het water een spons, hij geraakte niet meer vooruit.

Jij geeft het veel te snel op, zei ze.

Ik ben die teddybeer niet hoor, zei ik.

Dat weet ik ook wel, zei ze, maar je moet het gewoon niet zo snel opgeven. En even later: Spijtig dat de wereld niet eindigt.

Heel spijtig, zei ik, als een echo. Dan zou ik langs­komen hoor, zei ik toen maar.

Zou je dan blijven slapen? Vroeg ze. Zou je?

Wanneer?

Als de wereld eindigde.

Ja maar, wacht eens, zei ik, als de wereld op zijn eindpunt is, dan bestaan dag en nacht niet meer.

Jawel, zei ze, dan zou het de allerlaatste nacht van de wereld zijn.

Maar kan je die dan nog onderscheiden van de dag?

Ja natuurlijk, zei ze, welke idioot zou het anders een nacht noemen?

En zo gingen we weer verder en we verloren ons in een wervelwind van zinnen die heen en weer gingen en zo vertelde ze me weer wat we die nacht zouden doen en vertelde ik haar weer wat ik met haar zou doen. Ik had het nodig om haar te missen. Als je ­iemand mist, verlang je op de toppen van je tenen en je kan er net niet aan. Je verlangen blijft ongeschonden.

Ze kwam me ophalen in de luchthaven. We vielen elkaar in de armen. Ik zei geen woord, ik zei niet dat dit geen zin had. Daar was het te vroeg voor. Ik hield haar vast terwijl zij maar bleef zeggen hoe raar het was om elkaar weer te zien. Ze kon het niet geloven, dat we elkaar terugzagen, dat dit echt was. Ze smakte met haar lippen. Ze voelde zo zacht. Ik wist weer hoe dun en breekbaar ze was, mijn handen ontdekten het opnieuw. We bleven verstrengeld staan. Nu begon het. Van dit lichaam begon ik afscheid te nemen. Ze bleef zeggen dat het ongelofelijk was. Opeens had ik het gevoel dat ik iets vergeten was. In een droom kan je het onbehaaglijke gevoel hebben dat er iets aan de hand is maar je weet niet wat, tot je omlaag kijkt en merkt dat je volledig naakt bent. Maar ik was niet naakt, ik liep niet in een droom rond en ik was niets vergeten. Ik stond in de inkomhal van de luchthaven.

Het was een heel gedoe om uit de parking te geraken. De machine aanvaardde de parkeerkaart niet. We moesten de auto weer parkeren en op zoek gaan naar een andere betaalautomaat. Toen we die gevonden hadden, bleek die buiten werking te zijn. Het liep tegen het middaguur en het begon erg warm te worden. Meteen foeterde ze op haar landgenoten, die maakten overal een zootje van. Ik vroeg me af of we ooit nog uit de parking zouden geraken.

Er liep een man langs. Hij zei dat we zijn wagen konden volgen, de slagboom zou open blijven. In haar gele autootje reden we achter de man aan. We slaagden erin mee onder de slagboom door te rijden zonder dat haar autootje in twee gehakt werd.

‘Tot nooit meer,’ riep ze achter zich toen we de parking uitreden en de luchthaven achter ons lieten en ze smakte weer met haar lippen. Ze was heel vrolijk, ze taterde aan één stuk door over wat we allemaal zouden doen en wat we zouden zien en vooral wat we met elkaar zouden doen en ze zette haar gele autootje langs de kant van de weg om zeker te weten dat ik er echt was en haar lijfje kneep me bijna plat. Nu kan ik het niet zeggen, dacht ik.

Op de overzetboot naar het kleine eiland was bijna niemand. Ik voelde me opeens uitgeput. We gingen bij het raam zitten en kropen dicht tegen elkaar aan. Ik wist weer dat ik dit vergeten was, dat dit de reden van mijn bezoek was, zo eenvoudig, om samen op een overzetboot te zitten die over het blauwe water ging en dat we nu tijd hadden om samen moe te zijn. Daarna zou ik zeggen dat het geen zin had en haar bedanken en zeggen dat ze goed voor zichzelf moest zorgen.

‘Kom hier,’ zei ze. Ik was zo uitgeput dat ik me over de stoelen uitstrekte en mijn hoofd in haar schoot legde. Ze streelde mijn haren en ik viel in slaap, ik droomde dat ik een octopus was of een ander dier met veel armen en poten onder water. Toen ik ontwaakte, toonde ze me een foto van mijn slapende gezicht. Ik schrok er erg van. Er was iets vreemds aan de hand. Mijn jaren en rimpels waren volledig verdwenen. Ik zag eruit als een kind. Het kind herkende ik als mezelf op een van de zeldzame foto’s uit mijn kindertijd, achter een taart met een kaars in de vorm van een acht.

‘Dag boot,’ zei ze toen we met onze tassen van de loopbrug stapten en ze smakte met haar lippen. Ze gaf de boot een luchtkusje en nam mijn hand. We wandelden langs een terras. Ze ging naar een tafeltje, nam plaats en bestelde twee gin-tonics.

Online had ik gelezen dat Odysseus een jaar op dit eiland was gebleven tijdens zijn tien jaar durende omzwervingen, toen hij na de Trojaanse oorlog naar huis wilde terugkeren. Een zekere Circe had hem betoverd en een jaar voor zich gehouden op dit ­eiland.

‘Hoe kan je nu tien jaar lang verdwalen?’ Zei ik. ‘Die Odysseus had gewoon geen zin om na de oorlog terug naar huis te gaan.’

‘Dat kan toch, verdwalen omdat je de weg niet meer terug weet.’ Ze slurpte het smeltende ijs in haar glas op.

‘Wie weet is hij hier nog,’ zei ik.

‘Daar zit hij,’ zei ze en ze wees naar een oud mannetje op een stoel verderop. Bewegingsloos als een reptiel zat hij daar, spleetoogjes in de zon. We hadden snel gedronken en bestelden nog een drankje. Ik at de amandelen, zij at de olijven. Ik zei dat olijven enkel bedoeld waren om olie uit te persen. Zij bleef volhouden dat ik olijven kon leren eten maar zelf wilde ze geen amandel in haar mond steken. De glazen zweetten.

‘Er zijn zoveel verschillen tussen ons,’ zei ik. Dit was de ideale aanzet voor het gesprek.

‘Mooi he,’ glunderde ze, ‘zo geraken we nooit uitgepraat.’

Ik zweeg. Ik holde er steeds achteraan, achter de momenten, ik bleef maar te laat komen.

We gingen naar het enige restaurant van het eiland, een verzameling tafels en stoelen buiten. De dienster, een oudere vrouw, begroette haar allerhartelijkst en wilde haar in de armen vallen, leek het wel. Er was geen menu. Iedere dag ging een man uit vissen en bezorgde het restaurant de vangst van de dag, vertelde de vrouw. De man woonde op een verlaten eilandje in de buurt, soms sprong hij zelf in het water om schaalvruchten op te duiken. We aten de vis en dronken de wijn die de vrouw ons bracht. Ze vergat een van ons te laten voorproeven en herpakte zich.

‘Het is de eerste dag,’ zei ze, ‘alles voelt nieuw.’ Het was de eerste dag dat de zaken weer open waren en de deuren van de wereld op een kier stonden. Toen ze naar de keuken ging, zag ik dat haar voeten eeltig en gegroefd waren, het leken haast hoeven. Ze stond vast al jaren hele dagen recht en dat eiste zijn tol.

Ik wil je, fluisterde het meisje dat nog heel even mijn geliefde zou zijn. Het was te idioot om te antwoorden: ‘en ik jou’ maar ik wilde haar, boven alle twijfel verheven wilde ik haar. Onze lichamen hadden meer dan zin.

Het eiland telde één straat en die leidde naar het huis met de kamer die ze voor ons had gehuurd. We zouden er twee nachten slapen. De sleutel zat in een bloempot voor de deur. Dat was overal ter wereld zo. Je kon je afvragen waarom mensen niet gewoon de sleutel op de deur lieten, zeker op een nagenoeg verlaten plek als deze, aan het einde van de wereld.

We stapten de bloedhete kamer binnen, lieten onze tassen vallen. Zij gooide de ramen open en duwde mij op het bed. De nacht kwam eraan en toch was het nog steeds meer dan dertig graden. Mijn hele kindertijd was ik binnenskamers gehouden zodra de temperaturen buiten boven de eenentwintig graden gingen. Nooit had de hitte mijn kinderlichaam bereikt. Mijn volwassen lichaam was er niet tegen bestand. Mijn gedachten zakten weg in een warme zee.

Ik wilde wakker blijven om dan later samen met haar in slaap te vallen, maar mijn lichaam begon aan een eigen reis. Ik was me nog bewust van alles in de kamer maar ik kon er niet meer op reageren. Mijn handen zwollen op en hingen als twee opblaasbare roeispanen naast mijn lichaam. Mijn benen zouden me nooit meer kunnen dragen. Mijn lichaam was een logge berg zandzakjes. Aan de binnenkant was ik gevuld met zwaar, heet zand.

Ze nam mijn hand en zei dat ik dikke vingers had. Ze kuste mijn vingers een na een en legde mijn hand naast mijn lichaam, alsof ze even afscheid nam. Ze wilde snel even douchen, ze zei dat ze stonk.

Algauw stond ze weer aan het bed. In het badkamertje kwam een geluid uit de buizen, vertelde ze opgewonden, ze wist niet wat het was maar het klonk niet normaal. Alsof er een beest in vast zat. Misschien moesten we het bevrijden. Of het dieper wegduwen door de buizen. Ik zei dat we later zouden kijken. Ik wist niets van loodgieterij of buizen of geluiden die uit buizen kwamen en bovendien was het ons probleem niet want we huurden de kamer maar voor twee nachten.

‘Dag badkamer’, zei ze en ze kauwde op lucht en trok de badkamerdeur dicht. Ze kwam naast me liggen en haar lichaam wekte het mijne. Het was vier maanden geleden maar we wisten precies wat we deden, we hadden er elkaar oeverloos over geschreven. We wisten van elkaar wat we wilden, haar kleine lichaam en het mijne, welke rollen we speelden, zij gaf zich volledig over. Dit was geen moment om iets te zeggen dat niet binnen mijn rol paste, ik veroverde haar, zo hoorde het. De laatste keer. De dag had al afscheid genomen.

Na het vrijen lagen we nog lang in elkaars armen in het donker, we dreven samen weg in de hitte en kropen geleidelijk elk naar een kant van het bed. De ramen stonden open maar de muggen bleven buiten en de nachtdieren vergaderden ergens ver weg. Mijn slaap was diep en zacht. Banale zorgen die me thuis wakker konden houden, bestonden hier niet.

Middenin de nacht schrok ik wakker. Ik hoorde een geluid, alsof iemand door een buis riep. Ik keek naast me in het bed. Zij lag te slapen. Het geroep duurde nog even en dan viel de zoemende stilte weer in. Het lag vast aan de hitte. Die deed je dingen waarnemen die er niet waren, je zag luchtspiegelingen in de verte, en hoorde echo’s in de stilte. Ik beeldde me gewoon in dat ik iets hoorde. De ochtend kwam er aan. Ik kon maar beter zwijgen, ik mocht haar nu niet meer belasten met de waan van mijn nacht.

Die dag huurden we een motorboot. Het was de eerste dag dat het zaakje voor bootverhuur open was. Ze hadden twee melkwitte motorboten, dat was alles. Onze boot was splinternieuw. Zij wist hoe je een motorboot bestuurde, had dat al op haar zesde geleerd. Ze stond overeind in het bootje om beter de verborgen obstakels in het water te kunnen zien die ons bootje onherroepelijk zouden beschadigen. De rotsen onder het wateroppervlak kleurden het water bruin of zwart. Ze wilde naar een afgelegen eiland varen. Dat leek me een goede plek voor een gesprek. Haar tengere lichaam zette zich schrap toen ik dat zei. Ze trok op. We sneden door de golven. Ik moest me vastklampen om niet overboord te slingeren. Ze scheen het niet te merken of ze deed het met opzet. In elk geval dreef ze de snelheid nog wat op. Misschien hoorde het er gewoon bij, bij een motorboot op een verlaten zee.

Na meer dan een uur – ik had de tijd niet bij me, de uren en minuten waren weg dus het kan ook veel langer geweest zijn – legde ze onverwacht de motor stil. Ik was helemaal dooreen geschud en wankel. In de wijde omtrek was er niets of niemand te zien. Geen mens op het water, geen dier in de lucht en geen land aan de horizon. Ik zag alleen de mist rond het eiland waar we sliepen, heel ver weg.

‘Hier is het,’ zei ze. Zij nam mijn hand, alsof zij ergens steun zocht, en ze wees. Iets verder zag ik toen het topje van een rots met twee grote gaten boven het water uit steken, alsof een watermonster even boven de zeespiegel kwam uitkijken. Die rots daar was het topje van een heel stelsel van onderwatergrotten, vertelde ze.

Ze vroeg me of ik het anker wilde uitgooien. Dat had ik nog nooit gedaan. Ze toonde me hoe je het ijzeren anker uit de tip van de boot lichtte en het rustig neerliet tot het de bodem van de zee raakte.

Opeens wist ik het weer, wat ik vergeten was. De vorm van de rots in het midden van het water, de kleur van de bodem. Alles klopte precies. Ik schaam me ervoor om het neer te schrijven want het lijkt nergens op te slaan, maar ik kende deze plek. Ik was hier al geweest. In mijn droom, met de teddybeer. Ik wist het heel zeker, het klopte helemaal. Betekende dit nu dat ik in mijn droom al voorop was gelopen en dat dit de plek zou worden waar we uit elkaar zouden gaan? Daar leek het wel op. Of misschien wilde ik het gewoon heel graag.

Ondertussen vertelde zij. Alsof ze bang was dat er een stilte zou vallen. Ze vertelde hoe verbaasd ze was geweest toen ze als kind op deze plek haar vader in zijn duikers­pak van het bootje zag springen en zag verdwijnen onder water. In de pauze tussen deze twee zinnen stopte mijn hart een tel. Het was de eerste keer dat ze iets over hem vertelde. Haar vader, ging ze verder, was een man die kookte en de was ophing. Een heel zachte man die zoveel rust nodig had dat hij niet kon werken. Dat konden zijn zenuwen niet aan. Ze had nooit een waaghals in hem gezien. Die dag was hij onder water verdwenen in zijn duikerspak. Ze was heel lang blijven wachten. Ze dacht dat hij aan het rusten was, waar hij ook was, onder water of aan de kant. Uiteindelijk hadden de volwassenen haar gevonden in het bootje en meegenomen naar het vasteland. Ze was een meisje van acht jaar.

‘Ik ben blij dat ik je dit verteld heb,’ zei ze. Voor ik kon antwoorden of zelfs maar kon schrikken, zette ze zich af op de rand van het bootje en sprong in het water.

Zij was in het diepblauwe water gedoken alsof ze heel goed wist waar ze heen wilde. Een duikerspak had ze niet aan, enkel een bikini. Ik had geen idee wat er ging gebeuren. Ik wist niet hoe ik het bootje kon besturen, ik had niet opgelet toen ze me toonde hoe je de motor aanzette of de snelheid opdreef. Ik zag haar niet. Haar lichaam lag in het water, omringd door zee-egels en kwallen en andere gevaarlijke beesten.

Ik zat nog steeds op het bootje, de zon stond allang niet meer op haar hoogste punt. Ik zat daar volstrekt nutteloos te zijn. Er was geen andere mogelijkheid, ik moest iets ondernemen. Ik sprong in het water en werd onverwacht hard aangetikt door de koude. Ik zwom en maakte grote armbewegingen om het snel warm te krijgen. Ik was me heel bewust van al dat water onder mij, van zoveel vissen en andere wezens die daar ook zwommen. Ik voelde dat ik nu een deel van hen was, een deel van het gevaar. Ook zij zwom hier ergens, maar ik zag haar niet. Ik kwam amper vooruit. Mijn armen waren zwaar, ze voelden als dikke stompen die me nauwelijks van dienst ­waren.

Even dacht ik eraan om op te geven. Tegen al dat donkere water had ik geen enkel verweer. Ik voelde me neergaan, alsof mijn lichaam met zand en angst verzwaard was en nog maar één richting uit kon gaan: omlaag. De bodem riep donker onder mij. Ik dacht aan de grot en de onderwater­stromingen die me in een kolk konden trekken. Dan was het voor altijd gedaan. Die gedachte volstond om alles om te gooien. Ik duwde mijn hoofd naar boven, mijn lichaam schoot omhoog en boven het wateroppervlak spatte de luchtbel in mijn lichaam open. Ik snakte naar adem, ik leefde. Ik bleef zwemmen, met de zuigende bodem onder mij, met het donker en de monsters. Ik hoorde geroep, als door een buis. Ik verbood mezelf om te kijken want alles was wazig en jaagde me angst aan en zoog de kracht uit mij. Er zat niets anders op, ik moest mijn ogen sluiten en zwemmen.

Hoe sneller ik zwom, hoe beter ik het verstond. Een stem probeerde te roepen en waarschuwde voor de kwade kwallen en andere giftige waterdieren links en rechts. Ik was tegen mezelf aan het praten, onder water, ik hoorde de stem in mezelf maar ik zag de kwallen wel echt. De stem stelde me gerust. Met veel moeite zwom ik tot bij de rots vol gaten, waar ik uiteindelijk op klauterde, verkrampt, bang om te vallen. Ik hoopte dat zij er al lang zou zitten, vrolijk wachtend.

De rots was veel groter dan ik had ingeschat vanuit het bootje. Ze was er niet. Had ze me meegenomen op deze trip met als enige bedoeling de reis van haar vader over te doen? Ik besefte dat het mogelijk was. Maar waarom had ze mij daarvoor nodig? Waarom sleurde ze me mee in haar verleden en haar nachtmerries? Ik was doodongerust, ik vervloekte haar, ik was razend om het verhaal waar we samen in terecht gekomen waren. Hier zat ik, verstrikt in haar geschiedenis terwijl ik net van haar weg had willen gaan, ik zat op de top van een onderwatergrot, te wachten op een meisje dat verdronken kon zijn. Misschien geraakte ik er nooit meer uit en zou ik gedoemd zijn om hier eeuwig op haar te wachten. Mijn gedachten sloegen op hol.

En daar kwam ze boven water, met rustige slagen. Doodkalm plaatste ze haar voeten op de puntige rots en trok zich op. Ze kwam naast me zitten. Ik slikte en slikte en kon haar niet aankijken. We zeiden niets, we zaten naast elkaar, ongemakkelijk op onze hurken op een rots die geen enkel plekje had waar je comfortabel kon zitten. We slikten allebei heel luid. Misschien voelde ze net zo’n razernij als ik door haar lichaam stromen. Ik wilde spreken maar wist dat er alleen maar verkeerde woorden zouden uitkomen, dat de drang te groot was. We lieten onze lichamen opdrogen in de zon en beten op onze lip.

Zij sprak als eerste.

‘Dag mooie rots,’ zei ze en ze hapte als een vis en dook weer in het water. Ik sprong ook, zwom achter haar aan. Ze draaide zich regelmatig om en riep iets, ik verstond haar niet maar het maakte niets uit. Zolang we bij elkaar in de buurt zwommen, kwam het goed. Het bootje was een eind afgedreven, maar was aan de leiband van het anker gebleven. Ze zwom vastberaden en sierlijk. Alsof het haar geen enkele moeite kostte. Ze deed me vergeten dat ik geen goede zwemmer was. Het bootje lag in de zon te wachten op ons. Ik voelde een diepe ontroering toen ik achter haar aan op de aluminium trap klom. Onder ons zwommen de grote en kleine zeemonsters verder.

Zolang de voorraad strekt krijgt u bij aankoop van 25 euro aan literatuur bij een Onafhankelijke Boekhandel gratis de novelle In de rij voor de nachtboot van Saskia de Coster.

null Beeld RV
Beeld RV
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234