Dinsdag 15/10/2019

Interview

Vampire Weekend: 'Ik zag Beyoncé mijn song brengen in een vol stadion. Trust me, daar wil je niet tegen opboksen'

“Ik heb geworsteld met levensvragen, maar leerde dat lachen met memes van springende katjes het enige antwoord is.”

Soms moet iets even verdwijnen – denk aan die keer dat u het wc-papier vergat – voor je het ten volle kunt appreciëren. Om maar te zeggen: wat hebben wij Vampire Weekend, zes lange jaren uitblinkers in afwezigheid, gemist! Ter goedmaking vergastte frontman Ezra Koenig ons in Londen op een exclusief gesprek over het vaderschap, over Beyoncé, en – natuurlijk – over Vampire Weekends fonkelende vierde, ‘Father of the Bride’.

Wat heeft Ezra Koenig allemaal gedaan in die zes jaar dat Vampire Weekend in de koelkast stond? Hij kreeg een zoon met actrice Rashida Jones (van ‘Parks and Recreation’ en ‘I Love You, Man’), maakte een anime-serie voor Netflix en schreef een nummer voor Beyoncé. En intussen schaafde hij in alle rust en stilte aan zijn magnum opus: ‘Father of the Bride’ werd een dubbelelpee van maar liefst 18 nummers, even bontgekleurd en rijkelijk geschakeerd als een Indiase specerijenkraam. Stof genoeg om over te praten, en dat zal Ezra, op zijn gemak in een luxueuze suite die past bij zijn Dries Van Noten-trui, geweten hebben.

 Ik heb net je interviewschema bekeken: houd je het nog vol?

Ezra Koenig: “Jazeker, ik vermaak me zelfs. Tussen ons gezegd en gezwegen: ik hou ervan om met muziekjournalisten te praten.”

 Serieus? Het is volgens mij de eerste keer in de geschiedenis dat iemand die zin in de mond neemt.

Ik ben waarschijnlijk in de minderheid, maar toch is het zo: ik dank mijn muzikale identiteit aan wat ik in mijn jeugd allemaal heb opgestoken uit magazines en blogs. Ik heb respect voor het vak. Ooit was ik zélf trouwens een groot muziekjournalist: ik heb welgeteld één recensie geschreven voor Dusted Magazine (lacht). Het ging over een plaat van Dirty Projectors, maar ik was eigenlijk niet tevreden – over de recensie, bedoel ik, de plaat was wél top.”

 Er is veel gebeurd in je leven. Zo ben je een native New Yorker, maar deed je enkele jaren geleden het ondenkbare en verhuisde je naar Los Angeles.

“Eigenlijk zit ik er al lang, maar ik bleef koppig weigeren om de verhuizing officieel te maken: pas toen ik mijn appartement in New York verkocht had, was er geen ontkennen meer aan (lacht). It wasn’t exactly by choice: alles in de muziekindustrie speelt zich nu eenmaal ginds af. Maar laat het duidelijk zijn: qua geschiedenis, familieleven, ruimtelijke indeling én weer verkies ik nog altijd New York.”

Qua weer? Je weet dat het in New York gemiddeld tien graden kouder is?

“Já... Ik hou ook van een mooie dag, en dit zal wel belachelijk klinken, maar de zon in L.A. is té heet, het licht is té wit – ’t is als een loden gordijn dat voortdurend op je schedelpan valt. De schaduwen zijn niet mooi, het is alsof er continu een enorme lichtspot op de stad staat gericht.

”Anyway, als je in een stad leeft, gaat het niet zozeer om de plek zelf, maar wel om de mensen die er wonen. Mijn vrienden én mijn lief zijn in L.A. – en dan kan de kwaliteit van het licht me geen zak schelen (lacht).”

Ter voorbereiding op dit gesprek herlas ik enkele interviews ten tijde van ‘Modern Vampires of the City’, nu zes jaar geleden. Je had toen drie platen in korte tijd gemaakt, en was bijna continu op tournee geweest: je gaf de indruk dat je totaal uitgeblust was.

“Dat kan kloppen (lachje).”

Heeft ‘Father of the Bride’ zo lang op zich laten wachten omdat jij ook weleens met je voeten omhoog op het strand wilde liggen?

“Zeker weten (lacht). De meeste journalisten zijn heel lief: ‘Je bent zes jaar weggeweest, maar je hebt toch veel gedaan: je presenteert een radioprogramma (voor Apple Beats 1, red.), je hebt ‘Neo Yokio’ (Netflix-serie met de stemmen van Jaden Smith, Jude Law en Susan Sarandon, red.) gemaakt...’ De waarheid is dat het heus niet zo druk was (lacht). Integendeel: ik had het nodig om even geen bal te doen. Ik was niet alleen fysiek uitgeput na al dat touren, maar ik was vooral léég. Als ik na ‘Modern Vampires’ meteen nog een plaat had moeten maken, dan zou ik op automatische piloot nummers hebben gekakt. En als er één ding is dat ik niet wil, dan wel dat Vampire Weekend een gladde corporatie wordt die op specifieke intervallen content in de ether dropt.”

“Eigenlijk is het simpel: ik wil liedjes schrijven over het leven, maar na drie platen met Vampire Weekend hád ik geen leven meer.”

“Mijn relatie met Rostam (rechts) is weer precies hoe ze moet zijn. We komen soms samen om iets moois te maken, maar moeten daarvoor niet in dezelfde band spelen.”

 Intussen gaat het prima, maar net nu je thuis met een baby van zeven maanden zit, beslis je om een plaat uit te brengen en op tour te gaan. Hoe krijg jij dat thuis uitgelegd?

“Toen ik ontdekte dat ik vader zou worden – we spreken de kerstperiode van 2017 – zette ik voor mezelf op een rijtje wat ik het jaar erop allemaal zou moeten doen: de plaat afwerken, een ‘Neo Yokio’-kerstfilm maken én vader worden (lacht). Ik was doodsbang, ik dacht dat het mijn ondergang zou betekenen. En dan, you know, bleek het allemaal mee te vallen.”

“Ik heb overwogen om ‘Father of the Bride’ er pijlsnel door te jagen, maar dan was ze uitgekomen twee maanden na de geboorte: dát had ik vast niet uitgelegd gekregen (lacht). Nu moet ik niet overdrijven. Mijn vader was een setdresser in de filmindustrie: die gasten moeten om 4 uur ’s morgens aan de decors beginnen te timmeren. Hij vertelde me dat ik op een zondag geboren werd (8 april 1984, red.), en dat hij op maandagochtend alweer – om 4 uur! – op de set moest staan. Dus nee: mij ga je niet horen klagen dat ik na zeven maanden eindelijk het huis uit moet.”

Zevenmijlslaarspas

 Na ‘Modern Vampires’ stapte Rostam Batmanglij uit de band, al bleven jullie vrienden. Nu is hij weer op veel nummers te horen. Was het zoals een oud lief terugzien en denken: waren we nog maar bij elkaar?

(lacht) “Nee, het was eerder alsof we twee neven waren die jarenlang een zaak hadden gerund, en opgelucht waren dat ze daarmee konden stoppen: ‘Eindelijk zijn we opnieuw familie in plaats van collega’s!’

Rostams naam duikt de laatste tijd wel vaker op, dus ik heb zitten te denken aan onze vroege dagen. De eerste keer dat we samen aan muziek werkten, waren we eerstejaarsstudenten aan de unief. We waren 18, en ik liet ’m een nummertje horen dat ik had geschreven, ‘Bryn’. In zijn studentenkamer had hij een microfoon en montagesoftware, dus hij zei: ‘Dat moeten we opnemen!’ Een paar jaar later is die song op het debuut van Vampire Weekend beland.”

 Je voelt veel affectie voor ’m, hè?

“Natuurlijk! En onze relatie is nu weer precies hoe ze moet zijn. We zijn twee onafhankelijke creatievelingen die af en toe samenkomen om iets moois te maken. Maar daarom hoeven we nog geen deel uit te maken van dezelfde band.”

 Je zegt ‘band’, maar is Vampire Weekend tegenwoordig niet vooral een soloproject?

(ontwijkend) “Fans willen altijd de ‘officiële status’ van muzikanten weten: wie is er lid van Vampire Weekend? Toen ik in Engeland onze band introduceerde, was mijn nicht Greta erbij. We kregen technische problemen, en om tijd te vullen, mocht het publiek vragen stellen. Waarop iemand: ‘Is die griet een lid van de groep?’ Ik kon alleen maar zeggen: ‘Ze is hier toch!’ Wil je dan dat ik onze contracten laat zien, of zo’n typische Wikipedia-tijdlijn opstel, waarbij je in gekleurde balken ziet wie van wanneer tot wanneer de bassist van Metallica was? (lacht)”

 Maar jij vervult toch duidelijk de belangrijkste rol?

“Ik vervul nog altijd dezelfde rol als vroeger: die van bandleider, tekstschrijver, songschrijver en curator. Daar voel ik mij comfortabel bij. Vampire Weekend was nooit de band van de vier kerels die samen in een schuur zaten te jammen. Zelfs bij ons debuut waren het Rostam en ik die de stukken op voorhand schreven. En sindsdien zijn we bij elke plaat stapjes blijven zetten naar méér collaboratie – zoals toen bij ‘Modern Vampires of the City’, Ariel Rechtshaid erbij kwam als producer. Nu zetten we opeens een zevenmijlslaarzenpas, omdat we met zovéél mensen samenwerken. Daar was ik bloednerveus over, maar het bleek erg makkelijk. Het was zelfs leuk!”

Hoe heb je pakweg Steve Lacy van The Internet leren kennen?

“Hij had me een tijd geleden getweet met de vraag of ik een samenwerking zag zitten. Nu is ‘Sunflower’ het eerste Vampire Weekend-nummer waar ‘featuring’ achter staat: ik ben blij dat het met hem was, het was een goeie, zachte eerste keer (lacht). Grappig trouwens: de eerste song die hij leerde spelen op zijn gitaar, was onze single ‘A-Punk’. Nu speelt hij ons allemaal met twee vingers in de neus onder tafel.”

Ook Danielle Haim, van de Haim-zusjes, duikt meerdere keren op.

“Het is puur geluk dat Danielle op deze plaat te horen is. Zij woonde boven de studio waar we alles hebben opgenomen, en ze zag het zitten om wat harmonieën op te nemen. Het hield zoveel steek om haar te vragen dat ik mezelf voor het hoofd kon slaan omdat ik er nooit eerder aan had gedacht. We hebben veel gemeen, vind ik. Onze achtergrond is gelijkaardig, net als onze aanpak wat betreft songwriting, en we kennen elkaar al jaren. There’s also just a vibey thing that happens: sommige stemmen klinken nu eenmaal mooi samen. Toen we voor het eerst iets inzongen – op het nummer ‘Stranger’ – voelden we allemaal: ‘Damn, dit wérkt.’”

Jij bent een wandelende muziekencyclopedie, en je stopt meer easter eggs – verborgen boodschappen – in je muziek dan de paashaas. Welke referentie op ‘Father of the Bride’ heeft nog niemand gespot?

“Ik dacht dat ik voortdurend vragen over southern rock zou krijgen: The Allman Brothers Band, Lynyrd Skynyrd... Ik ben niet de grootste fan, maar ik vind wel dat onze gitaarriffs een beetje die sound hebben. Ach, ik vind het niet zo erg, want ik praat sowieso liever over The Grateful Dead, en daar krijg ik wél veel vragen over.”

Sorry, ik heb niks over The Grateful Dead.

(lacht) “Doodzonde! Maar nog even over die easter eggs in mijn nummers: daar bestaan ook misverstanden over. Veel mensen hebben me bijvoorbeeld al gevraagd naar de titel van ‘Harmony Hall’, omdat Harmony Hall een campus is op Columbia University, waar ik naar school ben gegaan. ‘Wat bedóél je daarmee, Ezra?’ Maar toen ik op de unief zat, bestond Harmony Hall nog niet – al die mooie analyses op het internet zijn dus vergeefs (lacht).”


Surrealistische ervaring

Eén samenwerking steekt er met kop en schouders bovenuit: je schreef een nummer, ‘Hold Up’, voor the one and only Beyoncé.

“Eerlijk: toen ik de e-mail kreeg met de vraag, ‘Zou je ‘Hold Up’ zien zitten als nummer voor Beyoncé?’, was ik niet eens opgewonden. Ik dacht alleen maar: ‘Yeah right!’ (lacht) Ik maak al langer dan vandaag deel uit van de muziekindustrie en in de loop der jaren hebben wel hónderden mensen me verteld dat hun nummer ‘op de volgende Rihanna’ zou komen, zonder dat er ooit iets van in huis kwam. Maar kijk, wonder boven wonder méénde Beyoncé het.

“’Hold Up’ is een heel unieke en toevallige samenloop van omstandigheden, invloeden en mensen. De kiem ontstond toen ik werkte met Diplo, met wie ik eerder al ‘Jessica’ had gemaakt voor Major Lazer. Hij liet mij enkele beats horen, en de interessantste bleek een sample te zijn uit een zeemzoete croonersong uit de jaren 60, ‘Can’t Get Used to Losing You’ van Andy Williams. Daarbij bedacht ik de melodie en de hook: ‘Hold up / They don’t love you like I loved you.’ Wat nogal, euh, sterk geïnspireerd was door: ‘Wait / They don’t love you like I loved you’ uit ‘Maps’ van de Yeah Yeah Yeahs (lacht). Ik vond het een schitterende zin die met die ‘hold up’ en de kleine pauze erna nog iets extra’s kreeg.”

Ben jij dan de auteur? Of ben jij eerder de mecanicien die met wat vervangonderdelen een auto repareert?

(lacht) “Liedjes schrijven is een raar proces, hè. Vandaar dat ik de discussie over bandleden zo raar vind: zovéél mensen hebben hun invloed! Is het echt míjn nummer? Dat weet ik niet, maar ik ben alleszins fier op mijn bijdrage.

”Het is Beyoncé die er betekenis aan heeft gegeven. Een stom voorbeeldje: ze verving ‘can’t you see there’s no other God above you’ door ‘can’t you see there’s no other man above you’. Zo paste dat perfect binnen de context van ‘Lemonade’, over de ontrouw van Jay-Z. De iconische videoclip die ze erbij maakte, met die gele jurk, is ook geniaal! Als zij het niet had gebruikt, dan was ‘Hold Up’ misschien wel op ‘Father of the Bride’ beland, maar ik vind het beter zo. Ik heb Beyoncé ‘Hold Up’ live zien brengen in het Rose Bowl Stadium – één van de meest surrealistische ervaringen van mijn leven – en trust me, daar wil je niet tegen opboksen (lacht).”

Het refrein van ‘Harmony Hall’ (‘I don’t wanna live like this / But I don’t wanna die’) kenden we al uit ‘Finger Back’ van ‘Modern Vampires of the City’. Jij weet de copy-pasteshortcuts op je toetsenbord wel staan, hè?

(lacht) “Het is een Vampire Weekend-traditie dat er hier en daar flarden tekst of stukjes melodie terugkeren: dat geeft de muziek een zekere mystiek en een zekere samenhang, vind je ook niet? Als ik iets gebruik, steek ik het niet onder stoelen of banken: de gitaarsolo uit ‘Harmony Hall’ komt uit ‘Touch of Grey’ van The Grateful Dead, en de tekst van ‘This Life’ verwijst naar ‘It Never Rains in Southern California’ van Albert Hammond en Mike Hazlewood, uit 1972. Beyoncé heeft voor ‘6 Inch’ ook een stukje van Animal Collective geleend. En Animal Collective heeft er een credit voor gekregen. Prima zo.”

Onlangs zei je dat je fan was van Kacey Musgraves en haar teksten. Terecht, maar ergens ook gek, want jij schrijft veelal vage, poëtische lyrics. ‘Step’, bijvoorbeeld, vind ik vergelijkbaar met wat Dylan deed in zijn beatperiode. Kacey is daarentegen pure country, ze zegt waar het op staat.

“Net daarom dat ze mij zo aansprak! Ik vind het bijna exotisch om te luisteren naar iemand als Kacey Musgraves, die zó recht voor de raap is. Toen ik jong was, voelde ik me ongemakkelijk als ik zelf zo probeerde te schrijven, metaforen gingen me beter af. Daarom zijn Vampire Weekend-liedjes vaak... flou en ongrijpbaar. Pas op, ik ben héél fier op ‘Step’: het is een song vol abstracte beelden die tóch op een emotioneel niveau binnenkomt. Maar ik vond wel dat het tijd was om ook eens andere paden te verkennen.”

 Ik had eerlijk gezegd nooit gedacht dat jij naar country zou luisteren.

“Country betekent iets voor elke Amerikaan, hè. Mijn vader had een enorme platencollectie, vol met coole New York-bands uit de jaren 70: Blondie, Talking Heads, Television... maar ook reggae en blues – én country. Als hij me grappige of slimme teksten wilde laten horen, dan greep hij zonder fout naar de countryplaten. Dat heeft indruk gemaakt, zoals je aan mijn samenwerkingen met Danielle kunt horen (lacht).

“Country, folk, r&b... Dat is allemaal pure storytelling. Bij de eerste drie Vampire Weekend-platen werd ik zelf soms ‘een verhalenverteller’ genoemd – een chroniqueur van New York of de Ivy League – maar dat was te veel eer. Ik dacht: ‘Ik schrijf regeltjes, quotes en ideetjes – maar ik vertel geen verhalen.’ Ik was eerder de man van de abstracte collages. Met ‘Father of the Bride’ heb ik wéér een collage gemaakt – het zijn tenslotte achttien totaal verschillende nummers – maar elk stukje van die collage op zich is wel een oprecht, direct verhaal. Voor het eerst kun je het narratief volgen, weet je wat er gebeurt, en wie de personages zijn – met een beetje geluk hoor je in nummers als ‘Hold You Now’ en ‘Spring Snow’ zelfs wat voor weer het buiten is (lachje). Al gaat het niet op voor elk nummer: het blijft Vampire Weekend.”


Miserabele Denkwereld

 Je stond, zowel muzikaal als privé, op een scharnierpunt in je leven. Was het ooit een optie om géén Vampire Weekend-muziek meer te maken?

Koenig “Ik heb me wel afgevraagd: is er écht nog een nieuw hoofdstuk van ons verhaal nodig? Daar worstelde ik bij de vorige plaat al mee. Als je te hard begint te relativeren, dan is het antwoord op die vraag natuurlijk altijd: ‘Néé, de wereld draait wel verder zonder jouw muziek.’ Maar er zijn mensen die met ons opgroeien en ouder worden, en dan vind ik het leuk om af en toe de verbinding met die mensen aan te gaan door een plaat uit te brengen, als een soort statusupdate (lachje).”

 Je beschouwt ‘Father of the Bride’ als een dubbelelpee. Waarom moest het zoiets worden?

Koenig “Toen ik na mijn rustige periode begon te schrijven, stróómden de ideeën eruit – alsof ik een dam had gebroken en het water allemaal in één keer naar beneden gutste. Ik had de wildste ideeën: ‘Misschien kan ik wel twéé dubbelplaten tegelijk uitbrengen!’ (lacht) Op een bepaald moment was er een versie van ‘Father of the Bride’ met 32 nummers – daar hing, eerlijk gezegd, wel wat vet aan. Nu hebben we achttien nummers, die stuk voor stuk, althans wat mij betreft, perfect op hun plaats zitten.”

“Natuurlijk kan de wereld verder zonder onze muziek. Maar er zijn mensen die met ons opgroeien, en dan vind ik het leuk om bij wijze van statusupdate een plaat uit te brengen.”

Toch: dit is het streamingtijdperk. Is een dubbelplaat nog wel relevant?

“Nee, daarom twijfel ik ook altijd om het een dubbelplaat te noemen! Maar voor mij klópt het wel. Ik spendeerde vroeger al mijn zakgeld aan cd’tjes, en een dubbel-cd vond ik toen erg spectaculair. Bruce Springsteens ‘The River’, Fleetwood Macs ‘Tusk’, The Rolling Stones’ ‘Exile on Main Street’... Dat zijn mijlpalen uit de carrières van die artiesten, hè – aan een dubbelplaat hangt gewicht! Maar de huidige generatie zal het er misschien niet mee eens zijn: voor mensen die Drake of The Weeknd gewoon zijn, is 18 nummers aan de korte kant (lacht).”

“Nog een reden dat een dubbelplaat me aansprak, is de complexiteit. In de vorige drie platen bezongen we telkens verschillende etappes van het leven: van tienerjaren tot het einde van de jeugd, van plezier tot sereniteit... Maar als je in een spanne van drie platen van de universiteit naar het graf gaat – want ‘Modern Vampires’ was toch vooral een plaat over de dood – wat moet je dan doen in de vólgende drie platen? Noisemuziek maken over het eindeloze niets? (lachje) Een dubbelplaat, daarentegen, geeft je de ruimte om alles tegelijk te bezingen: het serieuze naast het idiote, het zware naast het lichte. Op ‘Father of the Bride’ staan nummers die even zwaar en emotioneel zijn als eender wat we hiervoor gedaan hebben, maar ook nummers die puur plezier ademen – al die dingen samen, tegelijkertijd, door elkaar, dát is mijn visie op volwassenheid.”

Ben jij, op je 34ste, eindelijk volwassen?

“Dat weet ik nog zo niet (lacht). Ik bezing alleszins hoe ik me voel na de existentiële crisis die ik toch wel heb doorgemaakt in mijn late twenties. Je wordt zachter en rustiger nadat je heelhuids uit zo’n depressieve periode bent geraakt. De angst gaat liggen. Het ouderschap heeft daar ook mee te maken: het kan stresserend zijn, maar neemt ook veel stress weg. Je carrière en je ego zijn opeens veel minder belangrijk dan ze ooit leken.”

“Ken je die nachten wanneer je niet kunt slapen en gepijnigd wordt door lastige herinneringen of verstikkende gedachten? Om 4 uur ’s nachts – mijn vader stond toen al op de set – is het moeilijk om je in te beelden dat je ooit nog úít die miserabele denkwereld zult raken. Maar de volgende ochtend word je wakker, drink je een kopje koffie, lach je met iets belachelijks, en ben je weer oké. Stilaan besef je: there are no answers to those 4 a.m. questions – en dat is oké. Het enige antwoord is: wakker worden en lachen met een meme van springende katjes (lacht). Ziehier mijn samenvatting: ‘Father of the Bride’ is een mengeling van de vragen ’s nachts en de katjes ’s morgens.”

‘Father of the Bride’ verschijnt op 3 mei bij Columbia.

© HUMO

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234