Zondag 17/11/2019

Literatuur

‘Turks fruit’ van Jan Wolkers was ongezien expliciet. Toch sneuvelde een expliciete passage

Beeld RV

Een halve eeuw na de publicatie van Jan Wolkers’ geruchtmakende ‘Turks fruit’ onthult zijn biograaf Onno Blom een geschrapte passage. Wolkers beschrijft daarin de verhouding tussen zijn alter ego en een zwanger Indonesisch meisje.

Turks fruit bestaat vijftig jaar. In november 1969 ontketende Jan Wolkers met de publicatie van zijn roman een storm die nog altijd niet is gaan liggen. Niemand schreef zo rauw en expliciet over seks, niemand wist zo te ontroeren met zijn verhaal van liefde en dood. Dit jaar verscheen de 57ste druk. Het boek werd in meer dan twintig talen vertaald. Wereldwijd werden meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. 

Wolkers’ biograaf Onno Blom reconstrueerde de ontstaansgeschiedenis van Turks fruit en ontdekte een opwindende passage over de verhouding met een zwanger meisje die Wolkers destijds schrapte.  

Hoewel de Nederlandse samenleving razendsnel aan het veranderen was, studenten in 1969 universiteitsgebouwen bezet hielden en langharige, wiet rokende jongeren in Amsterdam – ‘provo’s’ – in opstand waren gekomen tegen de stadsregenten, veroorzaakte de roman onder veel oudere, kleinburgerlijke en christelijke lezers een schok.

Verwonderlijk is dat niet. Vóór Wolkers waren er maar weinig schrijvers geweest die zo rauw en openhartig over seks hadden geschreven. Al in de eerste zinnen van de roman wond hij er geen doekjes om. “Ik was aardig in de rotzooi terecht gekomen nadat ze bij me weggegaan was. Ik werkte niet meer, ik at niet meer. Ik lag de hele dag tussen mijn lakens en plakte foto’s en naaktfoto’s van haar vlak bij mijn gezicht zodat ik op den duur haar dik onder de rimmel zittende oogharen dacht te zien bewegen als ik me aftrok.”

Willem Bloemena, Wolkers’ uitgever bij J.M. Meulenhoff, was zich rot geschrokken van de expliciete openingsscène. “Dat komt zo hard aan bij de mensen. Als je die weglaat, verkopen we er 100.000 exemplaren meer van.”

“Over mijn lijk”, zei Wolkers. “Geen woord gaat eruit.”

Door Jan Wolkers gemaakte foto van zijn tweede echtgenote, Annemarie Nauta. Beeld Privé-archief Jan Wolkers

Hierna vertelt Onno Blom het verhaal van de geschrapte passage.

Het grootste deel van Turks fruit heeft Wolkers gebaseerd op de bloei en neergang van zijn liefde voor Annemarie Nauta, zijn tweede vrouw. Zij heeft model gestaan voor Olga, die ‘mooie rooie’. Hij leerde Annemarie in de zomer van 1956 kennen en was op slag dodelijk verliefd. Het was een amour fou.

Van Wolkers had ik tijdens zijn laatste levensjaar, voor het schrijven van zijn biografie, exclusieve toegang tot zijn persoonlijke archief gekregen: een tuinkamer met kasten van vloer tot plafond, met allemaal laatjes met mysterieuze opschriften én een aantal ladekasten verspreid door zijn huis op Texel gevuld met waardevol oud papier. Hij bleek elke snipper uit zijn bestaan te hebben bewaard. Wolkers schreef om zelfinzicht te verkrijgen, was in zekere zin zijn eigen biograaf geweest.

Tien jaar lang heb ik me als een mol door de papierberg een weg naar het licht gegraven. Zo kon ik uit zijn dagboeken, brieven, notities en manuscripten nauwgezet de ontstaansgeschiedenis van Turks fruit reconstrueren. In een oudroze map met ‘oud werk’, ooit door Wolkers’ weduwe Karina bijeengebracht, vond ik zelfs een lange, opwindende passage uit het typoscript van Turks fruit dat hij had besloten te schrappen.

Wolkers was nog getrouwd toen hij Annemarie ontmoette. Hij was 31, zij 19. Hij woonde als jonge beeldhouwer in een atelierwoning in de Amsterdamse Zomerdijkstraat met zijn eerste vrouw, Maria de Roo, en hun twee kinderen, Erik en Jeroen. Maria en hij hadden ook nog een dochtertje gehad, Eva, maar zij was op 10 juni 1951 omgekomen bij een gruwelijk ongeluk. De tweejarige Eva was door Maria alleen achtergelaten in de wastafel en had de hete kraan over zich heen opengedraaid. De dood van het meisje was het grootste trauma uit Wolkers’ leven.

Tekeningen die Wolkers vanuit Parijs stuurde aan Annemarie Nauta, met voorbeelden van wat hij na hun hereniging met haar ging doen. Beeld Privé-archief Jan Wolkers

Hij scheidde van Maria en trouwde op 10 november 1958 met Annemarie. Het huwelijk vlamde op en doofde zo snel als een vuurpijl. Begin 1960 kregen ze heftig ruzie. Zij flirtte openlijk met een zakenpartner van haar ouders, hij gaf haar een klap. Zij vertrok – en liet Wolkers diep bedroefd achter. “De dag dat mijn vrouw mij verliet was een zwarte bladzijde in mijn levensboek”, schreef hij in Werkkleding.

In het archief van Wolkers zitten niet alleen de bewijzen van zijn erotische strapatsen, naaktfoto’s van vriendinnen, niets verhullende brieven en kaartjes, maar ook de bewijzen van rouw en verdriet om Annemarie.

Op 21 mei 1960 schreef hij: “Jij vergeet, ik niet. Ik ben je ogen, je handen, je haar, je lieve zorgen, je glaasje water bij de koffie, goed koud. Je schijfjes citroen, kappertjes, leven liefde dood, warm eendejong, dode kat, verdriet, scherfje oorbel, leed. Duimzuigen en angst, kijken naar je als je slaapt. Wrap your troubles in dreams, darling, there is no greater love. Voor ’t laatst de plaat, een platenbrief, een drieëndertigtoeren liefde. My heart belongs to daddy. Laat een d weg, één d maar. Kinderen gaat het makkelijk af. Als je niet wordt als een kind zul je het koninkrijk der hemelen niet beërven. Een enkel klein dtje maar. Ik ben vanavond gelukkig omdat ik weet dat ik van je blijf houden. There is no… genoeg, genoeg. Gewoon kussen en liefde, ik buig m’n hoofd en bid voor de heldin, en gewoon kussen en liefde.”

Tekeningen die Wolkers vanuit Parijs stuurde aan Annemarie Nauta, met voorbeelden van wat hij na hun hereniging met haar ging doen. Beeld Privé-archief Jan Wolkers

Deze brief, geschreven op de tonen van het schrammende trompetje van Dizzy Gillespie, bevat Turks fruit in een notendop. Negen jaar vóór publicatie. Toen al begon Wolkers zich tot Annemarie te verhouden als ‘de heldin’. In een roman kon hij een monument voor zijn verloren geliefde oprichten. Haar vasthouden zoals hij haar had gezien. Wraak nemen op het verleden.

Om dat doel te bereiken, bleek Wolkers tot alles bereid. In de zomer van 1966 – toen zij op het punt stond met haar nieuwe man te emigreren – vroeg hij Annemarie of ze met hem wilde komen praten. In zijn atelier vroeg hij haar in drie opeenvolgende gesprekken de hemd van het lijf. Zonder dat zij het wist, nam hij die gesprekken op met een cassetterecorder die onzichtbaar onder de tafel stond.

Annemarie vertelde zich in het huwelijk gevangen te voelen: “Je kon niet eens stiekem in je neus peuteren.” Ze verwonderde zich over zijn seksuele drift: “7 x per dag. Na ’t ontbijt, na de lunch. Als ik in de keuken stond koffie te zetten, dan dacht ik, daar komt hij weer. Ik heb ’t uitgerekend: 7 x per dag. Heb je dat nog? Je was zo’n doordrijver.”

Daaronder schreef Wolkers jaloers: “Alle mannen die je na mij had waren slappelingen.”

Op 7 mei 1969 pakte Wolkers zijn spullen om met zijn derde vrouw, Karina Gnirrep, een maand te gaan werken in een piepklein bakstenen huisje in de schaduw van de vuurtoren op Texel. “Al het materiaal voor Turks fruit in een koffer, bandjes van gesprekken met Annemarie.”

Het is evident dat Wolkers zich voor Turks fruit tot in de details heeft gebaseerd op de werkelijkheid. Maar hij heeft de geschiedenis naar zijn hand gezet, van alles weggelaten, toegevoegd en op zijn kop gezet. Zijn fantasie de vrije loop gelaten. Een echte, klassieke tragische roman geschreven.

Olga is ook niet het portret van één vrouw. Hij gaf haar het uiterlijk van Annemarie, maar stopte ook allerlei eigenschappen en uitspraken van Karina in Olga. De scène waarin zijn alter ego een klaproos tussen de billen van Olga stopt en die tot mooie rooie moes slaat met een latje, is Annemarie nooit overkomen. “Dat was bij mij”, vertelt Karina Wolkers laconiek. “Jan stak die klaproos tussen mijn billen en ik rende giechelend voor hem uit.”

Bovendien ontleende hij de dood van Olga – zij sterft aan een hersentumor – aan het sterfbed van een vriendin, de fotografe Ida Sipora. Ida was in 1962 geopereerd aan een hersentumor die haar uiteindelijk fataal zou worden. Wolkers was haar gaan opzoeken in het Academisch Ziekenhuis in Leiden. Er was een luikje in haar hoofd gezaagd om de tumor weg te halen. Het was een beeld dat Wolkers niet meer kon vergeten – en dat bij hem opkwam toen hij Olga in de roman moest laten sterven.

Jan Wolkers’ foto van een Indonesische vriendin. Beeld Privé-archief Jan Wolkers

Wolkers had de dood van Olga zó overtuigend geschreven, dat de hele crew van Verhoevens Turks fruit dacht dat alles zich werkelijk zo had afgespeeld. Monique van de Ven, 19 jaar jong pas, antwoordde bij een interview voor AVRO’s Televizier op de vraag wat ‘de echte Olga’ van haar vertolking zou vinden: “Olga is dood.”

Maar Annemarie Nauta is nog in leven.

“Het geeft mij grote voldoening dat ik die hele bewogen, intense levensfase met die rode vrouw nu, samengevat in één boek, zo uit de kast kan pakken”, zei Wolkers in een interview vlak na verschijning van het boek. “Ik heb het nu helemaal verwerkt. In alle betekenissen.”

Voor Annemarie was dat anders, vertelde ze mij een paar jaar geleden. Ze maakte zich er verschrikkelijk kwaad over dat ze door haar ex-man in haar blote reet was gezet. Maar nog kwalijker dan de weergave van de naakte feiten, vond zij wat Wolkers er in zijn roman mee had gedaan. Juist de fictie stond haar tegen.

Gedurende de hele zomer van 1969 op Texel tikte Wolkers gestaag één of twee pagina’s per dag. Karina las mee, corrigeerde de tikfouten en zei hem wat ze ervan vond. Op 11 augustus noteerde Wolkers in zijn dagboek: “Karina leest Turks fruit helemaal. Ze is erg enthousiast. We neuken op de divan.”

Wolkers maakte altijd verschillende versies van zijn romans. Bij de eerste versie laste hij zo weinig mogelijk pauzes in. Hij draaide lange stroken faxpapier in de machine, zodat hij kon doortikken en geen nieuw vel hoefde te pakken. Daarna tikte hij het hele typoscript nog een paar maal uit.

In het laatste stadium van het schrijven las Wolkers zijn roman ‘als zijn ergste vijand’. Hij schrapte wat hij te veel vond. Of toch niet goed genoeg.

Beeld Privé-archief Jan Wolkers

Geen van de typoscripten van Turks fruit bestaan nog. Zelfs het definitieve niet. Maar er zijn wel twee passages bewaard gebleven die Wolkers uit de uiteindelijke versie van zijn roman heeft geschrapt. Eén passage beschrijft de kinky verhouding met een Frans model. “Je mocht pas met haar naar bed als je, wanneer je je had uitgekleed, een paar van die korte Duitse laarzen aandeed, die ze van onder haar bed tevoorschijn haalde.”

Maar er was nog een passage die Wolkers schrapte. Die maakte deel uit van het hoofdstuk ‘Veiligheidslucifers’, over de vriendinnen, vrouwen en meisjes met wie de held na het vertrek van Olga allemaal naar bed gaat. Die passage was veel betekenisvoller en telde meer dan tweeduizend woorden.

Wolkers beschreef er de verhouding in tussen zijn alter ego en een hoogzwanger meisje uit de buurt, een van de prachtige Indonesische meisjes die hij leerde kennen na het vertrek van Annemarie. Het had “de zwangerschapsneuker” hevig opgewonden. “Soms nam ik zo’n bruin speentje in mijn mond en zoog, want het is verdomde lekker om te spuiten en te drinken. En andersom.” In hetzelfde bed waarin de held de grootste liefde van zijn leven beleefde, wordt de baby van de Indonesische geboren. “Noem haar maar Olga.”

De scène maakte alles misschien té mooi rond. Voelde niet authentiek aan. Er was – voor de goede orde – ook nooit een minnares bevallen in Wolkers’ bed. De geboorte van een meisje in zijn eigen bed kan hem wel eens te nabij zijn gekomen.

De dag nadat hij met Karina in 1969 teruggekeerd was van Texel, typoscript van Turks fruit onder de arm, is Wolkers in zijn atelier in de Zomerdijkstraat achter de Olivetti gaan zitten. Hij wilde een slothoofdstuk schrijven, een epiloog bij zijn verhaal van liefde en dood. Maar zijn vingers bleven rusten op de toetsen. Hij stond op en zei tegen Karina: “Het is goed zo. Het is af.”

De geschrapte passage

en om een eind te maken aan dat gesnotter zei ik dat je Marilyn waarschijnlijk niet af zou kunnen leggen zonder een erectie te krijgen. Ze sprong op alsof er een schorpioen onder haar lichaam zat en begon me met slappe handen overal te kletsen waar ze me kon raken. Eerst liet ik haar maar uitrazen, maar toen ze me een lel op mijn neusbeen gaf waarvan ik dacht dat ik onderuitging werd ik plotseling zo giftig dat ik haar uit bed sleurde en haar naakt met haar kleren er achteraan de winderige avond in duwde. Maar daarmee was de beproefing nog niet ten einde, ik leerde een hoogzwanger Indonesisch meisje kennen. Ze was zo ontstellend mooi met haar dikke buik en grote ogen dat ik me eindelijk weer eens in het zweet half kapot naaide zoals bij Olga. Omdat haar moeder werkte kon ze alleen maar overdag komen. Ze vertelde me niet waar ze woonde, want als ik het in mijn hoofd zou halen haar op te zoeken zou haar moeder haar met buik en al het huis uit schoppen. Ze belde me op dat ze kwam en dan kwam ze ook. Een halfuur later. Soms vroeg ik me af of ze niet veel verder was dan zeven maanden zoals ze zei want als ik een borst vasthield en ik drukte spoot de melk in mijn gezicht en als ik met haar naaide — in zijligging voor haar bewegende buik — welde dat witte kleverige spul uit haar tepels. Soms nam ik er een in mijn mond en zoog, want het is verdomde lekker om te spuiten als je drinkt. En andersom. Toen ze weer een keer bij me was en het niet meer ging, zelfs niet achter langs, kreeg ze ineens verschrikkelijke pijn. Ze zei dat ik haar meteen in de auto moest tillen en naar huis brengen. Maar als ik mijn armen onder haar probeerde te krijgen ging ze gillen. Ik ging naast haar zitten en hield haar hand vast, want ik dacht dat het wel zou afzakken. Maar ze ging harder kreunen en kneep mijn hand bijna tot moes. Terwijl ze steeds smeekte om haar naar huis te brengen. Waarom ik de GGD niet heb gebeld, weet ik niet. Misschien vond ik het wel fijn als er een kind geboren werd in dat waar Olga en ik zo vaak vruchteloos de liefde hadden bedreven. Misschien had ik haar wel bij me willen houden. Ze begon ineens, tussen het draaien en golven van haar onderlichaam door te ijlen. Ze zei dat het verschrikkelijk was, dat ze naar huis moest. Dat ze getrouwd was en zielsveel van haar man hield. Maar dat hij na de derde maand niet meer met haar naar bed gewild had omdat hij het onestetisch vond. Dat ze het niet had kunnen laten. Ze liet mijn hand los en begon ineens verschrikkelijk te rillen en op haar dichtgeknepen ogen kwamen zilverige plasjes van de tranen. Ik rende naar de telefoon en belde de dichtsbijzijnde dokter. Ik kreeg zijn assistente die zei dat de dokter op visite was en haar zo wel terug zou bellen. Dan zou ze het meteen doorgeven. Ineens hoorde ik een kreet alsof de kat krols was geworden. Ik riep dat hij er al was en gooide de hoorn op de haak en rende terug naar het bed. Tussen haar benen stak een zwartbehaard koppetje naar buiten met een kwaaiig ouwemannengezichtje. Onder zijn schedeltje lag een drol die door het persen naar buiten was geschoten. Het stonk naar stront en baby. Ze lag in een grote plas vocht die niet meteen door de lakens wegzakte. Ik rende weer wanhopig naar de telefoon. De assistente zei dat de dokter onderweg was en mocht het kind er zijn voor hij arriveerde dan moest ik er vooral voor zorgen dat ik het wurm warm hield. Dat ik er een paar warmwaterkruiken omheen moest leggen. Toen ik weer door die zwartgeblakerde schilderijen als door een labyrinth naar het bed liep lag het kind tussen haar benen. Het zag eruit als een gevild konijn. Ik durfde er niet goed naar te kijken omdat er allemaal bloederige troep en kronkelige dingen bij lagen alsof ze haar darmen mee naar buiten had geperst. Met een punt van het laken veegde ik het parelende zweet van haar bleke gele gezicht en was wanhopig want ik wist niet wat ik doen moest. Ze lag doodstil en ze glimlachte, daarom was het net of ze dood aan het gaan was. Ik ging maar de buren bellen of er iemand een warmwaterkruik had want ik wist bij god niet wat ik aan dat slagveld in mijn bed moest doen. Niemand bezat zo’n ding. Toen haalde ik alle lege jeneverflessen uit de keukenkast op en vulde die met warm water. Ze lag rond te kijken toen ik met mijn arm vol drankflessen aan de rand van het bed kwam staan en vroeg verwonderd met haar ogen wat ik nou wilde. Ik legde het haar uit en ze deed haar benen een beetje verder uit elkaar zodat ik tussen de binnenkant ervan en het mormeltje de flessen kon leggen. Het bewoog dus het leefde nog. Ze vroeg of het goed was met het kindje. Ik zei dat het bewoog en dat het lag te kijken. (Wat niet waar was want op de plaats van zijn ogen zaten alleen maar dichtgeknepen rimpeltjes.) Toen wilde ze weten of het een jongen of een meisje was. Ik kon het niet zo goed zien door die slangentroep en die blubber zodat ik met de onderkant van een jeneverfles de boel een beetje opzij duwde. Een jongen, zei ik. Op hetzelfde moment belde de dokter. Zenuwachtig als een jonge vader liep ik voor hem uit. Terwijl hij een paar rubber handschoenen aanschoot waar een wolkje talkpoeder rond zijn polsen uitkwam, zei hij: ‘Knap werk. Dat presteren onze meisjes niet.’ Toen zette hij de jeneverflessen een voor een door, pakte het knaapje bij de beentjes, hield het omhoog en sloeg een paar keer keihard op de billetjes. Het begon ineens te krijsen. ‘Gefeliciteerd, zei hij. Een pracht van een dochter.’ Daarna hebben we uren zitten praten, eerst met de dokter erbij, maar die trok zijn handen er verder van af. Nadat ik hem geholpen had het zeiknatte beddengoed met troep voorzichtig onder haar uit te trekken en er een stuk plastic met een schoon laken voor in de plaats te schuiven, hij van een hemd van mij een navelbandje had gescheurd en de baby in een badstoffen trui van mij had gewikkeld en een Groene Kruis-verpleegster had gebeld, beschouwde hij zijn taak als beëindigd. Voor hij vertrok drukte hij me op het hart dat ze beslist niet eerder dan over vier dagen vervoerd mocht worden. En met haar kwam ik overeen dat we gewoon de waarheid aan haar man zouden vertellen. Ik belde hem op zijn bureau op – hij zat in de reclame – en kwam meteen naar ons toe. Het was een blonde jongen met sluik haar en een langzame sombere stem. Zwaarmoedig ging hij naast het bed zitten en ik liet haar het hele verhaal maar doen. Om de paar zinnen herhaalde ze steeds dat het mijn schuld niet was. Dat ze het bezwoer dat ik niet geweten had dat ze getrouwd was. En toen kwamen de huilbuien, want ze was doodmoe en verzwakt, en de verwijten. Dat hij haar maanden in de kou had laten staan. Dat ze niet meer geweten had wat ze met haar lichaam aan moest. Ik ging maar zo lang naar de keuken want begon pijnlijk voor me te worden. Ik ruimde wat op en goot de jeneverflessen in de gootsteen leeg. Steeds hoorde ik haar huilend praten maar ik kon nu tenminste niet meer verstaan wat ze zei. En soms hoorde ik zijn zware sombere stem iets zeggen. Toen was het ineens stil en later kwam hij bij me in de keuken vragen of ik een flesje bier in huis had. En ik moest er zelf ook een nemen en meegaan. En hij gaf me een hand en zei dat ik er ook geen donder aan kon doen. En zo zaten we samen in mijn atelier naar de verpleegster te kijken hoe die orde op zaken bracht en bij de baby mijn badstoffen trui verruilde voor in de buurt gekochte babykleertjes. Hij ging met een taxi thuis de kinderwagen ophalen want we spraken af dat ze bij mij zou blijven tot ze uit bed mocht, terwijl ik bij de buren een veldbed voor hem leende. Daara trok ik me terug op mijn voorkamertje maar hij kwam me halen en zei dat ik erbij hoorde. Hij had een spel kaarten meegebracht van huis en haalde ook nog een krat pils. En zo zaten we iedere avond, of zij nou de baby moest voeden of doodmoe niet in slaap kon komen, te zuipen, te kaarten en te roken. Hij dertig sigaretten per avond en acht flesjes pils. En als hij halverwege was ging hij minder traag praten en kwamen de verhalen los over Indonesië. Dan vloekte en schold hij op de regering uit die tijd want van zijn onderdeel waren drie jongens gesneuveld waarvan een een boezemvriend van hem was. En dan eindigde hij altijd met te zeggen dat een andere vriend en van hem die geweigerd had en was ondergedoken hem had geschreven dat ze ’s nachts op de muren kalkten: RIJST PER SPOOR en BEUL EN DREESS IN KOLONIALE WAREN. En dat hij het te laat door had gehad dat hij er gewoon door een stel oudkolonialen op uitgestuurd was om te moorden in een land waar hij niets te maken had. Toen zij helemaal hersteld was en een beetje wankel en ineens tenger door het atelier kon lopen, zei hij, voor een taxi ging bellen, dat ik een naam voor zijn dochtertje moest verzinnen want dat ze met de naam van zijn vrouw, die hij op de burgerlijke stand had opgegeven, later toch op school gepest zou worden. Ik zei dat ik het niet wist, maar toen ik met die baby in mijn armen stond terwijl hij zijn vrouw de taxi in droeg en de chauffeur de kinderwagen in de bagageruimte manoeuvreerde, wist ik ineens. Terwijl ik ze het kind op de achterbank overhandigde zei ik: ‘Noem haar maar Olga.’ Hij knikte maar ik weet niet of ze het gedaan hebben. Ik heb ze nooit meer ontmoet ondanks dat hij me verschillende keren met een zwaarmoedige stem opgebeld heeft om eens langs te komen om een pilsje te drinken en een kaartje te leggen. Misschien heb ik het niet gedaan omdat ik bang was dat ze wel weer zwanger zou worden en dat de geschiedenis zich dan zou herhalen. Dat ik een vaste zwangerschapsneuker zou worden die gewoon hoorde bij het in huis halen van navelbandjes, luiers en kruippakjes. Ik kon nu eindelijk weer in mijn atelier tussen mijn beelden en schilderijen slapen, maar toen ik het plastic van de matras haalde was hij eronder wit beschimmeld als camembert en stonk als een pan met een vergeten hap hutspot. Ik rolde hem op, wond er een touw omheen en zette hem als een soort koningin Wilhelmina naast de vuilnisbak. En daarmee was het voorgoed afgelopen. Zwanger of niet, ze kwam er niet meer in. Diezelfde dag leegde ik de bak met haarspelden, oorbellen en broches die ik in de loop der tijd in, onder en achter mijn bed gevonden had ook nog in de vuilnisbak. Ik had ze eerst als een rij ridderorden op de matras ernaast willen steken maar dat heb ik maar gelaten uit angst dat de vuilnismannen hem dan uit respect niet zouden nemen. Alleen de oorbel in de vorm van een zeepaardje die An of Wiest of Riekie altijd bij het stoeien aan mijn lul vastklemde, bewaarde ik. Als ik in het vervolg behoefte had aan een vrouw ging ik de stad in tot ik er een gevonden had met een eigen huis of kamer. En zo kwam het dat ik op de Apollolaan, in een huis waar je van de zolder tot de kelder in je naakte donder over de voer van bont en velours naar beneden kon rollen zonder je een keer te stoten, met een zo deftig wijf, een zeilschip met meer masten dan achtersteven, in bed kwam te liggen, dat ik mezelf hoorde vragen nadat ik over haar heengegaan was: ‘Bent u klaargekomen?’ En overal in de stad als ik er langs kwam en omhoog keek met mijn wang vlak tegen de voorruit kende ik de meest moeilijk langs kronkeltrappen bereikbare meisjeskamertjes. Meestal met een reproductie aan de wand van de tekening in sepia van een danseres van Delacroix of een schouwburgscène van de Toulouse-Lautrec. En dan hoorde ik hun stemmen de dingen zeggen die me waren bijgebleven: ‘Zullen we voorwerpjes bij elkaar naar binnen brengen.’ Of ‘Dat ding dat ze hebben lijkt soms tien jaar ouder dan ze zelf zijn.’ Gertie, die een wand van haar zolderkamertje van onder tot boven beplakt had met schelpen waar ze met haar voorkant naakt tegen ging staan als ik met mijn broekriem haar een paar flinke kletsen voor haar billen moest geven terwijl ze riep: ‘Gesel mij meester, gesel mij!’ Ze had eerst op een gesticht gewerkt waar ze wezens moest verzorgen die niet aanspreekbaar waren, die niets anders konden dan liggen en die ze ‘plantjes’ noemde. Maar later had ze een cursus gevolgd om les te geven aan mongooltjes. Boven haar studeertafeltje hing een papier waarop stond: MONGOLISME IS EEN CHROMOSOON TE VEEL. Ze zei over ze, dat je soms heel sadistisch moest optreden want ze waren vaak te luis om zelf hun jasje uit te doen. Dan pakte ze ze op en zette ze de hele ochtend boven op de kast. Maar na een poosje toen ze aan haar gehecht waren, waren ze zo blij als ze kwam dat ze op de gang al om haar heen koppeltje gingen duiken van blijdschap. En van daar weer naar dat trieste etagetje in West van dat gescheiden vrouwtje met drie snottebellende kleuters. Als ik daar aankwam met snoep voor de kinderen werd ik meteen door haar in een rieten stoeltje geloosd alsof ik verschrikkelijk op krachten moest komen voor we in de slaapkamer belanden terwijl ze op de radio aan deed en zei: ‘Ga jij nou maar in een gemakkelijk stoeltje zitten met een muziekje.’ Of als ik haar hielp met de afwas en ze haalde een droge theedoek: ‘Wacht even boy, dan krijg je van mij weer een dorstige theedoek.’ En ik was soms zo lang van huis dat er roestig water kwam als ik de wc doortrok als na een vakantie en de kat weer als ik hem bij buren had opgehaald alles in huis ging beruiken alsof hij bij vreemden was.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234