Dinsdag 25/06/2019

Boeken

Vier eeuwen porno en erotiek

Uit 'Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden', Uitgeverij Van Oorschot. Beeld RV

De verschijning van Onder de toonbank, over vier eeuwen porno en erotiek in Nederland, voelt bijna als de afsluiting van een tijdperk. Want een boek als dit komt niet meer zomaar in de boekhandel te liggen. Ter opwarming leidt auteur Onno Blom u door de erotiek in de laaglandse letteren.

Seks in de literatuur is zo oud als de weg naar Rome. Sterker nog: de weg naar Rome was zelf ook al geplaveid met seks. Langs de kant van de Via Appia, zo las ik in het boek van Fik Meijer over ‘de koningin der wegen’, wezen in steen uitgehouwen gladiatoren met hun fallus de weg naar de bordelen. In een van zijn satiren beschreef Horatius hoe hij in een herberg langs de weg vergeefs wachtte op een hoertje dat niet kwam opdagen, zodat de dichter vol onvervuld verlangen in slaap viel.

Seks staat aan de oorsprong van de mens, het gebeurt – dus het komt voor in de literatuur. Van zachtmoedige verliefde verkenningen die aan het papier zijn toevertrouwd, tot het harde rechttoe rechtaan werk, in expliciete, hamerende zinnen opgetekend. Dat wordt al snel beschouwd als pornografie. ‘Ze kan iedereen op zijn wenken bedienen’, schreef Gerrit Komrij in Pinocchio in Sadoland, ‘de hitsige hijger en de voyeuristische speurneus, ze kan elk gevoel oproepen, de solidariteit met de apen en, niet te vergeten, de grondeloze slaap van de verveling. Het is met pornografie als met alle andere literatuur, er is goeie en er is slechte. Haar boom heeft rotte en edele loten.’

Schatkamer

Waar houdt erotiek op en begint pornografie? Dat is de vraag. ‘Mutatis mutandis is pornografie in wezen geen literair maar een juridies begrip’, stelde Gerard Reve terecht. ‘Welk boek, welk kunstwerk wordt niet gemaakt om de zinnen te prikkelen? Bedoeld is hier kennelijk de seksuele prikkeling.’

Wat we wél kunnen vaststellen, is dat de wijze waarop schrijvers de zinnen van hun lezers hebben willen prikkelen, in de loop van de geschiedenis zeer verschillend is beoordeeld. Expliciete seksuele verbeelding was eeuwenlang simpelweg bij wet verboden, dus moest erotische literatuur onder de toonbank worden aangeschaft of langs illegale weg verkregen. Iets wat natuurlijk niet alleen neerdrukkend werkte: geheim en zonde vergroten het genot.

De Nederlandse literatuur bevat een schatkamer aan sensuele passages, maar je moet er in vorige eeuwen wel verdomd goed naar zoeken. Broeierige suggesties, zoals bij Couperus, werden in het fin de siècle van de 19de eeuw als schokkend ervaren. Soms nam Couperus noodgedwongen zijn toevlucht tot het zetten van wel heel veel puntjes, waarvan hij sowieso een fervente gebruiker was.

Lodewijk van Deyssel wist maar al te goed dat het dagboek waarin hij beschreef hoe hij zijn verslaving aan onanie probeerde te bedwingen – hij ontwierp daartoe, zo noteerde hij, zelfs een klein apparaatje – niet voor ieders ogen geschikt was. Toch durfde Van Deyssel het aan om Mathilde, zijn heldin in de roman Een liefde (1887), bevend van genot te laten klaarkomen. ‘Haar beenen krompen samen omhoog, haar buik huiverde terug. Haar schrikkende handen grepen naar haar geslachtsdeel. Het slijm sapte uit haar openzijgenden mond, heete trillingen ijlden in haar achterhoofd, haar geslachtsdeel spoog zijn wellustvocht in het stijve stugge hemd.’

Kabaal

Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw slaagden schrijvers erin zich, na de bevrijding van de Duitse bezetter, ook seksueel te bevrijden van de benepen moraal in het kleinburgerlijke vaderland. Ook dat ging niet vanzelf. ‘Iedereen zei: dat is pornografie’, zei W.F. Hermans in een interview, toen hem werd gevraagd naar de reacties op De tranen der acacia’s, zijn roman uit 1949. ‘Het is nauwelijks meer voor te stellen wat voor een kabaal daar over geweest is.’

Hoewel de reacties op Hermans’ roman veel positiever waren geweest dan de schrijver achteraf deed voorkomen, is het waar dat zijn imago als smerige auteur het hem lastig maakte om een uitgever voor zijn boek te vinden. Eerlijk is eerlijk: Hermans had het er ook wel een beetje naar gemaakt. Op 13 november 1946 schreef hij aan Charles Timmer, redacteur bij De Bezige Bij, over De tranen der acacia’s: ‘Er wordt veel in gescholden, vooral veel in gedronken en geneukt en een enkele keer gemoord, terwijl het occulte niet tekort wordt gedaan. Enfin, ik las vanmiddag juist in een artikel van Henry Miller dat pornografie en occulte boeken het meest verkocht worden, dus wat dat betreft maak ik een goede kans.’

Uit 'Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden', Uitgeverij Van Oorschot. Beeld Vier eeuwen porno in Nederland

Nadat de voorpublicatie van een aantal hoofdstukken van de roman in het tijdschrift Criterium heftige reacties had opgeroepen en lezers en masse hun abonnement opzegden, wilden uitgevers hun handen niet aan Hermans branden. Meulenhoff weigerde De tranen uit te geven, De Bezige Bij ook – vooral met het oog op de katholieke boekhandelaar, toen bleek dat Hermans er niet over piekerde de ‘hete passages’ van zijn boek te kuisen. Van Oorschot durfde de uitgave uiteindelijk aan, nadat hij eerder voor de eer had bedankt.

Inmiddels stralen de gewraakte ‘pornografische’ passages vooral de tragiek van de held uit, en de illusieloosheid die van meet af aan heeft geheerst in Hermans’ sadistisch universum: ‘Zij lagen enige minuten doodstil. Hij had het gevoel of zij een dik pak kranten was; zij stond hem tegen als een bord oudbakken eten. Met haar vinger gaf zij zijn slappe lid gedurig kleine tikjes. ‘Schei uit’, zei hij. Tot zijn verbazing werd zij niet boos, maar bleef geduldig. Er scheen haar maar aan één ding iets gelegen te zijn: eindelijk weer eens flink gefoold te worden.’

De avonden

Was dat nu alles? Het nieuwe proza van de jonge naoorlogse schrijvers was destijds een revelatie – mede vanwege de vorm en stijl – maar achteraf bezien nog zeer bedekt. Zo bevatte De avonden van Gerard Reve weliswaar al wat homo-erotische en sadistische verlangens, maar ze scheren nog vlak onder de oppervlakte. Reves alter ego Frits van Egters daagt zijn vriend Maurits Duivenis uit om zijn geheime verlangens uit te spreken: “Ik zou graag jongetjes in het bos wurgen’, zei Maurits langzaam, ‘heel eenvoudig.’ ‘Dat is flauw’, zei Frits, ‘weinig oorspronkelijk. Bovendien pervers.’ Hij schoot in de lach. ‘Ken je die van die man bij de psychiater? Die kwam op spreekuur en zegt: dokter, ik ben verliefd op een paard. Is het een merrie of een hengst? vraagt de dokter. Hij zegt: dokter, u denkt toch niet dat ik abnormaal ben?’ Maurits lachte niet.’

Na de opzienbarende literaire coming-out van Reve in zijn Brief uit Edinburgh in 1962 – ‘dat ik mij tot het uiterste zal verzetten tegen elke poging om de auteur zijn onderwerp voor te schrijven en dat ik mij, als homoseksueel, zeker nooit door iemand zal laten verbieden homoseksualiteit tot onderwerp van mijn werk te kiezen’ – groeide zijn werk in de decennia daarna uit tot één lange, exuberant verwoorde, even hilarische als hopeloze zoektocht naar jongens. Daar kon Couperus, stevig opgesloten in de kast, nog een van zijn vele puntjes aan zuigen.

Knalrood

In de sixties gingen de sluizen in de literatuur wijd open – en stroomde Gods water over Gods akkers. In 1964 verscheen Ik Jan Cremer, waarin de hoofdpersoon, type ruwe bolster blanke pit, rechtuit verslag doet van zijn erotische schelmenstreken. De jonge Cremer kijkt zijn ogen uit en komt woorden tekort in zijn beschrijvingen van vrouwen, hun benen, billen en – vooral – hun borsten: ‘Als ze haar b.h. losknoopte golfde het roze vlees eruit. Ze had borsten als vulkanen, ze hingen tot haar navel. Wat een vleesmassa! Haar tepels waren knalrood: al haar bloed vloeide in die punten die ook weer vulkanen werden.’

Uit de expo 'Porno op papier. Taboe en tolerantie door de eeuwen heen', Museum Meermanno, Den Haag. Beeld Vier eeuwen porno in Nederland

Vijf jaar na Jan Cremer, in het jaar van de maanlanding, 1969, zette ook Jan Wolkers een ‘giant step for mankind’ met de publicatie van Turks fruit. Wolkers had toen al ruime ervaring met geschokte lezers. Zijn proza was met name door de gereformeerden, het vermaledijde volksdeel waar hij zelf uit voortkwam, met afgrijzen begroet. Toen Wolkers in 1963 zijn verhaal ‘Kunstfruit’ voorlas, eerst in Leiden, daarna in Bergen, liep een groot deel van de zaal leeg. ‘Wat een verrukkelijk stuk leven. Toen ik haar strakke rok omhoog had getrokken en over haar schouder in de spiegel keek naar het ronde weke vlees dat tussen de bovenrand van haar kousen en haar jarretelgordel uit mijn omhelzing naar voren puilde. Eerst met haar naar bed, dacht ik, eerst met haar slapen en dan praten. Wat in het vlees begonnen wordt, wordt in de geest volbracht.’

Verbazingwekkend genoeg was Willem Bloemena, Wolkers’ eigen uitgever bij J.M. Meulenhoff, er de oorzaak van dat het typoscript van Turks fruit even op de plank was blijven liggen. Bloemena was zich rot geschrokken van de spijkerharde seksscènes en vreesde dat de verkoop daardoor ernstig zou worden belemmerd. ‘Hij vindt sommige dingen te erg’, zei Wolkers woedend, ‘maar bij mij wordt niets geschrapt. Ik accepteer geen censuur. Wat ik eenmaal geschreven heb, blijft op papier. Over mijn lijk verdomme.’

En zo geschiedde. Tegen de wil van Bloemena opende Turks fruit met een scène waarin de held van het verhaal zich ligt af te rukken met een stapeltje naaktfoto’s van Olga, de geliefde die hem had verlaten. Zijn verdriet probeerde Wolkers’ alter ego te dempen door met zo veel mogelijk meisjes naar bed te gaan: ‘Ik naaide de ene meid na de andere. Ik sleepte ze naar mijn hol en rukte ze de kleren van het lijf en ramde me een ongeluk. Dan werkte ik ze de deur uit na een haastig glas drank. Soms drie op een dag. Grote tieten, hangend als zakken brij met spenen om aan te zuigen. Kleine verschrompelde tietjes, te zielig om te strelen. Dan maar het truitje aanhouden. Bossen schaamhaar, ruw als zeegras, zacht als bont. Droge kutten met wratten van binnen. Naar aan je vingers maar lekker voor je lul.’

De boeken van Cremer en Wolkers hebben er onmiskenbaar voor gezorgd dat het schrijven over seksualiteit vrijer en vanzelfsprekender is geworden. Zij hebben taboes doorbroken waar uitgevers en lezers niet eens hun wenkbrauwen meer van optrekken. In de jaren 70 en 80, laat staan in de afgelopen decennia, leidden expliciete scènes dan ook nauwelijks meer tot relletjes. Sommigen vonden ze nog altijd in strijd met de goede smaak, maar tot opstand onder de horden leidden ze niet meer.

Toch wil dat niet zeggen dat er geen vurige seksscènes meer werden geschreven. Integendeel, het is evident dat zij zich hebben laten inspireren door hun viriele voorgangers uit binnen- en buitenland. De buitenvrouw van Joost Zwagerman zou niet geschreven zijn zonder de overspelige Rabbit-romans van John Updike, in het werk van Ronald Giphart lopen de sporen van Jan Wolkers en de romans van Herman Brusselmans zitten vol knipogen naar het werk van Reve en Cremer. In Brusselmans’ roman Vergeef me de liefde, waarin de held er gewoontegetrouw flink reviaans op los ouwehoert, scheldt en neukt, staat een foto van twee ‘enorme prammen’, als ware het een eerbetoon aan de galerij van tietenfoto’s die Cremer opnam in Made in USA.

Niet rauw meer

Dat is wel opvallend: bij bijna alle schrijvers na de jaren zestig voel je de literaire traditie meedeinen. Het is alsof de seksscènes niet rauw meer kunnen zijn – wat hebben de schrijvers immers nog te overwinnen op de bekrompen milieus waaruit zij voortkomen – maar altijd tongue in cheek. In veel recent proza zijn scabreuze passages pastiche en porno inéén.

Dat was al het geval in Mieke Maaike’s obscene jeugd van Louis Paul Boon, gepubliceerd in 1972. De Vlaamse schrijver, genoemd als Nobelprijskandidaat en verguisd als ‘viezentist’, tekende hierin de seksavonturen van een minderjarig meisje op. Zo kruipt Maaike boven op een vader en dwingt zijn zoontje, niet toevallig de kleine Johannes geheten, toe te kijken. Verlangend fluistert ze het jongetje toe: ‘Je Johannesje mot me nu me stronthol likken, want dat heb ik nou es graag, dat me holletje wordt uitgelikt terwijl ik lekker op een lul zit. Dan ga ik zo héét worden, dat je niets anders meer hoeft te doen dan me mooi vol te schieten.’

Uit 'Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden', Uitgeverij Van Oorschot. Beeld Vier eeuwen porno in Nederland

Maar daar liet Boontje het niet bij. Hij liet de obscene jeugd van Mieke Maaike voorafgaan door het proefschrift van student Steivekleut, die op aandringen van zijn professor een wetenschappelijke verhandeling schreef ‘omtrent en in het kutodelisch verschijnsel bij aankomende kind-wijfjes’. Het werkelijke verhaal begint pas op ‘vagina zeuven’.

Het is geen toeval dat juist aan Ilja Leonard Pfeijffer werd gevraagd de nieuwste editie van het pornografische prachtwerk van L.P. Boon in te leiden, want ook Pfeijffer ontpopte zich als liefhebber. In zijn Brieven uit Genua nam Pfeijffer met naam en toenaam (en zelfs een telefoonnummer) uitgebreid afscheid van de vrouwen die hij in zijn studententijd in Leiden had bereden en bezeten.

En in zijn roman Het grote baggerboek liet hij zijn hoofdpersoon spreken in een geheel eigen baggerbrabbeltaal, waarin je wordt meegetrokken in een modderstroom van perversiteiten: ‘Maar dat waren verdullemikkie wel dagen bij de Koninklijke, krijg nou tieten. We liepen daar de godganse etgemalen met onze pikkemansen uit de broek te steigeren en deze jongen toevallig nog wel een beetje krapper als het zooitje als je begrijp wat ik bedoelt. Dus. Er was toen dat liedje van start spreading your legs I’m coming tonight. En wij zingen. En ook die van berenlul berenlul geef me nog wat berenspul. Ook zingen natuurlijk. En dan die kleine van Vianen met het kreeptouw aan de verbulstang met z’n hele adamskostuumpje op de enkels en z’n lilliputpikkie in de drevelolie, krijgt die aap een stijve erectie van hiero tot Tokyo-centrum, het moederneukende kefferbeffertje. En wij d’r omheen van berenlul berenlul geef me nog wat berenspul. Vat je hem?’

P. voor Penis

Parodie en pastiche hebben ook P.F. Thomése – ‘P. voor Penis en F. voor Fuck’ – in een ijzeren greep in zijn J. Kessels-trilogie, waarvan zeer onlangs het derde deel, Ik, J. Kessels verscheen. Omdat Thomése de banale onderwerpen niet aan banale schrijvers wil overlaten, stortte hij zich vol overgave en met gebruik van alle stilistische middelen op het schrijven van de avonturen van twee vrienden. In deel één gaan J. Kessels en zijn vriend P.F. boerend en ruftend in een tweedehands ‘meurbak’ over Hitlers snelwegen in Duitsland op zoek naar de verdwenen ‘hete frituurspetter’ uit de Cafetaria van Vroeger: BBtje o dubbel sneetje.

Uit 'Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden', Uitgeverij Van Oorschot. Beeld Vier eeuwen porno in Nederland

Het brengt de vrienden onder andere in een voetbalstadion met een apart vak voor hoeren. ‘Ich heisse Sabine’, fluistert een meisje in het oor van de ik-figuur. ‘Ze deed ook iets met haar tong wat een beetje kriebelde. ‘Und du?’ ‘P.F. Thomése’, zei ik, ‘Ich bin der Autor dieser Scheisse’, wilde ik er kordaat aan toevoegen, maar ik had niet het idee dat zij in literatuur geïnteresseerd was.’

Onze beste schrijvers schrijven seksscènes op het scherpst van de snede. Arnon Grunberg, ook een bewoner van het sadistisch universum, is een meester in het schetsen van pijn, ongemak en gêne. Niet voor niets heten zijn verzamelde jeugdbrieven, vol hopeloze pogingen om vrouwen aan zich te binden, Aan nederlagen geen gebrek. A.F.Th. van der Heijden tovert je in barokke zinnen ‘cunnilingus ad absurdum’ voor ogen. In het bibliofiel verschenen Kastanje a/d Zee - De Tandeloze Tijd deel 7 helpt de gehavende Marike de held van de cyclus, Albert Egberts, van diens mannelijke onmacht af. Voorwaar opwekkende lectuur.

Lul de bladwijzer

Ik haast me, in deze tijd van #MeToo, te benadrukken dat het niet alleen oude, witte mannen zijn die zich schuldig maken aan prikkelproza waar de stoom vanaf slaat. Ook Mensje van Keulen, Anne Vegter, Manon Uphoff, Saskia de Coster en Annelies Verbeke weten van wanten – lees er de baksteendikke bloemlezing De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen, samengesteld door Elsbeth Etty, maar op na.

Het ontbreken van veel vrouwelijke schrijvers uit vervlogen tijden in de erotische canon kan worden verklaard door hun sociale positie. Niet, vergeeft u mij de kwinkslag, in hun vaardigheid om stevig een pen vast te houden. Des te komischer is het dat Kees 't Hart in zijn roman Ter navolging Betje Wolff en Aagje Deken, die in 1782 samen De historie van Sara Burgerhart schreven, in het geheim pornografische geschriften laat produceren met zinnen als: 'Ay lief kind zei hy, wat ben je glad van onderen / En alweer liet hy syn canon van voren donderen.'

Het is bij het schrijven van seksscènes, of ze nu grappig, geil of goor zijn bedoeld, net als bij de natuurbeschrijvingen waarmee de Boekenweek ons heeft overladen: vele schrijvers schrijven ze, slechts enkelen kunnen er echt wat van. Het is een kwestie van stilistisch vernuft. Goede porno is ook goede literatuur. Die zou er zomaar eens toe kunnen leiden dat je – zoals Jan Wolkers de criticus Carel Peeters eens aankondigde – je eigen stijve lul als bladwijzer kan gebruiken.

'Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden', Uitgeverij Van Oorschot, 290 p., 49,99 euro. Beeld Vier eeuwen porno in Nederland

Expo Porno op papier. Taboe en tolerantie door de eeuwen heen, van 22 maart tot 24 juni, Museum Meermanno, Den Haag, meermanno.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden