Zaterdag 24/07/2021

RecensieBiografie Kendrick Lamar

Verafgoding van een meesterverteller: Kendrick Lamar-biografie zal vooral grootste fans plezieren

Kendrick Lamar tijdens de uitreiking van de Grammy Awards in 2018.  Beeld Getty Images via AFP
Kendrick Lamar tijdens de uitreiking van de Grammy Awards in 2018.Beeld Getty Images via AFP

Muziekfans van over heel de wereld kijken reikhalzend uit naar de allereerste biografie van Kendrick Lamar, ook al beslaat de carrière van de rapper amper iets meer dan tien jaar. Het boek is vooral kwistig met superlatieven.

In de hedendaagse hiphop is Lamar een witte raaf: een introspectieve chroniqueur die aan een brede groep popconsumenten appelleert, los van ras, gender of sociale achtergrond. Zoals Jay Z en Kanye West ontsteeg hij de hiphopcultuur en groeide hij dankzij zijn uniciteit en zijn perfecte voeling met de tijdgeest uit tot een popicoon dat bij presidenten op de koffie mag komen. Zo raakte Barrack Obama niet uitgepraat over het genie Kendrick Lamar en plaatste hij diens liedjes meer dan eens in een Spotify-playlist met zijn muzikale favorieten van het jaar. Op die manier erkende de president de maatschappelijke relevantie en de invloed van Lamar.

De Amerikaanse muziekjournalist Marcus J. Moore zoomt in op Lamars kindertijd in een van drugs en bendegeweld vergeven Compton, de beruchte gangsterwijk in Los Angeles die dertig jaar geleden berucht werd via de rapgroep N.W.A. en diens Straight Outta Compton. Lamar ziet als jonge snaak het licht dankzij ene Regis Inge, een leraar Engels die poëzie aan hiphop linkt en op die manier zijn leerlingen de nodige verstrooiing biedt, weg van hun lamentabele sociale situatie. Op die manier hoopt hij de gedesillusioneerde tieners uit de gevangenis te houden. Bij Lamar doet het een liefde voor rap ontluiken die helemaal openbloeit wanneer hij met zijn vader de opname bijwoont van de videoclip van ‘California Love’, de monsterhit van Dr. Dre en Tupac Shakur, zijn grote voorbeeld.

Vanaf dat punt raast Moore als een sneltrein door het leven van Lamar met diens mixtapes en albums als rode draad. Waardevol is Moores poging om achter elke plaat de drijfveer te zoeken en die te verbinden aan Lamars alsmaar uitdeinende impact. Zo neemt de jonge rapper op zijn debuut Section 80 zijn generatie onder loep: Afro-Amerikanen geboren in de jaren 80 toen crack-cocaïne de zwarte achterbuurten overspoelde. Al in dat vroege stadium toont Lamar zich onorthodox voor iemand die tussen de dealende straatboefjes opgroeide, zoals in het nummer ‘Keisha’s Song (Her Pain)’ waarin hij het leven schetst van een jong meisje dat als kind wordt misbruikt, in de prostitutie gaat en uiteindelijk wordt verkracht en vermoord. Lamar schuwt misogynie, komt niet zelden melancholisch uit de hoek en uit bij momenten snoeiharde kritiek op zijn eigen gemeenschap die hij tegelijk hartstochtelijk liefheeft. Ook op zijn latere platen dissecteert hij met verve de condition humaine met sprankelende beelden en een onnavolgbare cadans.

In die mate zelfs dat ene professor Adam Diehl voor zijn college aan Georgia Regents University Lamars album good kid, m.a.a.d. city gebruikt als toegangspoort naar grote namen uit de literatuur zoals Gwendolyn Brooks, James Joyce en James Baldwin. “Een meesterverteller”, zo noemt Diehl de rapper. We leren ook dat Brian Mooney, een leerkracht Engels uit New Jersey, iets gelijkaardigs deed met Lamars magnum opus To Pimp a Butterfly, dat hij verbond aan de klassieker The Bluest Eye van Toni Morrison. Taalminnaars lezen deze biografie daarom misschien het beste in de oorspronkelijke Engelse versie. Ze krijgen er de interviewcitaten van Lamar in een sappig slang bij, evenals Moores occasionele geflirt met de Afro-Amerikaanse straattaal.

De totstandkoming van To Pimp A Butterfly biedt de boeiendste kijk op Lamars creatieve proces. Niet alleen omdat hij er een gevaarlijke depressie mee overwon, ook omdat hij er als een bezetene aan werkte met de beste jazzmuzikanten van zijn generatie: jonge wolven uit zijn onmiddellijke omgeving zoals Terrace Martin, Thundercat en Kamasi Washington. Sceptici die Lamars rol in het schrijven van de complexe jazzarrangementen onderschatten, krijgen van Moore lik op stuk. Hij voert hem op als een soort alwetende Rick Rubin-achtige producer die vanuit een helikopterperspectief geen detail uit het oog verliest.

#blacklivesmatter

Het is gesneden koek voor de allergrootste bewonderaars van de rapper, ook al zet Moore simpelweg alle feiten die het voorbije decennium uitgebreid in de media aan bod kwamen nog eens op een rijtje. Pas wanneer de auteur Lamars opgang verbindt aan de opkomst van #blacklivesmatter en de felgemediatiseerde politiebrutaliteiten tegen zwarte mensen scheurt de façade van de biograaf en ontpopt Moore – zelf een Afro-Amerikaan – zich ei zo na tot activist. Hij neemt zijn tijd om de verhalen over de moorden op Trayvon Martin, Eric Garner, Michael Brown Jr. en Tamir Rice te vertellen en hij duidt ze in erg emotionele passages. “Omdat witte suprematie bepaalt dat een witte huid moet worden vereerd en omdat politiemensen angst uitbuiten, is er geen begrip voor mensen die niet meteen door de knieën gaan”, schrijft hij. “Agenten kunnen het niet aan als je geen angst toont; dan gaan ze schieten om weer macht te krijgen over de mensen op wie ze neerkijken.”

Nog interessanter wordt het wanneer Moore het innerlijke conflict van Kendrick Lamar aanstipt omtrent de raciale spanningen in zijn land. In een interview met Billboard legt de rapper de verantwoordelijkheid deels bij de Afro-Amerikanen. “Als we geen respect hebben voor onszelf, hoe kunnen we dan verwachten dat zij ons respecteren?”, aldus Lamar. “Je moet niet gaan demonstreren of plunderen. Het begint vanbinnen.” De opmerking valt verkeerd bij zijn gemeenschap die zich in de ultragepolariseerde Amerikaanse maatschappij even geen nuances kan veroorloven. Lamars preek wortelt echter in zijn jeugdtrauma’s, eerder dan dat het een kritiek op #blacklivesmatter is. Die beweging adopteert wat later Lamars liedje ‘Alright’ als officieuze lijflied. Het onderstreept het belang van de rapper in de Afro-Amerikaanse cultuur: iemand die de gemeenschap een spiegel voorhoudt en lastige vragen stelt.

null Beeld Getty Images via AFP
Beeld Getty Images via AFP

Lamars verontwaardiging haalt het uiteindelijk van zijn getormenteerde, intellectuele surplace: op de BET-Awards performt hij bovenop een met graffiti volgespoten patrouillewagen. Het iconische beeld blijft op het netvlies kleven. “Hij straalde macht uit, als een leider, een vrije zwarte man”, zo schrijft Moore vol bewondering. “Hij was geen rapper meer, geen sterveling (…) Wat een troon!” Hoewel Lamar er de conservatieven van zijn land mee in het harnas jaagt, doet hij er tijdens de Grammy-uitreiking van 2016 nog een schepje bovenop. Hij schuifelt het podium op in een chain gang: in gevangenisplunje, geketend aan andere mannen zoals in Amerika gedetineerden erbij lopen (en daarvoor ook zwarte slaven). Zijn muzikanten spelen vanuit massieve kooien. “I’m the biggest hypocrite of 2015”, zo klinkt het, een hint naar de suïcidale gedachten die hem tot aan de rand van de afgrond brachten. Het verblufte publiek en miljoenen mensen die de show via televisie volgen, zien hem vervolgens recht de camera inkijken terwijl hij ‘The Blacker The Berry’ rapt: “You hate me don’t you / You hate my people / Your plan is to terminate my culture”. De rapper wint die avond in vijf Grammy-categorieën.

Religie

Moore gaat hier en daar wel erg ver in zijn verafgoding. Of Lamar dankzij zijn plaat DAMN. verandert “in een mythisch wezen bijna, of een supernova”, zoals hij euforisch beweert, laten we bijvoorbeeld graag in het midden. De auteur laat het privéleven van de rapper grotendeels ongemoeid, wat in dit geval niet dramatisch is. Alleen gaat hij nogal snel aan Lamars religieuze roeping voorbij. Een hiaat, vooral omdat diens verknochtheid aan God in de tweede helft van het boek erg wordt beklemtoond. We leren dat zijn grootmoeder hem vaak over God vertelde en dat zijn neef, een Afrikaanse Hebreeër, hem op zijn spirituele bewustwording wees. Maar daar blijft het zowat bij.

Daarnaast redeneert Moore vooral vanuit een Afro-Amerikaanse muziekindustrie waardoor de globale, genreoverschrijdende impact van Lamars werk niet naar behoren wordt belicht. Lamar slaagde er namelijk wereldwijd in het geloof in de artistieke verdienste van hiphop weer op te krikken, vooral bij de cynici die er louter nog een commerciële kracht in zagen. Dat hij mentale gezondheidsproblemen durft aankaarten in zijn muziek raakt bovendien een snaar bij jonge mensen die ver buiten het doelpubliek van de rap vallen: millennials die verloren lopen in een hardvochtige, verrechtste maatschappij.

Het is wellicht voer voor een ander soort boek. De voorbije jaren verschenen uitstekende hiphopbiografieën die het waagden hun onderwerp op een minder conventionele wijze te benaderen: vanuit een brede waaier aan perspectieven of aan de hand van verschillende thema’s. Chamber Music van Will Ashon, dat de Wu-Tang Clan op meerdimensionale wijze belicht, is er zo eentje. Of Hanif Abdurraqibs zeer persoonlijke, haast poëtische Go Ahead In The Rain, een eerbetoon aan A Tribe Called Quest. Het is een kwestie van tijd vooraleer Kendrick Lamar, een artiest aan wie dat soort auteurs wellicht een vette kluif hebben, op een verhelderende manier wordt uitgediept. Tot dan kan u hoe dan ook bij knappe podcasts terecht, zoals Dissect dat wél tot onder de huid van Lamar durfde kruipen.

Kendrick Lamar: de biografie van Marcus J.Moore is uitgegeven bij Volt (***)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234