Dinsdag 15/10/2019
Veerle Claus.

Interview

Veerle Claus, één jaar na de dood van Hugo: ‘Nu pas besef ik hoe gelukkig ik met hem was’

Veerle Claus. Beeld Stephan Vanfleteren

Dit interview verscheen in De Morgen op 14 maart 2009, één jaar na het overlijden van Hugo Claus. We publiceren het opnieuw naar aanleiding van 40 jaar De Morgen.

Woensdag 19 maart 2008. Hugo en Veerle Claus zijn op weg naar het ziekenhuis. Waar de schrijver afscheid zal nemen van het leven. Nou ja, afscheid? Niet voor Veerle. Na een jaar rouwen en lijden heeft ze haar man nog steeds zo voor het grijpen. Niet één herinnering is vervaagd, niet één beeld is verstorven, niet één woord is vervlogen. Er is ook weer een kat in huis, helaas niet meer de kat van Hugo, de kat van Veerle. Maar toch: het lijkt een beetje als vroeger.

De weduwe is in het hart van de schrijver gaan wonen. Waar vroeger het bureau van de meester stond, staat nu een witmarmeren tafel van Eero Saarinen. Schromelijk majestueus, zoals de kilte van marmer kan zijn. Wat zou ze graag nog een keer met haar geliefde aan deze tafel zitten, “al was het maar voor twee minuten”. Niet dat hij haar nog iets nieuws kan vertellen. Veerle is nooit dichter bij Hugo geweest dan in haar eerste jaar nul. Vaak ondraaglijk dicht. In voltooide persoonsontdubbeling, als het ware.

Ze weten nu alles van elkaar, zij en Hugo.

Hij rust, zij lijdt. Al moet ze soms ook om hem lachen. “Als ik aan Hugo denk, zie ik hem vaak lachend, het liefst met dat handje voor de mond. Dat besmuikte lachje, weet je wel. Alsof hij iets dommigs had gezegd. Als het verdriet te groot wordt, probeer ik dat beeld op te roepen.”

Die woensdag dus. “We zaten in een taxi op weg naar het ziekenhuis. Ik weet nog dat ik dacht: zal ik tegen de chauffeur zeggen rechtsomkeert te maken. Op naar Parijs! Koffie drinken op de Champs-Elysées, het had nog gekund. Weg met de dood die klemt! De ochtend van de laatste dag blijft almaar als een lus door mijn hoofd schieten. Ik weet nog precies hoe het gegaan is. Het had ook iets theatraals.

“Hugo streelt nog één keer de kat. Dan stappen we naar de lift door een hele lange gang. Wachten op een taxi. De taxichauffeur kwebbelt een beetje, zoals het hoort. Radio aan: het nieuws van 12 uur. En ik die dacht: bij het volgende journaal gaat die chauffeur denken: was dat niet de meneer die ik naar het ziekenhuis heb gebracht? Alles van die dag blijft maar terugkomen. Waar we waren toen het nieuws van 12 uur begon. Dat ineens de zon begon te schijnen. Van die kleine, domme dingen. Uiteindelijk kom je in het ziekenhuis en moet je je inschrijven. De dood moet eerst op papier staan.”

Hugo was rustig. “Hij was die dag heel lucide en alert. Toen ik hem vroeg wat hij voor het sterven aan wou trekken, zei hij: ‘Mijn trouwpak’. Jammer, hij kon er niet meer in: te veel oesters gegeten, de laatste maanden.

“Hugo is zichzelf gebleven tot de laatste snik. We zaten een laatste keer aan de ontbijttafel en een vriendin belde: ‘Wat ga je doen vandaag, Hugo?’ Ik hoorde hem zeggen: ‘Ik denk dat ik nog eens naar de tentoonstelling van Jan Cox ga kijken.’ Ik dacht: wat zegt hij nu? Toen hij de telefoon had ingehaakt wees hij met de vinger naar zichzelf op de borst en zei: ‘Lafaard, lafaard!’ En hij lachte. Zo was Hugo: liegen tot het bittere end.”

Hoe leef je naar de dood toe? “In de laatste maanden heb ik speciaal nog een frietketel gekocht: Hugo wou bijna elke dag friet eten. De dag voor zijn dood zijn we nog naar de bioscoop gegaan. Zaten we daar aan een enorme Magnum te likken. Dat vond hij wel lekker. Die verschroeiende tegenstrijdigheid van het leven houdt mij bezig. Je weet dat het einde nabij is, en toch gaat het leven door, tot in de bioscoop. In het ziekenhuis hebben we nog stiekem een sigaretje gerookt en een glas champagne gedronken. De fles was leeg, ja, maar de doos heb ik nog, die bewaar ik.

“Ook bij euthanasie sterf je niet alleen. Er is een arts aanwezig en er zijn verpleegsters in de kamer. Hugo was ongekend helder en moedig. Ik was echt trots op hem. Nadien zeiden de verpleegsters dat ze zelden zo’n mooie ‘versterving’ hadden meegemaakt. Troost is het niet, maar het helpt. De manier waarop hij stierf, was zo superieur. Letterlijk rechtop. Hij gaf ook zelf aan: nu wil ik gaan liggen.

“Levensbeëindiging is toch niet niks. Over de juistheid van de beslissing heb ik nog geen fractie van een seconde getwijfeld. Maar het hakt er wel in. Zeker in het geval van Hugo, die nog hele heldere en mooie momenten had. Dan is het moeilijk. De vraag blijft knellen: heb ik het wel goed genoeg gedaan? Je kunt de ander niet belasten met jouw verdriet. Je houdt de schijn op: natuurlijk kan ik zonder jou, ha, ha. Het is een soort discipline om het sterven makkelijker te maken. Niet iedereen begrijpt dat. Iemand sprak van de ‘koele mededeling van de echtgenote na de dood van Hugo’. Wat wou men dan? Dat ik op de Grote Markt mijn haren zou uitrukken?

“Hugo en ik hadden aparte gesprekken met zijn arts. Daar stond ik op. Onlangs nog vroeg ik die arts: ‘Heb ik het wel goed genoeg gedaan?’ Hij vertelde me dat Hugo op een dag had gezegd: ‘Ik geef Veerle een negen op tien.’ Het was een geruststellende gedachte. Niet vanzelfsprekend, want alzheimer is een verschrikkelijke ziekte, ook voor de partner.”

Op 30 juli 2006 ontvingen de vrienden van Hugo Claus het volgende bericht van Veerle:

“Lieve vrienden,

Op verzoek van Hugo stuur ik jullie deze mail.

Er werd vastgesteld dat Hugo lijdt aan de ziekte van Alzheimer. Hugo heeft beslist de tijd die hem nog rest, en waarvan hij het einde zal bepalen, zo vrolijk mogelijk door te brengen.

Hij stuurt jullie zijn groeten.

Ni Dieu, ni maître.”

Eenentwintig maanden heeft de schrijver het nog volgehouden. Bij vlagen bijna in goede ouderwetse doen, een enkele keer stoeiend zelfs. Maar in Veerle Claus was toen al het meisje gestorven.

“Na Hugo’s dood heb ik een week in bed gelegen, aan de rand van een depressie. Kardinaal Danneels heeft mij er een stukje bovenop geholpen. Toen ik hem, refererend aan de dood van Hugo, het lijden hoorde verheerlijken, ben ik ziedend geworden. Onwaarschijnlijk kwaad en dat ben ik nog steeds. Dat hij dat durfde... Alsof hij zou weten door welke hel wij zijn gegaan. Iedereen die Hugo heeft gekend, weet hoe hij onder zijn ziekte heeft geleden. Juist hij, met zijn trots en zijn immense pudeur. Als hij buitenkwam, pepte hij zich op om toch nog iets van bon ton af te dwingen. Sneeuw in het hoofd, erger kon niet voor hem.

“Als geen ander leefde hij voor het schrijven. Dat kwam voor alles, ver voor de vrouwen. Tot het laatste moment heeft hij geprobeerd woorden, zinnetjes, flarden neer te pennen. De stapel geschriften heb ik ongelezen opgeborgen. Ik durf er niet naar te kijken, en zal dat ook morgen niet doen. Alleen al dat ene achteloze papiertje dat ergens door het huis heeft gedwarreld, schrijnt verschrikkelijk na. Er stond één zin: ‘Ik ben niet alleen, Alzheimer’.

Wanhoop is het juiste woord. “Voor hem en voor mij. Dat wou hij aan de buitenwereld niet laten zien. Hugo wou nooit zeurderig zijn. Hij was allesbehalve een klagerige man. Maar ik heb hem soms zien denken: het heeft lang genoeg geduurd, het moet nu stoppen. Naarmate de ziekteverschijnselen heviger werden, groeide bij mij de angst dat hij niet meer zou kunnen beslissen om er een einde aan te maken. Het moeilijkste wat ik in het leven ooit heb gedaan, is mijn man alert proberen te houden voor het voortschrijdende verval. Dat had hij mij ook uitdrukkelijk gevraagd. Hij wou niet in de situatie van Gerard Reve terechtkomen. Het is een waanzinnig dilemma: hij leeft graag, dat weet je, en jij houdt van hem. En toch komt het moment dat je moet zeggen: het gaat nu snel achteruit.

“Zo’n zes jaar geleden liepen we samen door Parijs. Ineens zei Hugo: ‘Ik denk dat ik alzheimer heb’. Dat zei hij daarvoor soms ook, maar altijd lachend. Deze keer dus niet. Ik had al honderden indicaties gehad. Hij won altijd met spelletjes en op een dag lukte dat niet meer. Als er bezoek was, bleef ik mij uitsloven in bescherming: ‘Ach, Hugo is moe en misschien al een beetje dronken’. Bij het petanque spelen raakte hij ook steeds meer in verwarring: wat moet ik dan met die ballen?”

Veerle zat met een geheim. “Je geeft niet toe aan de benoeming van het ziektebeeld omdat het zo definitief is. Jarenlang heb ik geprobeerd de kwelling onzichtbaar te houden, voor hem en voor mij. Hugo schaamde zich voor zijn verval, en ik ook. Juist omdat hij zo boeiend en briljant was, was de - ook publieke - aftakeling zo onrechtvaardig. Tot het laatst is hij een uitzonderlijke en boeiende man gebleven. Alleen de periodes van grandeur werden schaarser. Toch bleven we verstoppertje spelen. De fatale diagnose kwam bijna als een opluchting. Eindelijk moesten we ons niet meer in bochten wringen om de ziekte te ontwijken. Eindelijk kon Hugo zeggen en denken: als ik bizarre dingen doe, weet je nu waarom.

“Van verzwijgen kun je erg eenzaam worden. Het taboe over alzheimer moet gesloopt worden. Daar wil ik graag aan bijdragen. Lange tijd heb ik zelfs mijn beste vrienden onwetend gehouden over de ziekte van mijn man. Tenslotte, je praat niet uit het bed. Daar kwam bij: aan het monolitische beeld van Claus kun je niet krabbelen. Zo’n man laat je intact. Wel ben ik stiekem op internet alles over alzheimer gaan lezen. De schrale troost die je dan had: je las steeds hetzelfde verhaal. Soms maakten we ruzie, als Hugo weer eens eigenzinnig verdwaald was in de stad. Nu denk ik: had ik maar meer geduld gehad. Dat ik soms mijn geduld verloor, kan ik mezelf niet vergeven.”

Er was ook angst. “Hugo was gek op kranten en tijdschriften. Elke dag wou hij de stad in naar de krantenwinkel. Nadat ik hem eens in totale verwarring bijna onder de tram had zien lopen, wou ik niet meer dat hij nog alleen de stad in ging. Kletterende ruzie natuurlijk. ‘Wat denk jij wel?’ Uiteindelijk liep ik achter hem aan zonder dat hij het wist. Ik kende zijn parcours. Ik zag hem dan weer bij de Fnac buitenkomen met een boekje in zo’n armzalig tasje. Zag ik dat nog maar...

“Op een dag was hij uren weg. Ik in paniek natuurlijk. De hele stad doorzocht. En wat bleek? Meneer was een pizza gaan eten. Met een alzheimerpatiënt leven is ontzettend vermoeiend. Het is een uitputtende slijtageslag. En dat hoor je dan door de kardinaal en zijn aanhangers bagatelliseren. Dat zeg je goed: heren, geef mij de voorhamer. Pas de laatste twee weken heb ik iemand gevraagd om mij twee keer in de week te komen helpen. Ik had het veel vroeger moeten doen, maar ik vond het zo gênant voor Hugo. Het was een lieve vrouw, dat wel. Hij vond ze ook wel iets hebben, zei hij.”

We zijn een jaar later en weduwe zijn kun je niet leren. “Ik heb het afgelopen jaar niet één keer het gevoel gehad dat het verdriet zal slijten. Dit verdriet slijt niet en dat maakt me bang. In zwartgallige momenten heb ik weleens gedacht: voor mij hoeft het ook niet meer. De verlatenheid is niet te hanteren. Je leert nieuwe mensen kennen, maar de gaten blijven. Het wordt nooit meer zoals vroeger. Nu pas besef ik hoe gelukkig ik met Hugo was.

“Elke dag weer probeer ik de beelden van zijn ziekte weg te meppen en aan iets moois te denken. En ja, in dit huis is hij onverminderd aanwezig. Nog altijd ben ik niet aan zijn kast met kleren gekomen. Als ik ze open, komen spoken op me af: aan elk jasje, aan elk hemd kleeft een verhaal. Eigenlijk moet ik nog beginnen zijn dood te verwerken. De leegte van de namiddagen is het ergste. Eerst ging Hugo werken en in de namiddag zaten we wat te kletsen, te lezen, te spelen. In pretentieloos geluk. Altijd zijn er nu kleine dingetjes die opspelen. Begin januari lag zijn agenda klaar bij de dametjes, zoals hij ze noemde. Dat hoefde niet meer. Als ik daar kom, staan we een potje te janken. Alles is weer de eerste keer: kerst en Nieuwjaar, januari, verjaardagen, uitstapjes. Ik heb het daar verschrikkelijk moeilijk mee.”

Het isolement wordt veeleer groter dan kleiner. “Vorige week las ik dat Gérard Depardieu optrad in een theater in Parijs. Ik zei tegen mezelf: ik ben een groot meisje, ik ga naar Parijs. Natuurlijk kan ik dat. Ticket en hotel besteld. De dag dat ik moest vertrekken, heb ik aan de deur staan janken en ben ik terug in mezelf gekropen. Parijs zonder Hugo: ik kon het niet. Laatst was ik in Berlijn voor een hommage aan hem. Er was een tentoonstelling in een museum waar we nog samen zijn geweest. Ik ben huilend door het museum gelopen; geen schilderij gezien.

“Ik moet oppassen dat ik geen chagrijnige weduwe word. Wie zal er straks nog stilstaan bij zijn verjaardag? Ik merk dat ik kleine sprongetjes van vreugde maak als iemand nog iets over Hugo zegt in de krant. Ik weet ook precies wie wat gezegd heeft en wanneer. Kinderachtig, maar het is zo. Ja, in die getuigenissen zoek ik een teken van leven. Ik kan ook ontroerd zijn als ik zie hoe geliefd Hugo was bij zijn collega’s. Jong en oud. Dat is troost.”

Verraad is er ook. “Zogenaamde vrienden zijn weggevallen. Ik wist dat het zou gebeuren als Hugo er niet meer was. Ik ben er niet eens ontgoocheld over. Hugo wist zelf ook wie het zou laten afweten na zijn dood. Namen? Geen namen. Sommige vrienden van Hugo groeten mij niet eens meer. Hij zou zeggen: ‘Ach kind, de leeuw en de vlooien in de pels...’ Zelf maakte hij het zich altijd gemakkelijk. Hugo had een onwaarschijnlijk talent om confrontaties uit de weg te gaan. Dat mocht ik oplossen. Hij de lieve man, ik de kwaaie peer. Maar als die zogenaamde vrienden zo gek op Hugo waren, zouden ze wel zo beschaafd tegen mij mogen blijven. Als dat niet kan, was je ook zijn vriendschap niet waard.

“Er was een Cobratentoonstelling in het Museum voor Schone Kunsten in Brussel. Er hing een aantal schilderijen van Hugo aan de muur uit een privécollectie. Daar kwam ik toevallig achter. Ik was niet gevraagd voor de opening. Dus je koopt een ticket en gaat keurig in de rij aanschuiven. Vervolgens kom je in het museum en kijk je naar de schilderijen van je man. Prettig is anders. Men heeft zelfs niet de moeite gedaan om mij een catalogus op te sturen. Hoe grof kun je zijn?

“Hugo was twee maanden dood en ik werd gebeld of ik mee wou werken aan een documentaire. Pardon? Over de schaamteloosheid van mensen heb ik het laatste jaar veel geleerd. Er zijn natuurlijk ook de anderen die me wel helpen in het verdriet. De steun van Connie Palmen, bijvoorbeeld, is hartverwarmend. Met haar kan ik ervaringen uitwisselen: de dood van een geliefde is ook over haar heengegaan.

“Maar dan nog zijn er melancholieke dagen. De wereld is ingesteld op koppels. Ik heb een paar goede vrienden: echtparen. Soms vind ik het gênant dat ik er zomaar bij loop. Het heeft iets zieligs, en dat wil ik niet. Ik vind het moeilijk om alleen op reis te gaan of alleen in een restaurant te eten. Als ik nu in een stad ben, laat ik de roomservice komen. De compliciteit die je met je partner had, kun je niet verlangen van vrienden. Toch niet onvoorwaardelijk.”

Ja, ze heeft van de dood van Hugo geleerd. “Ik wil absoluut niet aftakelen. Niks lijden, niks pijn. Ik ben niet bang voor de dood, wel voor het lijden. Precies zoals Hugo. Doodgaan is jammer, maar het hoort erbij. Omdat er een behoorlijk leeftijdsverschil was tussen Hugo en mij moest ik ook in onze gloriejaren wel vaker denken aan de dag dat hij er niet meer zou zijn. Ik had meerdere scenario’s in mijn hoofd, maar niet het scenario alzheimer.

“Bang voor verlies: ik ben erin geoefend. Ik heb het, lang voor Hugo ziek was, meegemaakt dat hij op een middag een dutje lag te doen. Als ik hem zo zag liggen, raakte ik ineens in paniek dat hij dood was. Soms bij het hysterische af. Hugo schrok dan wakker en zei: ‘Wat is er, meisje? Ik ben nog niet dood, hoor. Eventjes geduld.’”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234