Donderdag 29/10/2020

InterviewDe Vragen van Proust

Tommy Wieringa: ‘Ik heb hem neergeslagen. Daar heb ik toen wel duizend euro voor betaald, maar het was het waard’

Tommy Wieringa: ‘Tot mijn negentiende had ik eigenlijk nauwelijks een lichaam. Dat was alleen een uitgegroeide aardappelscheut.’Beeld © Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Drieëntwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: schrijver Tommy Wieringa (53). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Ik heb voor dit interview besloten om alleen maar eerlijke antwoorden te geven, dus soms zal ik moeten nadenken. Ik hoop dat jullie dat niet erg vinden.

(denkt na) “Op dit moment voel ik me precies zo oud als ik ben, namelijk 53. Maar het wisselt sterk tussen laten we zeggen 37 en 65, tussen ‘onoverwinnelijk’ en ‘voorbij’.

“Op mijn 37ste was ik arm en hongerig. En had ik niets te verliezen. Ik had geen geliefde, geen gezin en ik schreef aan Joe Speedboot. Waarvan ik het gevoel had dat het een sterk boek aan het worden was. Zonder zwakke plekken erin. Toen was ik werkelijk niemands meester, niemands knecht. En nu ben ik natuurlijk de knecht van een gezin en de knecht van succes en de knecht van opdrachten.

“Dat is mijn huidige staat. Ik kom de laatste tijd slecht aan mijn roman toe en als ik daar niet aan werk, ben ik een kwetsbaar mens.

“Alles heeft te maken met het lichaam. Als het lichaam goed heeft gerust, dan doet de geest de volgende dag mee, dan schrijf ik goed en voel ik me opnieuw onoverwinnelijk. Als de slaap mij in de steek laat, wat hij sinds twee jaar echt wel doet, dan ben ik minder scherp; een ploeterend zoogdier.

“Wat mij uit de slaap houdt, is een raadsel. Ik ga nu zeer tegen mijn zin in een maand geen alcohol drinken. Ik vind dat heel onplezierig omdat dat nu eenmaal zo gezellig is en ontspant en kortom alles doet waar je op het eind van de dag recht op hebt. Ik zal zien of het daarmee te maken heeft.

BIO * geboren op 20 mei 1967 in Goor (NL) * bracht het eerste deel van zijn jeugd door op Aruba * brak in 2005 helemaal door met de roman Joe Speedboot, waarvoor hij de F. Bordewijk-prijs kreeg * schreef daarnog o.a. Caesarion, Dit zijn de namen (Libris Literatuurprijs en prijs van de lezersjury van de Gouden Uil) en De heilige Rita (Bookspot Literatuurprijs) * columnist bij NRC Handelsblad

“Ik heb alles al geprobeerd. Tot voor kort heb ik de allerzwaarste wietolie geslikt die illegaal verkrijgbaar is. Maar die slaat je meer knock-out dan dat je slaapt. Plus, dat ik het een onaangename wetenschap vind dat het wordt gekweekt in afgelegen schuren waar boeren zwijgcontracten voor krijgen opgelegd, anders worden ze gemolesteerd of vliegen hun schuren in brand. Dat is waarom ik ook mijn cokeverslaving heb opgegeven.” (lacht)

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

(denkt na) “Mijn geloof in zelfverbetering. Ik geloof sterk in, zoals dat hier heet, van dubbeltjes kwartjes maken. Dus ook in sociale mobiliteit.

“Ik heb een geweldige sympathie voor hopeloze gevallen. Ik geloof sterk dat je ook anderen kunt helpen om zichzelf te verbeteren. Dat moet een onophoudelijke opdracht zijn. Zo werd ik zelf ook door mijn pleegmoeder op mijn vijftiende bij de haren gepakt. Ze zei: ‘En nu ga je werken voor school en je ontwikkelen.’ Het kwam neer op onophoudelijk lezen en leren. Éducation permanente. Ik had niet zo’n heel sterk geloof in eigen kunnen, maar zij zei met zoveel woorden: ‘Dan vertrouw je maar op mijn geloof in jou’. Op een zeker moment in je bestaan heb je mensen nodig die dat geloof bezitten, want dat kan zó veel betekenen. Mijn pleegmoeder had twee eigen kinderen, drie pleegkinderen, veertig katten, twee honden en zij maakte van die kinderen beter materiaal, duurzamer materiaal.

“Maar als in een omgeving de ouders dat niet doen, de buurt dat niet doet, dan heb je als overheid toch echt de taak om onophoudelijk te blijven investeren in die jongeren die buiten de boot vallen. Dat verheffingsideaal is helaas een beetje in de vergetelheid geraakt. Dat het honderdmaal mislukt, mag niet betekenen dat je niet weer opnieuw begint.”

3. Wat is uw passie?

“Ik ben echt een onetrickpony, hoor. Ik zou graag iets originelers dan ‘schrijven’ willen zeggen, maar dat is er nu eenmaal niet. Ik doe al veertig jaar niets anders dan woordjes op papier zetten, proberen macht over de taal te krijgen, proberen het wonder van het leven te herhalen op papier, en soms lukt het. Ik heb naast masturberen geen andere bezigheden die ik al vanaf mijn dertiende beoefen, geloof ik. Dus ik doe al veertig jaar hetzelfde en het is geen dag hetzelfde. Het is een zichzelf voortdurend vernieuwende machinerie.”

4. Is het leven voor u een cadeau?

“Ik ben gezegend met een gelukkige chemie in mijn hoofd en ik realiseer me ook dat ik vermoedelijk in de allerbeste tijd in de hele menselijke geschiedenis geboren ben. Ik ben geen horige in een feodaal tijdperk. Ik lijd geen scheurbuik op een schip naar de Nieuwe Wereld. Alles zit me mee. Ik leef nog net in het staartje van de tijd waarin het boek een zeker aanzien geniet. Dat had ik wel graag anders gezien trouwens. (lacht) Maar ja, ik ben toch echt een zondagskind.”

5.Welke geluksscore geeft u zichzelf?

“Grappige vraag. Ik nam laatst deel aan een sesshin, dat is een zesdaagse meditatiecursus waarin op haast militaire wijze wordt gemediteerd. Het was zwaarder dan mijn militaire diensttijd. En toen werd die vraag ook gesteld en heb ik een tien ingevuld. Want bij afwezigheid van ongeluk en pijn ben je, denk ik, jezelf verplicht een tien te geven. Mijn enige zorgen betreffen de wereld om me heen en niet mezelf, dus dat is toch een tien waard.”

6. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Wat me dagelijks plezier geeft, is het rapen van een ei in het kippenhok, want het ei is een echt evolutionair wonder. Wist je dat het eigeel met twee lange draden in het ei is opgehangen, de hagelsnoeren? En dat het eigeel daarom zo mooi in het eiwit blijft drijven? En wist je – dit kun je allemaal lezen in het boek Het vogelei van Tim Birkhead – dat een bacterie, die natuurlijk bij dat voedzame materiaal wil om zichzelf te vermenigvuldigen, eerst door die harde schil moet, daarna door dat vliesje, dat rond een gekookt eitje zit, en vervolgens nog helemaal door het eiwit heen tot bij de dooier? Dat is alsof je zonder voedsel en zonder water de Atacama-woestijn moet oversteken, schrijft hij. (lacht)

‘Probeer maar eens een dag zonder leugens te leven; op het einde van de dag ben je je baan kwijt, heeft je geliefde je verlaten, willen je kinderen je nooit meer aankijken.’Beeld © Stefaan Temmerman

“Plus dat het een sterk mythologisch gegeven is, het ei. Daar worden helden en goden uit geboren, uit eieren. Dus het ei, ja, dat is mijn dagelijkse plezier.”

7. Wat is uw zwakte?

“Onmatigheid – de roes, de bedwelming. Die gelukkig een beetje in toom wordt gehouden, want ik heb een grote gevoeligheid voor verslavingen. Op een bepaald moment heb ik gemerkt dat het heel lastig werd om nog iets te produceren bij te veel drank en drugs. Laten we zeggen dat mijn passie voor schrijven mijn zwakte overstijgt. Wat betekent dat ik me niet geheel kan overleveren aan de onmatigheid. Maar wanneer ik dat wel doe, is het ook meteen mis. Tegelijkertijd: zuipen zoals Komrij deed, kan ik niet.”

8.Waar hebt u spijt van?

“Ik heb in mijn middelbareschooltijd toch wel een paar mensen flink lopen sarren. Op het niveau van taal, hè. Dat is natuurlijk het ergste middel. Je kunt eigenlijk beter iemand een ros verkopen dan dat je hem talig kapotmaakt. Ik wist niet dat dat me dwars zat, tot ik eens droomde dat ik een jongen om vergeving vroeg. Terwijl ik dat deed, begon ik te huilen en dacht toen: wat ben je toch een klootzak, het zijn zijn tranen die je stort! Toen werd ik wakker en realiseerde me: het geweten spreekt.

“Dat is dat gewetenloze, jeugdige groepsgedrag waar ik helaas niet aan ontkomen ben.

“Voor de rest heb ik bijna nergens spijt van, omdat in een schrijversleven vrijwel niks verloren gaat. Het is een nuttig, circulair bestaan, waarin alles heel de tijd naar de bron terugvloeit. De circulaire economie van het schrijversleven, ja.” (lacht)

9. Wat is uw grootste angst?

“Mijn kinderen verliezen. Mijn God. Ik geloof dat de afgelopen tien jaar van mijn leven een oefening zijn geweest in het afwentelen van rampen. Ik heb hekken rond het huis gebouwd. Ik heb traphekken gebouwd. Ik breng ze nog steeds met de fiets naar school. Ze mogen van mij nooit alleen fietsen. Kortom, de totaal ontwortelde jeugd die ik had, ontzeg ik mijn dochters, terwijl een zeker niveau van verwaarlozing heel prettig en heel goed is voor kinderen, maar ik kan daar maar niet toe komen. Daarvoor moeten ze maar wachten tot ze 18 zijn. (lacht)

“Ik moet ook altijd denken aan het boek Schaduwkind van P.F. Thomése (over de plotselinge dood van zijn dochtertje Isa, red.) dat ik een meesterwerk vond toen ik nog kinderloos was maar nu nauwelijks zou durven te herlezen, uit bijgelovigheid. Mijn kinderen zijn omhangen met een web van bezweringen. Duizend bezweringen, elke dag.”

10. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Ik geloof vorige week toen mijn zuster trouwde. Niet hard gehuild maar zacht geweend. Toen mijn dochters een liedje zongen in de kerk. Ik zag mijn zuster huilen en daar begon het.

“Dat huilen is sinds ik kinderen heb toegenomen. Wat wel prettig is, een soort controleverlies dat ik niet zo goed ken en ternauwernood kan toelaten, dus ik kijk er met verwondering naar.”

11. Bent u ooit door het lint gegaan?

“Dat is zo’n leuke vraag. (lacht) Ik was gisteren door oude papieren aan het bladeren. En toen vond ik iets fantastisch terug wat ik jullie nu ga vertellen. Een proces-verbaal van aangifte. Door de man bij wie ik ’s ochtends mijn meisje uit huis haalde. Ze was ’s nachts niet thuisgekomen en in haar dagboek vond ik toen zijn naam. Ik heb zijn adres opgezocht in het telefoonboek, ben erheen gereden, heb aangebeld en via de intercom gevraagd of X bij hem was. En hij zei: ja. Ik zei: ik ben een oom uit Canada, ik ben blij dat ik haar gevonden heb, kunt u haar naar beneden sturen? En toen heeft hij uit totale verbijstering de deur ontgrendeld, waarop ik haar met afhangende netkousen halverwege de trap tegenkwam, naar boven ben gelopen en hem heb neergeslagen. Daar heb ik toen wel duizend euro voor betaald, maar het was het waard.” (lacht)

12. Wat is een misvatting over u?

“Dat ik niks dan ijdel zou zijn, denk ik. Maar het grappige is dat je als schrijver niet werkelijk ijdel kunt zijn. Als je ware dingen wilt schrijven, is de grootste dienstbaarheid noodzakelijk. Heel onijdel. Dus een knap Attolini-pak aantrekken, een paar spectaculaire schoenen erbij, het zwierige gebaar – als dat allemaal ijdelheid is, tja, dan ben ik op een oppervlakkige manier ijdel.

“Ik hou erg van wat John Stuart Mill zegt over excentriciteit. Hij noemt excentriciteit het medicijn tegen de tirannie van de meerderheid. Ik stel me voor dat ik mezelf zal toestaan steeds excentrieker te worden. Ik zie het aan mijn vader, die nu met grote flaphoeden en spectaculaire ruitjespakken rondloopt. Volgens mij is dat mijn route.” (lacht)

13. Wanneer hebt u het laatst gelogen?

“O, vandaag. Net, denk ik. Maar ik kan nu niet meteen een voorbeeld geven. (lacht) Er wordt voortdurend gelogen. Dat is natuurlijk gewoon een handig sociaal smeermiddel, de leugen.

“O ja, en ook afgelopen dinsdag. Toen had ik op maandagavond zoveel gezopen met collega-schrijver Jaap Scholten dat ik dinsdag echt beroerd wakker werd en dacht: ik ga niet met een kater dit interview doen. (lacht) Dus toen heb ik jullie gemaild dat ik me niet lekker voelde, waarmee ik niet helemaal de waarheid sprak. Je wilt toch altijd aardig worden bevonden.

“Je moet maar eens proberen een dag zonder leugens te leven; op het einde van de dag ben je je baan kwijt, heeft je geliefde je verlaten, willen je kinderen je nooit meer aankijken. Neen, dat gaat niet.”

14. Welk moment zou u graag herbeleven?

“De dag dat ik mijn vrouw ontmoette, dat was rond de kerstdagen van 2003. Ik was net twee maanden in Egypte geweest om onderzoek te doen voor Joe Speedboot en had een optreden gehad in de kleine theaterzaal van Bellevue in Amsterdam. Na afloop zat ik in klein gezelschap met mijn toenmalige vriendin en wat verderop zag ik een meisje zitten tot wie ik een magische aantrekkingskracht voelde. Omdat ik twee maanden geen druppel alcohol gedronken had, was ik na een paar glazen meteen in een woeste nevel beland.

‘De totaal ontwortelde jeugd die ik had, ontzeg ik mijn dochters, terwijl een zeker niveau van verwaarlozing heel prettig en heel goed is voor kinderen.’Beeld © Stefaan Temmerman

“En in die euforische stemming sprak ik haar aan, maar om de vijf minuten moest ik even terug naar mijn vriendin. Ik zei: je blijft zitten, ik kom zo terug. En dan deed ik weer even mijn plicht en ging daarna weer terug naar de verlokking van dat meisje. Probleem is dat zij in mijn herinnering rode rijgschoentjes aanhad. Als ik haar daarover vertel, zegt zij: ‘Neen, dat was mijn zuster’. (lacht) Dus ik weet nooit of ik nu verliefd op haar ben geworden of op haar zuster. (lacht) Daar zou ik wel graag opheldering over willen.”

15. Wat is uw vroegste herinnering?

“Dat ik in een koelhuis op Aruba, waar enorme trossen bananen lagen die uit Venezuela en Colombia waren geïmporteerd, een banaan stal en stiekem heb opgegeten. Eigenlijk is dit gewoon het Bijbelverhaal. Ik at een verboden vrucht.

“En een geluid. Het ruisen van mijn vaders broekspijpen. Dat zijn herinneringen aan de Antillen, mijn vroegste impressies. We woonden daar, mijn vader gaf daar les.”

16. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Neen, maar ik zou het wel willen. Een twee uur durend extatisch visioen zoals Blaise Pascal had (in de nacht van 23 november 1654, red.). ‘Vuur. God van Abraham, God van Isaac, God van Jacob, niet van filosofen of geleerden’, krabbelde hij neer op een stuk papier dat hij in de voering van zijn jas naaide en dat bij zijn dood werd teruggevonden. Daar ben ik natuurlijk jaloers op. Ik beschouw mezelf als seculier maar heb wel een belangstelling voor het ongerijmde.

“Het beleven van zo’n visioen is iets waar elke gelovige naar snakt, een lucide bevestiging van alles wat je gelooft en hoopt. Maar de meeste gelovers moeten genoegen nemen met de dorre riten, met de dorre priester van het dorp.”

17. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Over het algemeen voortreffelijk. Ik had eigenlijk nauwelijks een lichaam tot mijn negentiende. Dat was alleen een uitgegroeide aardappelscheut. Toen ben ik gaan rugbyen en sindsdien heb ik een lichaam dat het beter doet en enigszins weerbaar is. Ik vind het een prima vehikel. En ik realiseer me momenteel dat veel van mijn stemmingen lichaamsbepaald zijn.

“We schrijven een heleboel toe aan onze geest, maar we zijn eerst en vooral lichaam. Vandaar ook dat een van de eenvoudigste en tegelijkertijd effectiefste adviezen aan tobberige mensen is: ga bewegen, ga hardlopen, ga zwemmen. Doe je lichaam dat plezier, want je geest vaart er wel bij.

“In onze fantastische westerse maatschappij zijn we dat lichaam toch een beetje vergeten. We zien het enkel nog als verleidingsobject of uitvoerder van afstompende taken. Maar dat we bewegend tot onze beste ideeën komen, tja, dat is iets wat het kantoorleven niet faciliteert.”

18. Wat vindt u erotisch?

“Het onverwachte avontuur met een lichaam dat je door en door kent. De tragiek van het huwelijk is natuurlijk dat die lichamen zo vertrouwd met elkaar raken dat de erotiek gemakkelijk verdwijnt. Maar juist wanneer je daarin kleine breukjes kunt aanbrengen en nieuw terrein ontdekt, is dat een traktatie, ja. Maar de rest gaat je geen zak aan, Ann.” (lacht)

19. Wat is uw goorste fantasie?

“Ik probeer zo taboe- en schaamtevrij mogelijk te leven en mag van mezelf álles denken. Maar dan zijn er natuurlijk dingen die je uitvoert en dingen die je nalaat. (lacht)

“Er zijn mensen over wie ik in grote woede fantaseer dat ik ze exquise pijnen toebreng, vermoedelijk wel de goorste fantasieën die ik heb. Het is maar goed dat de wet mij voor de uitvoering ervan behoedt.”

20. Bent u een goede vriend?

“Ik heb vrienden aan wie ik met ontroering denk. Ja, dat zijn toch de meest constante reisgenoten in het leven. Zonder vriendschap zou het niet gaan. Ik acht het toch als een van de allerbelangrijkste kwaliteiten van een leven: goede vriendschappen onderhouden.

“De mooiste vriendschap die ik beschreven heb gezien, is natuurlijk die tussen Etienne de La Boétie en Michel de Montaigne, die des te ontroerender is omdat ze zo vroegtijdig gestopt werd door de dood van De La Boétie. Wat Montaigne schrijft over die onbaatzuchtige vriendschap, over vrienden die elkaar slechts bewonderen, die schik hebben in elkaars intellectuele vaardigheden, is heel bijzonder.

“Ik heb nu zelf een vriend, sinds een jaar of vijftien, met wie ik niet concurreer, op geen enkel terrein, want heel vaak zijn vriendschappen ook competitief, op een leuke manier, in grappen, in ironie. Elkaar de loef afsteken. En nu heb ik dus één vriend met wie ik dat niet heb. We beconcurreren elkaar op geen enkel levensterrein. We zijn zelfs nauwelijks ironisch tegen elkaar. Het is een heel dierbare vriendschap. Toen hij vijftig werd, heb ik een paar citaten uit Montaigne voorgelezen. Kennen jullie het essay? Prachtig.”

‘Bij afwezigheid van ongeluk en pijn ben je, denk ik, jezelf verplicht jezelf een tien te geven op de schaal van geluk.’Beeld © Stefaan Temmerman

21. Hoe definieert u liefde?

(denkt na) “Ik geloof toch in eerste instantie dat bij liefde je eigenbelang op het tweede plan komt. Dat geldt zowel in de liefde tot een vrouw als de liefde tot vrienden. Liefde is ook een offer dat je aan elkaar brengt, niet om de goden gunstig te stemmen, maar omdat je dat graag voor elkaar doet.

“Als de bitterheid en de gruwelijkheden van deze aarde zouden bestaan zonder de liefde, zou de menselijke soort allang zijn uitgestorven. Het laatste wat er achterblijft in de doos van Pandora is behalve hoop, toch ook liefde. Misschien ligt die wel in de hoop besloten. Liefde is wat ons wezenlijk aan het leven bindt, denk ik.”

22. Hoe zou u willen sterven?

“Langzaam al mediterend sterven, zittend, lijkt me iets prachtigs. En op een eenvoudiger niveau: zonder al te veel pijn. Dat we allemaal afstevenen op een tragedie, dat is nu eenmaal zo, maar liefst pijnloos en vlug.”

23. Wat zou u nog willen doen voor het te laat is?

“Niks. Helemaal niks. Als het te laat is, is het te laat. Ik hoop alleen dat ik mijn werk mag afmaken.”

Op 10 oktober is Tommy Wieringa te gast in het programma Alleen Elvis blijft bestaan, om 22.15 uur op Canvas.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234