Zondag 19/01/2020
Tom Van Dyck.

Interview

Tom Van Dyck: ‘Mijn vrouw heeft vaak met tranen in de ogen in mijn werkkamer gestaan’

Tom Van Dyck. Beeld Jan Aelberts

Het is bijna een jaar geleden dat Tom Van Dyck (47), vlak voor de première van zijn voorstelling Het beest in u, zijn hele tournee abrupt cancelde. Vandaag wil de acteur praten over het bestaan van de spelende mens in dit wurgende tijdsgewricht.

Tom Van Dyck: “Volgens Peter De Roover (N-VA-fractieleider in de Kamer, red.) zijn wij allemaal piemelzwaaiende en navelstarende linkse rakkers die met zijn allen aan de subsidieslurf hangen. Maar als er één sector is die niet alleen aan de slurf hangt maar de volledige olifant ook opeet, dan wel de politiek! 70 miljoen euro van ons belastinggeld gaat naar partijsubsidies. De kunstenaar wordt bovendien streng gecontroleerd en moet voor elke euro verantwoording afleggen. Waar is de transparantie bij de partijfinanciering? Er wordt gewogen met twee maten en twee gewichten, daar word ik hels van.

“Maar eigenlijk wil ik het niet hebben over die 70 miljoen, of over de 5 miljoen die de Vlaamse regering wil besparen door 60 procent minder projectsubsidies uit te reiken aan beginnende kunstenaars. Het gaat niet om de getallen, maar om de gedachtegang áchter de besparingen, om het wij-zij-denken waar alles wat de N-VA voor ogen heeft van doortrokken is. ‘Zij’, dat zijn de Walen, de migranten of de linkse piemelzwaaiende bobo’s die hen zogezegd altijd viseren. De N-VA wil dat wij-zij-denken tot een wetmatigheid maken, met als doel ‘de Anderen’ zo hard uit te sluiten dat er een monocultuur ontstaat in alle sectoren.”

Naar het schijnt verwijst minister-president Jan Jambon in zijn cultuurbegroting 104 keer naar het Vlaams erfgoed, maar niet één keer naar de kritische taak van de kunst.

“Weet je, ik vind het zo mooi dat mijn sector officieel ‘de vermakelijkheidssector’ heet. Mijn bedrijfje, De Kempvader, heeft als ondertitel ook ‘een vermakelijkheidsbedrijf’. ‘Vermaken’ kun je lezen als vertier brengen, maar ook als ‘ver-maken’, iets op een andere manier in elkaar steken, waardoor je er anders naar gaat kijken. Kunst is ze allebéí. Je móét in de kunsten dingen kunnen zeggen die je niet overal kunt zeggen. Het moet een vrijplaats zijn waar alles mag gebeuren, zodat de toeschouwer denkt: verrek, zo kun je het ook bekijken!

“Maar dat ‘ver-maken’ verstoort natuurlijk het hokjesdenken dat de N-VA zo graag aanhangt. Zij promoten liever een monocultuur en willen schoonheid eenduidig definiëren: ‘De oude meesters, die wisten wat schoonheid is.’ Als ze hun zin krijgen, kunnen we straks enkel nog toneelspelen in Bokrijk. ‘Kijk, vroeger hadden we in Vlaanderen acteurs... Tof!’, zullen de mensen dan zeggen.

“Patrick Dewael (Open Vld) heeft het niet kunnen laten om te tweeten: ‘Cultuurbeleid is meer dan het conserveren van ons roemrijke verleden. De creaties van nu zijn het erfgoed van morgen.’ Maar de Vlaamse regering gaat jonge artiesten dus 60 procent minder voeding geven, en daarmee legt ze een cruciale schakel in het ecosysteem van de sector droog. Op den duur zal er zo weinig nieuws verschijnen dat we niet anders kunnen dan terugkijken.”

Verdeel het geld dan zelf maar, suste Jambon. In de hoop jullie onderling te verdelen?

“Als dat zo is, weet hij kennelijk niet hoe hard wij ondanks onze diversiteit samenhangen. Hij ként ons niet. Als mijn kinderen zeggen: ‘Pa, er zit een vogel in de tuin’, dan zeg ik: ‘Dat is een merel.’ Want als ze een vogel bij zijn naam kennen, dan zullen ze er meer respect voor hebben. Dat is ook waarom je mensen hoort zeggen: ‘Alle Marokkanen zijn tuig, maar mijn buurman Mohammed niet – da’s een toffe.’ Precies daarom zeggen we nu ook tegen Jambon: ‘Misschien is het niet slecht als u eerst het cultuurlandschap een beetje leert kennen.’ Maar dat past niet in de wij-zij-strategie.

“Toen Patrick Dewael minister van Cultuur werd, vroeg hij honderd dagen om zijn begroting te maken. ‘Want,’ zo zei hij, ‘ik wil me eerst in de sector inwerken en met iedereen een keer praten.’ In het boek dat hij later schreef, De warme hand: cultuur maakt het verschil, heeft hij het over het belang van de individuele vrijheid van de kunstenaar, van tolerantie, discussie en diversiteit. Dat zijn dé liberale waarden. Bart Somers (Open Vld) mag zichzelf nu minister van Samenleving noemen, en hij wil dat die samenleving inclusief is en mensen niet uitsluit. Ik ben benieuwd of ze die openheid ook zullen verdedigen als het op cultuur aankomt, want in de Vlaamse regering laten ze dat voor de lieve vrede over aan de partij die een monocultuur voorstaat.

“Ik weet trouwens zeker dat er binnen de N-VA een grote groep is die een veel linksere koers wil varen dan de partijleiding aangeeft. Mijn collega’s vertellen mij dat veel N-VA-kiezers hen na de voorstelling aanspreken om te zeggen dat ze het absoluut niet eens zijn met het cultuurbeleid. Er zitten veel N-VA’ers bij ons in de zalen – dat kan natuurlijk niet anders.”

Zijn De Roovers, het theatercollectief dat jij mee oprichtte, ook met behulp van projectsubsidies gestart?

“Natuurlijk. Sterker nog, we konden alleen maar overleven omdat het theaterbureau Thassos ons in een packagedeal met Blauwe Maandag Compagnie ‘verkocht’ aan de culturele centra. Verder deden we alles zelf: de boekhouding, de techniek... En als we gastacteurs nodig hadden, dan gingen Sara De Bosschere en Luc Nuyens in andere gezelschappen spelen om die te kunnen betalen. We kregen ook het busje van het gezelschap De Tijd als zij dat even niet nodig hadden. Er was enorm veel solidariteit onder de gezelschappen omdat iederéén ooit klein was begonnen. Ook in een commerciële productie als 40-45 spelen heel goeie acteurs mee die dankzij gesubsidieerde voorstellingen zijn kunnen groeien. Maar de kwaliteit van zulke producties komt op de helling te staan, want er bestaat niet zoiets als dé commerciële en dé gesubsidieerde sector. Ze maken beide deel uit van hetzelfde ecosysteem en ze hebben elkaar nodig. Jonge mensen moeten ruimte krijgen om te groeien, maar dat lukt niet als de wet van vraag en aanbod je van in het begin in een wurggreep houdt.”

Eigenlijk kunnen jullie niet winnen. Als de kunstwereld het redt zonder die 5 miljoen, zal Jambon zeggen: ‘Zie je wel dat het kan.’ Als een deel het niet redt, zegt hij: ‘Zie je wel dat ze geen bestaansrecht hadden.’

“Klopt. En intussen bepaalt het marktdenken het beleid van de cultuurcentra ook helemaal. Ik krijg mijn voorstellingen wel verpatst omdat ik een bekende kop heb, maar probeer met je kersverse gezelschapje maar eens vijf voorstellingen te verkopen. Als beginnend acteur moet je nu zo snel mogelijk in Thuis of Familie terechtkomen, om daarna pas je creatieve hart te kunnen volgen. Zo ben ik vroeger niet moeten beginnen, hoor. Ik heb mogen meedoen en rondkijken in omgevingen die bulkten van de kwaliteit, ik heb kunnen proberen en mislukken, en nóg een keer kunnen proberen. Zo kon ik in alle rust groeien.”

Jij werkt nu al jaren zonder subsidie.

“Ja, of toch zonder rechtstreekse subsidie. Ik speel natuurlijk in culturele centra die subsidies krijgen en mij daar voor een stuk mee betalen. Maar toen ik het in 2004 helemaal had gehad met de gezelschapsstructuren en mijn eigen voorstelling Kaatje is verdronken ging produceren, werd ik vies bekeken door de sector. Ik heb toen telefoontjes gekregen van collega-acteurs: ‘Wat!? Ga jij die voorstelling zónder subsidies maken? Ga je bewijzen dat dat ook kan?’ Terwijl ik aan het rekenen was geslagen, en tot de conclusie was gekomen dat het inderdáád ook zonder subsidies zou lukken. Ik gunde het geld daarom aan anderen.

“Als je bekend bent, kun je vandaag de dag trouwens maar met één productie per jaar in de culturele centra terecht. ‘Twee keer per jaar komen ze naar die Van Dyck niet kijken’, redeneren de cultuurhuizen. Ik snap dat wel, zij moeten ook break-even draaien. Maar als je het vervolgens niet meer redt, zeggen ze: ‘Dan moet je maar meer ondernemerschap aan de dag leggen.’ Daardoor weet je het op den duur echt niet meer.”

Ben je daarom een cursus gaan volgen bij het Cultuurloket? Je bent, zei je, je ondernemerskwaliteiten gaan opfrissen.

“Inderdaad. Ik denk voortdurend na over hoe ik de zaken nog beter kan aanpakken, en dankzij die cursus heb ik ook echt dingen opgestoken. Maar tegelijkertijd denk ik: ik heb 900 euro betaald voor een cursus die een week duurt. In die week heb je als kunstenaar geen inkomsten. Wetende dat het gemiddelde inkomen van een acteur 14.000 euro per jaar is, kan ik mij inbeelden dat heel veel acteurs zich de luxe van zo’n cursus niet kunnen veroorloven.

“Daarbij komt dat het Cultuurloket gesubsidieerd wordt, en dat er met Flanders DC en Kunstpunt nóg twee steunpunten bestaan die het cultureel ondernemerschap moeten bevorderen. Is dat niet wat veel? Zou het niet goedkoper zijn om die cursussen te integreren in de toneelopleiding en die daarvoor wat meer geld te geven? Ik wil maar zeggen dat de kunstsector zeker tegen het licht gehouden mag worden. Veel collega’s zullen het daarmee eens zijn. Er zijn ook veel gevestigde waarden die gebruikmaken van de projectsubsidiepot, hoewel die niet voor hen bedoeld is. Daar moet misschien een oplossing voor gezocht worden.»

In Nederland moedigt men kunstenaars aan om privégeld binnen te halen.

“Dat is makkelijk gezegd, maar de taxshelter, waarmee vennootschappen privégeld kunnen investeren in de podiumkunsten, is weliswaar een goed instrument maar géén heilige graal: de wetten van de bedrijfseconomie zijn nu eenmaal moeilijk toepasbaar binnen de cultuursector. Beeld je in dat ik voor een voorstelling een sofa koop met taxsheltergeld, maar op de dag voor de première wil ik weer van die sofa af omdat ik dan pas besef dat die niet past in het verhaal. In zo’n geval kan ik die kost niet meer inbrengen als een taxshelteruitgave. Ik moet die sofa dus laten staan óf ik moet hem zelf betalen. Dat zou herzien moeten worden om beter aan te sluiten bij de noden en de werking van de sector.”

Heb jij voor jezelf een goed businessplan?

“Ik werk eigenlijk als een commerciële zender: ik spreek reclames in om mijn eigen creatieve activiteiten te kunnen blijven betalen.”

Je vader runde een elektriciteitsbedrijf. Jij hebt middenstandersbloed door je aders stromen. Dat helpt natuurlijk.

“Absoluut. Ik heb aanleg voor financiën, maar ik weet ook – en dat is waarom ik mijn nek uitsteek – dat het ondernemen niet alle artiesten gegeven is. 80 procent heeft daar hulp bij nodig. Hoe kunnen wij op topniveau presteren als we ons constant zorgen moeten maken over ons voortbestaan? Ik merk dat ik steeds meer tijd moet steken in de financiële en organisatorische beslommeringen voor ik dingen kan gaan maken.”

Is dat mede de reden waarom begin dit jaar het licht even helemaal uitging bij jou? Ik was verbaasd toen ik hoorde dat je de hele tournee van je voorstelling Het beest in u had gecanceld. Toen ik je vlak ervoor sprak naar aanleiding van Over water, vertelde je me dat je er zoveel zin in had.

“En toch zat ik toen al niet opperbest in mijn vel. Ik weet nog dat je me toen vroeg: ‘Is falen een optie?’ Die vraag kwam keihard bij me binnen. ‘Neen! No way,’ heb ik toen geantwoord. Falen is voor mij géén optie – dat is het nooit geweest, in geen enkele omstandigheid. Als ik fiets, rij ik desnoods tot ik een hartaanval krijg, maar afstappen doe ik niet. Maar tijdens dat interview voelde ik al: ik hou het niet meer vol, het lukt me niet meer.”

Hoe kwam dat?

“Bij het maken van die monoloog begon ik iedereen van me weg te duwen. ‘Het moet niet gezellig zijn,’ zei ik, ‘het gaat om het resultaat. Ga maar weg, ik doe het zelf wel.’ Ik begon te hyperfocussen. Ik heb hele bibliotheken gelezen over de natuur, ik groef me in. Zo kwam ik op den duur bijna helemaal alleen te staan. Dat wilde ik ook: ik wílde het allemaal alleen doen.”

Waarom?

“Die vraag heb ik me achteraf natuurlijk meermaals gesteld. Wat wil ik in godsnaam bewijzen? Ik ben eigenlijk niet zo vol van mezelf, maar ik probeer dat te compenseren door keihard te werken en hoge eisen te stellen aan mezelf: ‘Wil je recht van spreken, vriend? Doe het dan allemaal eerst maar eens zélf. Heb je bedenkingen bij een scenario? Schrijf er dan zélf maar één. Kritiek op de regisseur? Regisseer dan zélf.’”

Je bent heel gevoelig voor kritiek, herinner ik me.

“Ja. Ik ben ook heel boos geweest op Humo toen Den elfde van den elfde niet alleen maar lof kreeg. (glimlacht) Ik ben me veel te veel met mijn werk gaan vereenzelvigen. Ik wás mijn werk en mijn werk was ik.”

Vorige keer zei je: ‘Opgroeien in deze tijden van sociale media lijkt me verschrikkelijk. Ik heb in het stille Herentals nog kunnen denken dat ik uniek was.’ Ging het je daarom, om uniek zijn?

“Dat denk ik niet, maar ik heb me wel altijd een buitenstaander gevoeld. Niet alleen op school, maar ook bij De Roovers. Na een jaar was ik daar weg. Ook bij De Tijd heb ik na een jaar tegen Lucas Vandervorst gezegd dat ik weg wilde, omdat ik zelf iets wilde maken. Bij Toneelhuis ben ik ook al snel zelf gaan regisseren. Ik heb altijd wel de neiging gehad om mijn eigen parcours te bewandelen, maar op den duur ben ik daar veel te extreem in geworden.”

Wat denk jij dat Freud over die drift zou zeggen?

“Ik denk dat het allemaal terug te voeren is op mijn bewijsdrang: ‘Zie, ik kan ook iets!’ Als klein manneke had ik alleen maar vriendjes die Latijn gingen studeren, terwijl ik handel ging volgen – want mijn vader vond het tof dat ik, als gedoodverfde opvolger, dan al rap de boekhouding kon doen. Maar dat manneke had wel gemerkt dat hij mensen kon laten lachen als hij op een podium ging staan, hen stil kon laten worden. Daar heb ik me toen enorm aan vastgeklampt. Het is mijn ding geworden, mijn bestaansreden.

“Ik kon mezelf erin vergeten en mij laven aan de enige ware grondstof: de verbeelding. Dat vind ik nog steeds zo bevrijdend, even ontoerekeningsvatbaar zijn. Maar tegelijkertijd ben ik een enorme controlefreak. Daarom vind ik filmen zo fijn. Dan kun je de beste take kiezen, die in de montage nog verfijnen, en daarna blijft alles hetzelfde. Op een podium moet je alles steeds opníéuw creëren. Dat heeft een rol gespeeld bij de angst die kwam opzetten bij het maken van Het beest in u: ik zou helemaal alleen op dat podium staan en als enige de verantwoordelijkheid hebben om avond na avond te excelleren. Ik wilde daar controle over, dus ging ik het allemaal zelf doen. Én schrijven, én spelen, én regisseren, én produceren – en dat nadat ik vijftien jaar niet meer op een podium had gestaan! Pure zelfoverschatting.

“Uiteindelijk had ik nauwelijks nog mensen om me heen. Tijdens de repetities zaten er alleen nog mannetjes op mijn schouder, die me zeiden: ‘Oei, slechte zin! Bah, fout uitgesproken! Jongen, dat was echt níét goed!’ En dus bleef ik werken. Dag en nacht. Alice (Reys, Van Dycks echtgenote, red.) heeft heel vaak met tranen in de ogen in mijn werkkamer gestaan: ‘Tom, stop nu! Het is niet meer normaal.’ Maar ik kon niet. Ik blééf doorgaan, stond op den duur in die kamer letterlijk te dampen van de oververhitting. Ik ben er ziek van geworden, een longontsteking. Maar dat bleef ik ontkennen. Ik ging dóór. Maar denken lukte niet meer. Ik heb toen tegen vrienden gezegd: ‘Ik ga stoppen met spelen, dit stuk wordt mijn afscheid. Na de laatste voorstelling zal ik opkomen en zeggen: ‘Dames en heren, bedankt voor alles! Het was fijn. Tot in de pruimentijd!’

“Ik was al nachtenlang aan het zoeken naar wat ik erna zou gaan doen. Ik ging een opleiding tot natuurgids volgen, al leek me dat ook weer niet het beste businessplan.”

En toen kwam die try-out.

“Ja. Ik stond in de Antwerpse Arenbergschouwburg en opeens werd het zwart voor mijn ogen. Ik ben de coulissen ingegaan en ben in de brochure gaan kijken waar ik was. Ik wist dat gewoon niet meer. Alice had al gezien dat er iets goed mis was en had al teken gegeven dat ze mijn microfoon moesten uitzetten. Na een paar minuten ben ik weer opgegaan en heb ik gezegd: ‘Dames en heren, hier stopt het. Mijn welgemeende excuses.’ Ik ben naar mijn kleedkamer gegaan, heb een paar dingen kapot geklopt en ben beginnen te janken, janken, janken. De volgende dag zei de dokter: ‘Tom, je hebt je lichaam helemaal uitgewrongen.’”

Had je alleen een longontsteking of ook een burn-out?

“Neen. Ik had geen burn-out, de motor draaide nog steeds op volle toeren. Maar de verzekering heeft mij wel een burn-out aangesmeerd. Ik moest op controle bij een dokter die zíj aanwezen, en die diagnosticeerde een burn-out omdat in de kleine lettertjes van het contract staat dat de verzekering daar niet in tussenkomt. ‘Ik weet dat het schandelijk is,’ zei die arts nog, ‘maar zo is het.’ Ik had die kleine lettertjes indertijd wel gelezen, maar dacht toen natuurlijk: ‘Ik, een burn-out? Nooit!’ Ik ben nog steeds overtuigd dat mij dat nooit zal overkomen. Ik had een longontsteking, meer niet.”

Heb je het oordeel van de verzekering aangevochten?

“Om dan mogelijk nog meer geld te verliezen? Dat durfde ik niet.

“Daar sta je dan als cultureel ondernemer. Ik had het volgens het boekje gedaan, maar wat kon ik doen? Niks. Tournee weg, inkomsten weg, en heel veel onkosten gemaakt. We zijn een jaar verder en ik weet nog altijd niet waar ik aan toe ben, de zaak is nog steeds hangende. Je kunt zeggen: dat zijn de risico’s van het ondernemerschap, en dat is ook zo, maar het zal je als beginnende ondernemer maar overkomen.

“Weet je wat mijn oudste dochter de dag na die try-out tegen me zei? Ik zat op de bank als slappe pap, ze pakte me vast en zei: ‘Het is allemaal niet zo erg. Je zult moeten leren omgaan met een teleurstelling. Dat is nieuw voor jou, maar iedereen moet dat leren.’ Wauw, dacht ik toen, tenminste één ding dat ik niet helemaal verkeerd heb gedaan.”

Wat heb je de laatste maanden gedaan?

“Niks. Ik durfde niks meer te doen. Ik ben met vrienden en naasten beginnen te praten, ik wilde vooral niet meer alles alleen doen. Een cruciale gebeurtenis voor mij was de dood van mijn geliefde vriend Christophe Lambrecht. Hij was de beste vriend van mijn broer Hans, en dus ook van mij, want Hans en ik waren altijd samen. Christophe en ik kenden elkaars geheimen, elkaars zwaktes en elkaars verlangens. Ik ken geen leven vóór Christophe. Die dag was hij gewoon zijn sportkleren aan het aantrekken en viel hij neer voor zijn kast. Het maakte mijn gejakker om ‘iets’ te bewijzen nog belachelijker dan het al was.

“Maar wat mij het hardst heeft wakker geschud, waren de ontmoetingen met al die mensen die die avond bij Christophe thuis zijn samengekomen. Ik heb toen zoveel toffe mensen leren kennen. Christophe was als een magneet voor anderen, omdat hij in hen investeerde en aandacht voor hen had. Terwijl ik alleen maar werkte en alleen maar oog had voor de resultaten – om daar dan nooit tevreden mee te zijn. Godverdomme, dacht ik achteraf, hij is er niet meer, maar wat een levensles heeft mijn vriend mij met zijn heengaan meegegeven.

“Het afgelopen jaar was een geweldig kutjaar, maar ik ben me er heel erg bewust van geworden dat ik van die focus op resultaten moet afraken, en met anderen moet leren genieten van de weg ernaartóé. Toen ik mijn monoloog aan het maken was, deed ik helemaal het tegenovergestelde. Ik denk echt dat juist daarom alles mislukt is. Het is onmogelijk om alles alleen maar uit jezelf te halen. Ik besefte toen ook wat voor een geweldig ecosysteem Woestijnvis voor mij was. Ik ben daar enorm kunnen groeien omdat er mensen waren die tegen mij zeiden: ‘Schrijf jij maar eens een fictiereeks.’ ‘Ik kan dat niet!’, riep ik dan. ‘Probéér het gewoon. Neem je tijd, groei maar’, zeiden Erik Watté en Wouter Vandenhaute dan. En onderweg kwamen Jan Eelen en Tom Lenaerts binnen met wat raad of een aanmoediging. Zonder dat ecosysteem had ik hier nu niet gezeten, daar ben ik van overtuigd.”

Ik ben benieuwd of je met al die nieuwe inzichten ook over andere dingen gaat schrijven.

“Ik ben wel weer aan het tekenen – je weet dat ik werk met schetsboeken. Echt tekenen kan ik niet, maar ik plak daar van alles in. Ik wil iets maken over iemand die het even allemaal niet meer weet en daardoor een zoektocht naar zichzelf moet ondergaan. Het is een klassiek thema, een goddelijke komedie.”

Zal Het beest in u er ooit nog komen?

“Nee. Het materiaal is me nog steeds heel dierbaar en ik ga er zeker nog iets mee doen, maar die voorstelling is veel te beladen. Ik wil kunnen genieten van het onderweg zijn, zei ik net, hè. (lacht)

Weet je al hoe je dat precies gaat doen?

“Ik ga in ieder geval weer sociaal contact opzoeken, samenwerken, pinten pakken en praten met mensen uit de sector. Ik ga kijken naar anderen en hun zeggen: ‘Ik vind het góéd wat jij maakt. Hoe pak jij het aan?’

“Ik heb deze week zomaar opeens een mail gestuurd naar de makers van De twaalf. Ik vind dat echt een fantastische reeks, één van de beste die ooit in Vlaanderen is gemaakt. Zoiets deed ik nauwelijks nog. En wat gebeurde er? Ze nodigen me uit voor een lunch, want ze voelden zich vereerd, zeiden ze. ‘Huh, vereerd?’ dacht ik, maar het gaf me wel een goed gevoel.

“Voor Het beest in u was ik niet alleen een theaterstuk aan het maken, ik probeerde mijn hele loopbaan in een monoloog te gieten. Ik legde mezelf onder de knoet van een monocultuur! Geen kruisbestuiving, geen andere stemmen. En dat is zo onvruchtbaar. Kijk naar wat de monocultuur in de landbouw doet met de natuur: er is meer biodiversiteit in de stad dan op het platteland. Monocultuur verschraalt alles. Net daarom word ik nu zo wild van de politiek – ik heb op microniveau ondervonden wat zo’n monocultuur veroorzaakt: je droogt op, bloedt leeg en kunt uiteindelijk niks meer. Het is zo godsgruwelijk belangrijk stemmen van buitenaf toe te laten, diversiteit toe te staan en je niet in je eigen gelijk te begraven.”

Je blik is zachter dan vroeger.

“Misschien smeer ik tijdens de opnamen van mijn volgende serie wel vaseline op de lens en kom ik alleen nog maar onscherp in beeld zoals in Bilitis van David Hamilton. Nee, in dat stadium ben ik nog niet. Ik heb toch weer geprobeerd het allerbeste interview te geven. Heb je het gemerkt?”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234