Donderdag 13/05/2021

AchtergrondCharles Baudelaire

Tweehonderd jaar na zijn geboorte staat de verdoemde dandy-dichter Baudelaire weer in de aandacht

Portret van Baudelaire door de Franse fotograaf Nadar, 1858. Het hoofd van de dichter lijkt te ‘barsten van de verontrustende ideeën’.  Beeld rv
Portret van Baudelaire door de Franse fotograaf Nadar, 1858. Het hoofd van de dichter lijkt te ‘barsten van de verontrustende ideeën’.Beeld rv

Een golf aan publicaties wakkert de aandacht aan voor Charles Baudelaire (1821-1867), tweehonderd jaar geleden geboren. Vanwaar die blijvende fascinatie voor de begaafde poète maudit, stadsflaneur en duistere dandy, die zichzelf onherroepelijk ten gronde richtte?

Een poos lang bedreef Baudelaire de liefde uitsluitend met zwartfluwelen handschoenen aan. Nietsvermoedend besmette de dichter zijn talloze bedgenotes met de syfilis die hij al vroeg onder de leden had. Om de burgerman te choqueren, verfde hij weleens zijn haren groen. Vanaf zijn negentiende schuimde deze zoon van een uitgetreden priester fanatiek de Parijse bordelen af, waar hij zijn voorliefde voor exotische en lugubere prostituees als ‘Sara la Louchette’ (‘Schele Sara’) botvierde. Hij experimenteerde met de roes van hasjiesj in de merkwaardige ‘Club des Haschichins’ en schreef over zijn ervaringen in de klassieke verhandeling Les paradis artificiels (1860). Uiteindelijk prefereerde hij de wijn, want ‘die verhoogt de wilskracht, terwijl hasjiesj die uit de weg ruimt’. Verslaafd raakte hij evenwel aan opium, tot 150 druppels per dag.

Edmund White noemt Charles Baudelaire in De flaneur (2001) misschien wel ‘de eerste performancekunstenaar uit de geschiedenis’, omdat hij volkomen volgens zijn esthetische idealen wilde leven. Maar met zijn ‘ernstige drang tot verkwisting’ en zijn peperdure smaak – hij gaf fortuinen uit aan smaragdgroene wijnroemers, middeleeuwse meubelen of bijzondere kostumering – kwam Baudelaire al vanaf zijn 23ste onder curatele. Nadat hij de erfenis van zijn vroeggestorven vader François had verbrast, tijdens zijn pompeuze periode in het Hôtel Pimodan op het Île Saint-Louis, lag hij voortdurend in de clinch met zijn stiefvader, de gehate generaal Aupick, die hem op zeereis verbande. Bij terugkeer smeekte de tot ‘gemeubileerde kamertjes’ veroordeelde dichter zijn moeder om financiële toeschietelijkheid.

Het valt van naaldje tot draadje na te lezen in de bloemlezing uit zijn correspondentie die Kiki Coumans met verve vertaalde: Mijn hoofd is een zieke vulkaan. Daarin zien we Baudelaires ongedisciplineerde leven geboekstaafd, dat merkwaardige contrast tussen zijn ‘onberispelijke verschijning en zijn nerveuze aard’, aldus Coumans. Het manipulatieve gehengel om geld bij zijn geadoreerde maar soms ook afstandelijke moeder doet potsierlijk aan. ‘Je ziet hoe meedogenloos en egoïstisch mijn genegenheid is’, klinkt het kwaadsappig. Dat egocentrische opportunisme beproefde Baudelaire ook bij collega-schrijvers.

‘Ultra-fashionable’

Een spotprent van Nadar bezorgde Baudelaire de bijnaam ‘prins der kadavers’. Op de robuuste, iconische portretfoto’s van dezelfde Nadar doet Baudelaires demonische blik ons onwillekeurig verstijven. Het is inderdaad alsof zijn hoofd ‘barstte van de verontrustende ideeën’. Zeker is dat de steevast in zwart gehulde ‘ultra-fashionable’ een abonnement had op het schandaal. Toen zijn twintig jaar lang ‘met woede en met geduld gekweekte’ dichtbundel Les fleurs du mal op 25 juni 1857 het licht zag, was het hek helemaal van de dam. Baudelaire had toen nog slechts enige naam als kunstcriticus of als vertaler van zijn geestverwant Edgar Allan Poe. In de prozavertelling La fanfarlo (1847) had hij wel al zijn lange liefdesaffaire met de ongeletterde danseres Jeanne Duval verwerkt, de ‘Zwarte Venus’, die ‘grillige godin bruin als de nacht’.

Baudelaire zag de bui hangen. Le Figaro betitelde Les fleurs du mal – oplage 1.100 exemplaren – als ‘poëzie van lijkenhoop en slachthuis’. ‘Het verfoeilijke gaat hand in hand met het weerzinwekkende’, bazuint de krant op 5 juli 1857 op de voorpagina. In een rapport aan Binnenlandse Zaken is dan weer sprake van ‘een weefsel van godslasteringen’. Spoorslags wordt het boek in beslag genomen bij uitgever Auguste Poulet-Malassis, die Baudelaire door dik en dun zal verdedigen.

De gekrenkte dichter stapt met een zwarte rouwband om de arm door Parijs. Op het proces wordt gesommeerd dat er zes gedichten uit de bundel moeten verdwijnen, vanwege hun ‘grof realisme’, ‘kwetsend voor de eerbaarheid’. De schrijver krijgt een boete van 300 francs; op de slotzitting verscheen hij kaalgeschoren en met kraagloos overhemd, alsof de guillotine hem opwachtte.

Gustave Flaubert – een jaar eerder ook op het gerechtelijke matje geroepen voor Madame Bovary (1856) – toonde zich ‘diep verontwaardigd’ over de ‘onzinnige’ vervolging van Baudelaire. En Victor Hugo prees hem in een brief op 30 augustus 1957: ‘Uw bloemen van het kwaad stralen en verblinden als sterren. Ga zo door. Ik roep uit alle macht bravo tegen uw scherpe geest.’

Maar terwijl Flauberts Madame Bovary na zijn proces een successchandaal werd, is dat niet het geval met het visionaire Les fleurs du mal, dat hij in een ‘gekuiste’ editie met 32 gedichten uitbreidt. Merkwaardig genoeg rees de ster van Baudelaire pas na zijn dood. Arthur Rimbaud noemde hem ‘de eerste ziener, koning der dichters, een ware God’ en ook Verlaine en Mallarmé liepen er hoog mee op. Baudelaires impact op de symbolisten, het decadente fin de siècle, de surrealisten en de punkbeweging is immens. “Zowel David Bowie en Lou Reed als de new wave van de jaren 80, met The Cure of the Dandy Warhols, vielen voor zijn mix van het flamboyante en het obscure”, schrijft Daniel Salvatore Schiffer in L’ivresse artiste (2021).

Schoonheid uit het verdorvene

Wie de verdorven sprankeling van De bloemen van het kwaad opnieuw wil ondergaan – een noodzakelijk elixir op tijd en stond – kan dat met de heruitgebrachte geraffineerde vertaling van de betreurde dichter Menno Wigman (1966-2018), verstokt Baudelaire-acoliet.

Baudelaire, schrijft Wigman in een helder voorwoord, was een van de eerste dichters voor wie de poëzie ‘geen week en ongevaarlijk spel’ was. De dandy die ‘grandeur zocht in pessimisme en eenzaamheid’ was het toonbeeld van de poète maudit, die tot (én over) de limiet gaat voor zijn kunst en zichzelf uitwoonde.

Wigman beschouwt ‘extase’ en ‘neerslachtigheid’ als sleutelbegrippen van Baudelaires poëzie. ‘De mens is zowel een engel als een beest, een zondaar als een heilige, die voortdurend tussen twee tegenpolen werd geslingerd.’ Agressieve maar ook wanhopige hartstochtkreten zijn het, laverend tussen weerzin en wellust, weliswaar feilloos van structuur: het sonnet was niet voor niets Baudelaires geliefkoosde vorm. Les fleurs du mal sudderde al vroeg in zijn geest. In een schoolopstel fantaseerde hij over dodelijke bloemenpracht én een Romeinse keizer die een marteling bedacht met sneeuw van rozenblaadjes, die vanuit het plafond bleef ronddwarrelen en mensen in een kamer verstikte.

Grafmonument voor Charles Baudelaire op het Parijse kerkhof van Montparnasse.  Beeld EPA
Grafmonument voor Charles Baudelaire op het Parijse kerkhof van Montparnasse.Beeld EPA

Nog belangrijker is hoe de vermetele modernist Baudelaire de sensaties, bewegingen en geuren van de grootstad in de poëzie introduceerde, hij die de natuur zo hartgrondig haatte. ‘Een immens reservoir van elektriciteit’ en ‘de meest verontrustende hoofdstad die er bestaat’, zo betitelde Baudelaire Parijs, dat een verscheurende ambiguïteit opriep én net door baron Haussmann drastisch onder handen werd genomen. Uitroepen als ‘Horrible vie! Horrible ville!’ zijn schering en inslag: hij verloor zijn tijd, zijn geld en zijn ziel in alle uithoeken van Parijs en kreeg het op zijn heupen van de banale tronies op straat. Maar de stad was ook ‘die reusachtige hoer wier helse bekoring me voortdurend verjongt’.

Baudelaires gedichten, ‘ongeëvenaarde, puntgave mechaniekjes’, schrijft Coumans, vervolmaakte hij vaak tijdens het wandelen. ‘Baudelaire werkte traag en onregelmatig, nam twintig keer dezelfde passages door, waarbij hij urenlang ruzie met zichzelf maakte over een woord, en stopte midden op een bladzijde om zijn denken in de oven van het flaneren en converseren te koken’, noteerde vertrouweling Charles Asselineau. Dat flaneren culmineerde in Het spleen van Parijs, nu op grootformaat stijlvol heruitgegeven bij uitgeverij Voetnoot. Het zijn vijftig sublieme prozagedichten die in 1869 postuum verschenen en zijn faam nog aanzwengelden. Wéér rees Parijs er in al zijn beroezende ongrijpbaarheid uit op.

Onbehagen

Spleen is dat prachtige, uit het Engels geplukte woord voor milt, het orgaan dat als ‘de zetel der zwaarmoedigheid’ gold. Spleen staat voor een mengeling van ‘melancholie, lusteloosheid en onbehagen’, en vooral een ‘lijden aan de tijd’. Deze gevoelsuiting cultiveerde Baudelaire. Het spleen van Parijs, een ‘werkje waarvan redelijkerwijs niet gezegd kan worden dat het kop noch staart heeft, omdat juist alles er kop en staart aan is’, schreef Baudelaire, bleef beroemd door het veel geciteerde adagium, dat de zuipschuiten onder ons munitie geeft: ‘Wees altijd dronken. Daar komt het op aan: het is het enige wat telt. [Om niet de verschrikkelijke last van de Tijd te voelen die je schouders verbrijzelt en je naar de aarde toe drukt, moet je je onophoudelijk bedrinken.] Maar waaraan? Aan wijn, aan poëzie, aan de deugd, dat moet je zelf weten. Maar bedrink je.’

Ondanks alle vergankelijkheid én de ophoping van desillusies, zit er iets tintelfris aan deze teksten. Het zijn ‘snapshots’ waarin Baudelaire ‘een bad in de mensenzee’ neemt, zich laat meevoeren ‘in de maalstroom van de metropool’, zoals vertaler Jacob Groot het omschrijft, ‘heerlijk toegankelijk en weldadig ironisch’.

Baudelaire kwam uiteindelijk tot rust op het Cimetière du Montparnasse. In het door hem gehate ‘pauvre Belgique’ was zijn aftakeling ingeluid, waarna hij halfverlamd wegkwijnde. Amper 46 jaar oud werd hij – o ironie – bijgezet in de tombe van zijn versmade stiefvader Jacques Aupick.

Charles Baudelaire, ‘Het spleen van Parijs’, Voetnoot, 174 p., 35 euro. Herziene vertaling

Jacob Groot, illustraties van Miro Svolik, ‘Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad’, Prometheus, 136 p., 19,99 euro. Vertaling van wijlen Menno Wigman

Charles Baudelaire, ‘Mijn hoofd is een zieke vulkaan, brieven, bezorgd en vertaald door Kiki Coumans’, De Arbeiderspers, Privédomein, 370 p., 29,50 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234