Donderdag 29/10/2020

Interview

Tom Barman: ‘Ik ben onzekerder dan iedereen schijnt te denken’

Tom Barman: ‘Mijn eerste foto’s waren een openbaring, een opeenvolging van aha-erlebnissen. Het leek wel alsof de digitale fotografie speciaal voor mij was uitgevonden. Vooral omdat het snel gaat.’Beeld Carmen De Vos

Na dertig jaar liefde voor muziek en bewegend beeld komt de artistieke ADHD’er Tom Barman (48) nu ook als fotograaf uit de kast. Met een boek en een expo onder de autobiografische titel Hurry up and wait. ‘Ik ben tegenwoordig meer op m’n gemak met beelden dan met woorden.’ 

Eens veilig en wel ingecheckt op het terras van Café Pallieter in Antwerpen – eind augustus, een kille zaterdagavond, een behoorlijk vol Mechelseplein – bracht Tom Barman verslag uit van zijn zomer. Hij had een aantal korte roadtrips gemaakt met vrienden in Portugal en Italië. Een roadtrip is in zijn geval een snelle opeenvolging van autoritten waarbij hij ook fotografeert uit de auto. Net terug geland op vaderlandse bodem vernam hij dat in de provincie Antwerpen de avondklok was ingesteld, en dat er bovendien een pittige hittegolf zat aan te komen. “Onderweg van Zaventem naar Antwerpen heb ik een nieuwe vlucht geboekt. Twee dagen later zat ik terug in Portugal.” In een kuststadje bij Lissabon deelt hij met zijn vaste chef de photo Renaat Lambeets een appartement met zicht op de Atlantische Oceaan.

BIO * geboren op 1 januari 1972 in Antwerpen * studeerde aan de filmschool Sint Lukas in Brussel maar maakte zijn studies niet af omwille van zijn passie voor muziek * brak in 1992 internationaal door met rockband dEUS * maakte in 2003 zijn eerste langspeelfilm Any Way the Wind Blows * houdt er tal van muzikale nevenprojecten op na, zoals dj’en onder de naam Magnus, en de jazzband TaxiWars * lanceert zijn eerste foto­grafieboek en -expo Hurry up and wait

Naar zijn eerste concerten van 2020 – drie shows met zijn jazzband TaxiWars, begin september – keek hij niet uit: “Heen en weer staan springen op een podium, voor een paar honderd mensen met een mondkapje op die niet van hun stoel mogen komen: niet mijn idee van een opwindende setting.” (En toch, het concert in het OLT Rivierenhof was mooi en intens, zelfs Barman genoot.) Over twee dingen kon hij die zaterdagavond echter niet zwijgen: over het boek met zijn foto’s dat spoedig zou verschijnen, en over de locatie van zijn eerste grote fototentoonstelling. Twee weken later nodigde hij mij uit om naar de digitale maquette van de expo te komen kijken, daarna mailde hij de pdf van het boek, en nog een week later zit ik te praten met de nieuwe Tom Barman, een fotograaf die bijklust in de muziek en af en toe een film maakt.

Vertel, hoe is het begonnen? Wanneer heb je je eerste foto’s gemaakt?

“Het is gegaan zoals het meestal gaat bij mij: intuïtief en impulsief. Op een dag, een jaar of tien geleden, heb ik een fototoestel gekocht – een Sony Nex 6, met uitstekende lenzen van Zeiss Jena – en ik ben beginnen fotograferen als een gek. Het was een openbaring, een opeenvolging van aha-erlebnissen: ‘Wow, dit is leuk!’, ‘Wow, dit is iets nieuws!’, ‘Wow, dit wil ik blijven doen!’”

Schrok je van de kwaliteit van je foto’s?

“Nee, van het plezier dat ik erin had ze te maken. Van de instantvoldoening die ze me gaven. Het leek wel alsof de digitale fotografie speciaal voor mij was uitgevonden. Om te beginnen gaat het snel: je drukt af, je kunt direct op je toestel checken of het iets is, de beelden overzetten op je laptop, ze meteen bewerken of een tijd laten liggen... Een digitale foto bestaat onmiddellijk. Terwijl de andere dingen waarmee ik bezig was een eeuwigheid duurden eer ze bestonden. Een film maken: vijf jaar schrijven, twee jaar naar financiering zoeken, en dan moet je nog beginnen draaien. Een plaat maken: minstens anderhalf jaar. (lacht) En als ik erbij betrokken ben meestal langer, want ik ben niet de man die altijd een voorraadje nummers in de schuif heeft liggen, ik pak mijn gitaar alleen vast als ik een plaat in het vooruitzicht heb.

“Bovendien had ik een nieuw doel wanneer ik op toer was met dEUS of TaxiWars. Met de toerbus word je doorgaans afgezet op een parking in een buitenwijk, in een dooie buurt waar niks te doen is en waar je soms nog úren moet zoek maken. Je hebt frisse lucht nodig, maar waar moet je naartoe? Sinds ik dat fototoestel op zak heb is dat allemaal geen probleem meer en heb ik me geen minuut meer verveeld. Dus: worden we zo meteen gedropt op een industrieterrein in fucking Gdansk? Héérlijk! Dankjewel!”

Tien jaar lang heb je je in stilte beziggehouden. Vanwaar kwam de aandrang om met die foto’s naar buiten te komen?

“Dat is de schuld van kunstenaar Kris Martin. Wat deed ik met mijn foto’s? Ik leefde ermee. Ik experimenteer­de wat met formaten, dragers en kaders, en om te zien wat dat gaf hing ik ze thuis op. Zo zag ik meteen ook wat ze waard waren. De mindere dingen verdwenen na verloop van tijd, de betere bleven wat langer hangen. Vrienden kwamen en gingen. Soms vroeg iemand: ‘Hé, wat is dit, wie heeft dit gemaakt?’ Kris Martin keek er wat langer naar dan de anderen. Op een gegeven moment vroeg hij of ik een kleine selectie uit mijn foto’s wilde tentoonstellen in Hof van Cleve, het sterrenrestaurant van Peter Goossens in Kruishoutem. Kris is daar zo’n beetje de curator van het huis; elk jaar presenteert hij er een andere kunstenaar. Aanvankelijk dacht ik: is het niet te vroeg? Is dat wel een goeie plek? Maar omdat ik het onbekende telkens opnieuw interessanter en leuker blijk te vinden dan het normale parcours, heb ik de stap gezet. Onmiddellijk begonnen er mensen werk te kopen. Toen kon ik niet meer terug.”

Het merendeel van de beelden in het boek en de expo dateert van dit jaar. Alsof het je ineens menens was.

“Daar heeft Covid alles mee te maken. Het virus heeft me de straat opgejaagd. Er was ook weinig anders dat je kon doen tijdens de eerste lockdown in het voorjaar. Twee keer per week ging ik op wandel in mijn buurt, urenlang, als in een roes. Het weer was prachtig, de straten waren leeg, niemand liep door het beeld. (lacht) In de tien jaar voordien had ik nauwelijks foto’s gemaakt in Antwerpen. Antwerpen stimuleerde mij niet om te fotograferen. Nu keek ik naar mijn stad door andere ogen.”

Was het een aangename kennismaking?

“Het was vooral een grote verrassing. In het buitenland is het niet moeilijk om met een frisse blik naar de dingen te kijken. In Tokio, Buenos Aires of Phnom Penh weet je gewoon niet waar je moet beginnen. Alles is nieuw en exotisch. Maar mijn eigen omgeving had ik blijkbaar zo geïnternaliseerd dat ik ze niet meer zag.”

Waar ga je naar op zoek als je met je camera door de stad loopt?

“Pfff. (denkt na) Waarom trekt iets je aandacht en iets anders niet? Waarom beklijft het ene beeld en het andere niet? Dat is het grote mysterie, hè. En dat is net hetgeen ik zoek. Ik zie het vaak pas achteraf. Maar begrijpen doe ik het zelden. Gerhard Richter (de legendarische Duitse schilder, red.) heeft daar een mooie uitspraak over gedaan. Een journalist liep rond in zijn atelier, bleef stilstaan bij een schilderij, en zei: ‘Dit werk vind ik echt prachtig.’ Waarop Richter naar een ander werk wees en zei: ‘Dat daar vind ik mooier, want dat snap ik niet’.”

'Ik ben nu 48 jaar oud, en wat doe ik eigenlijk? Ik weet nog altijd niet wat ik moet invullen op een officieel formulier.'Beeld Carmen De Vos

Egg (2019) is een foto van een ei op een kandelaar. Het is een afwijkend beeld omdat het een interieuropname is, overduidelijk in scène gezet, geschikt als een stilleven, terwijl nagenoeg al je andere foto’s op straat zijn gemaakt. Waar bevindt dat ei zich?

“Thuis, in mijn living. Ik verzamel struisvogeleieren. Ik weet ook niet waarom.”

Dat is pas een mysterie. Je gaat me toch niet vertellen dat je er zo dertig hebt?

“Nee, maar inmiddels toch al een stuk of vijf, zes. Op elke rommelmarkt ga ik ernaar op zoek. Ze trekken mij aan vanwege de perfectie van hun vorm, denk ik. Op zich is dat niks nieuws. Het ei was alomtegenwoordig in de stillevens van oude meesters, als een vruchtbaarheidssymbool, en ook in de moderne schilderkunst duikt het op. Het is heel moeilijk om het goed te schilderen, naar verluidt. Ik heb dit ei gefotografeerd omdat ik het binnen handbereik had. Dirk Braeckman, een van onze strafste fotografen, heeft ooit gezegd: ‘Ik hoef niet te reizen voor mijn kunst, in mijn trapzaal kan ik ook werken.’ Hetzelfde geldt voor mij. Ik heb mijn inkomhal gefotografeerd, én de trap naar mijn appartement. En dus ook dat ei dat ik in Utrecht heb gekocht.”

Ben je helemaal naar Utrecht gereden om een struisvogelei te kopen?

(lacht) “Nee, ik speelde daar drie dagen na elkaar met dEUS. Ik zag het liggen in een etalage, maar de winkel was dicht. Enkele dagen eerder had ik op een vintage website een struisvogelei gezien dat te koop werd aangeboden voor – hou je vast – 1.800 dollar. Dus toen ik eindelijk had afgesproken met het oude dametje dat die winkel in Utrecht uitbaatte, was ik ervan overtuigd dat zo’n struisvogelei een heel duur ding was. ‘Ik zou graag dat ei kopen,’ zei ik, ‘wat vraagt u ervoor?’ ‘Nou, dat is dan 17’, antwoordde het dametje. Ik dacht: 1.700 euro, belachelijk. ‘Dat vind ik wel heel veel’, zei ik. Waarop zij zei: ‘Nou, als u dat vindt, mag u het ook wel hebben voor 15 euro.’ Ik trok grote ogen: ‘Dus u bedoelt 17 euro?’ Enfin, we hebben er eens smakelijk mee gelachen, ik heb 17 euro betaald voor het ei, en vijf euro voor dat kandelaartje. Samen vormen ze voor mij een tafereel dat buiten de tijd lijkt te staan.”

Hurry up and wait is de titel van het boek en de expo. Waar slaat dat ‘wachten’ op?

“Dat is het meditatieve deel. Zien hoe de beelden zich ontwikkelen. Ze kadreren, hun formaat bepalen, ze bekijken en herbekijken. Wachten tot ze zich openbaren. Ze niet begrijpen, en het oké vinden dat ik ze niet begrijp. Ik bewerk ze nauwelijks op de computer. Mijn instinctieve reflex is om er niet aan te komen. Dat zou ik cheaten vinden.

“Ik ben ongeveer tezelfdertijd beginnen fotograferen en mediteren. Dat is vast geen toeval. In mijn hoofd heb ik die twee dingen op de een of andere manier gelijkgeschakeld. Kunnen loslaten is belangrijk. Vertrouwen op het toeval. Kunnen aanvaarden dat iets dat niet perfect is, toch iets kan betekenen. Ik merk nu soms bij mezelf dat een foto die naar klassieke maatstaven ‘mooi’ is, snel gaat vervelen, terwijl een onvolmaakt beeld mij maanden, jaren kan bezighouden. (denkt na) Wanneer ik een plaat aan het maken ben, zijn er altijd momenten dat ik alleen achterblijf in de studio met de technieker, om nog wat verder te zoeken naar melodieën en structuren. Dan komt er ineens iets over mij wat veel mensen niet met mij associëren: rust, geduld. (lacht) Dat soort momenten beleef ik continu wanneer ik met fotografie bezig ben. Verrast worden door een beeld waarvan je je zelfs niet meer herinnert dat je het gemaakt hebt. Of omgekeerd: verliefd worden op een beeld dat korte tijd later helemaal niks blijkt voor te stellen.”

Zijn er ook momenten van diepe twijfel en onzekerheid geweest?

“Tuurlijk wel. Zoals ik zei: ik ben compulsief in het maken en creëren. En uiteraard wil je wat je maakt toetsen aan anderen en delen met een publiek. Maar nu heb ik de aanmoedigingen van Kris Martin en anderen echt nodig gehad. Ik ben trouwens altijd vragende partij voor kritiek, in alles wat ik doe. Ik ben onzekerder dan iedereen schijnt te denken. En ik word schroomvalliger met de jaren. Ik ben nu 48 jaar oud, en wat doe ik eigenlijk? Ik weet nog altijd niet wat ik moet invullen op een officieel formulier.”

Zou het kunnen dat je niet meer wil worden opgesloten in één omschrijving, bijvoorbeeld ‘muzikant’?

“Dat zal er zeker mee te maken hebben.”

Ben je na de ontdekking van de fotografie in de geschiedenis ervan gedoken? Ben je het medium gaan bestuderen?

“Nee, ik doe alles altijd omgekeerd. Eerst doe ik het, daarna leer ik het. Ik wou ook niet te veel geïnspireerd worden. Maar daardoor is mijn groeimarge enorm, en dat vind ik een opwindend vooruitzicht. Wat ik allemaal nog moet leren! (lacht) Al fotografeer ik nog steeds met dezelfde camera.”

Zoals je bij dEUS nog altijd op dezelfde gitaar speelt.

“Klopt, ik heb ze één keer verruild voor een exemplaar in een andere kleur. Technologie interesseert me bitter weinig. Mijn telefoon is een oude Nokia. Ik heb de basics van de apparaten die ik gebruik wel onder de knie, maar aan hoe minder knoppen ik moet draaien, hoe liever. Als het alleen nog over techniek gaat, val ik spontaan in slaap.” (lacht)

Wie zijn je grote voorbeelden?

“Al de groten, wat had je gedacht? Maar ik ga niet te veel aan namedropping doen, want dan wordt het pretentieus. Ik kom pas piepen. Nog eens: mijn gulzigheid en mijn enthousiasme zitten in het doen, niet in het denken. Studeren doe ik eigenlijk continu, als kunstliefhebber. Maar ik noem het niet zo. Ik ga niet naar een museum om de boel te bestuderen. Op 23 oktober zit ik in Alleen Elvis blijft bestaan. Ik moest negen beeldfragmenten kiezen. Eén ervan is een interview met Christopher Doyle, de cameraman die vooral bekend is van zijn samenwerkingen met Wong Kar-Wai (Chinees filmregisseur, red.), waarin die zegt dat er in alle creatieve beroepen twee scholen bestaan: enerzijds de mensen die hard studeren en die hun vak academisch benaderen, anderzijds de instinctieven, de mensen die liever niet gehinderd worden door te veel kennis van zaken. (lacht) Het is nogal duidelijk tot welke categorie ik behoor.”

Jij behoort ook tot een categorie van mensen die zichzelf om de haverklap moet laten fotograferen, beroepshalve. Is dat moeilijker of gemakkelijker geworden sinds je zelf met fotografie bezig bent?

(lacht uitbundig) “Het is altijd moeilijk gebleven! Het heeft ook te maken met fotosessies die ellendig lang duren. En met het feit dat ik een paar keer goed gefucked ben geweest door fotografen. Er zijn foto’s van mij gemaakt die afschuwelijk onflatteus waren. En dat werd dan verkocht als karakterfotografie. Dat heeft ertoe geleid dat ik zeker niet de makkelijkste ben om te fotograferen. Ik neem me voor om milder te worden.” (lacht)

In de traditie van de karakterfotografie in grofkorrelig zwart-wit sta jij duidelijk niet. Jouw beelden zijn technicolor, on-Vlaams.

(grijnst) “Zelfs als ik Antwerpen fotografeer lijkt het niet op Antwerpen. Vertrouwde plekken doe ik eruitzien alsof ze heel ver weg liggen. Dat valt mij ook op, ja. Maar veel dieper gaat mijn analyse van mijn eigen foto’s niet. Ze zeggen ongetwijfeld iets over mezelf. Maar wat precies, dat weet ik niet.”

‘Ik ben een paar keer goed gefucked door fotografen. Er zijn foto’s van mij gemaakte die afschuwelijk onflatteus waren. Dat werd dan verkocht als karakterfotografie.’Beeld Carmen De Vos

Echt niet?

(aarzelt) “Dat ik graag mijn eigen droomwereld creëer, misschien.”

Is dat ook de reden waarom je kunst verzamelt, en vintage meubelen, en vintage auto’s, en struisvogel­eieren? Om je leefwereld tot de nok te vullen met dromen, met wat je mooi vindt, en niet zozeer met wat functioneel is?

“Mijn goeie vriend CJ Bolland (muziekproducer, red.) heeft eens gezegd: ‘Den Barrie koopt zijn zetels met zijn ogen, niet met zijn gat.’ Waarop ik antwoordde: ‘Ik kan er alleen maar naar kijken, want ik ga er nooit in zitten.’ (lacht)

“Een van de foto’s die ik heb gemaakt, is Hurt (2019): een beeld van een bluts in een witte auto, genomen in Milaan. Ik weet niet waarom dat beeld mij aansprak. Onlangs heeft iemand ‘m gekocht. De koper gaf mij een lange uitleg over wat de foto voor hem betekende. Heerlijk. Ik moest zelf niets zeggen. In de muziek is het omgekeerd. Elke keer als ik een plaat af heb, wordt van mij verwacht dat ik ze verklaar, dat ik haarfijn uitleg wat ik ermee bedoel. Ik vind dat ik mezelf door de jaren heen veel te veel heb verantwoord. Ik noem dat de onzekerheid van de autodidact: de muzikant die denkt dat hij grote theorieën moet verkondigen, omdat hij vreest dat hij anders niet au sérieux wordt genomen. Met het ouder worden ben ik tot het besef gekomen dat mijn werk vaak niet gediend is van mijn uitleg. Dus ik ben van plan voortaan minder uitleg te geven.”

We zijn goed bezig.

(blijft ernstig) “In mijn songteksten ben ik altijd openhartig geweest, soms waren het halve bekentenissen. In mijn fotografie zit evenveel van mezelf, zonder dat ik het gevoel heb dat ik mezelf helemaal blootgeef of móét blootgeven. Ik ben tegenwoordig meer op m’n gemak met beelden dan met woorden.”

Hurry up and wait getuigt anders weer van je gekende dadendrang. Een doorsneebeginneling in de kunsten zoekt eerst jaren naar een galerie, wacht vervolgens geduldig op erkenning en succes, en als dat al uit de lucht valt kan hij of zij, weer wat jaren later, misschien een boek met het opgebouwde oeuvre uitbrengen. Jij slaat al die stappen fluitend over.

“Daar heb ik drie dingen op te zeggen. Eén: ik kan die stappen wellicht wat sneller zetten door hetgeen ik hiervoor heb gedaan. Zowel het boek als de expo zijn mij trouwens aangeboden. Ik ben geen beginneling van 26, hè. Een klassieke carrière uitbouwen in de kunstwereld, aan een gezapig tempo, via de geëigende paden: heb ik daar nog wel tijd voor? Twee: mijn vertrouwen in het werk is inmiddels groot genoeg, dus met mijn ambitie gaat het crescendo, daar wil ik niet flauw over doen. En drie: er mag wel eens iets disruptiefs gebeuren in de kunstwereld, vind ik. En ik ben niet de enige die dat vindt. Als ik al een galerie wil, dan liever een die ver weg zit, in pakweg Hongkong of Milaan, waar ze nog iets voor mij kunnen betekenen. Maar eerst eens zien hoe het hier loopt. (lacht) Ik ben geen stille mens. Van mij mag het knallen.”

In de laatste rechte lijn heeft de niet-twijfelaar in jou de regie alsnog overgenomen?

“Ja, er zijn dagen dat ik mijn enthousiasme moet temperen. Soms is het ook te mooi om waar te zijn. Neem de plek waar de tentoonstelling zal worden gehouden: een gewezen meesterwoning in Antwerpen-Zuid, bijna op de Scheldekaai. De nieuwe vriend van een oude vriendin heeft dat pand gekocht en wil er een pop-upgalerie van maken, die buitenlandse galeries kunnen afhuren. Mijn expo zal een soort generale repetitie zijn. En wat blijkt nu? In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was in datzelfde pand een van de eerste galeries voor hedendaagse kunst van Antwerpen gevestigd: X-one gallery.. Dat is toch een prachtig verhaal?”

Dit is geen nevenprojectje.

“Nee, en ook geen uit de hand gelopen hobby. Voor mij is de fotografie een diepe, persoonlijke revelatie. Ik heb niet gezocht en ik heb gevonden. Maar ik heb geen idee hoe mijn beelden overkomen bij mensen die ze voor het eerst zien. Wat vind jij?”

Dat ze dezelfde dynamiek en intensiteit hebben als je muziek. Rusteloos, vol stemmingswisselingen, maar fundamenteel opgewekt.

“Volledig mee eens. Er zit veel positiviteit in mijn foto’s, ondanks het feit dat de tijd waarin ze gemaakt zijn niet de gemakkelijkste was. Het zijn gedroomde versies van de werkelijkheid.”

Ontkenningen van de werkelijkheid, ook, omdat die zo lelijk is, omdat het niet bijster goed gaat met de werkelijke wereld?

“Nee, het is pure expressie. Mijn ordening van de wereld. De beelden zeggen wellicht iets over mij, maar bitter weinig over de stand van de wereld. (lacht) Ik herinner mij plots een scène uit een film, ik weet niet meer welke, waarin iemand binnenkomt in het atelier van een schilder. Het staat er vol donkere, deprimerende doeken. De bezoeker vraagt aan de schilder: ‘Ben je depressief?’ De schilder antwoordt: ‘Ben je gek? Ik schilder elke dag!’ Voilà, dat is het. Stemt de stand van de wereld mij pessimistisch? Zot, ik fotografeer elke dag!”

De expo Hurry up and wait, vanaf 24 oktober in Schaliënstraat 2, Antwerpen-Zuid. Het gelijknamige boek verschijnt bij MER-books. Meer info op tombarman.net

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234