Dinsdag 19/01/2021

AchtergrondLiteratuur

Tien jaar na de dood van Harry Mulisch: wie leest de Grote Drie nog?

De Grote Drie: Harry Mulisch, Gerard Reve en W.F. Hermans. ‘Vandaag zou zo’n hegemonie als de hunne niet meer denkbaar zijn.’Beeld rv

Tien jaar geleden overleed de onsterfelijk gewaande Harry Mulisch. Met zijn dood kwam er ook een einde aan de hegemonie van ‘De Grote Drie’, met Gerard Reve en W.F. Hermans. Maar wie leest er vandaag die klassiekers nog?

Al bij leven timmerde Harry Mulisch, die op 30 oktober 2010 op 83-jarige leeftijd overleed, aan zijn hoogsteigen mythologie. “Hij leefde alsof hij onsterfelijk was. Sterker nog: hij dacht dat hij het was – leefde hij na zijn dood immers niet voort in zijn werk?”, zo noteert Onno Blom, die over Mulisch zojuist de monografie De wondergrijsaard publiceerde. Daarin staan de vruchtbare late jaren van Mulisch centraal. Want tenslotte publiceerde de al jong gevierde auteur van Het stenen bruidsbed (1959) pas op zijn 65ste zijn meesterwerk De ontdekking van de hemel (1992), waarna onder meer ook nog het met de Libris bekroonde De procedure (1998) volgde en Siegfried (2001), roman over de zoon van Adolf Hitler. 

Onsterfelijk? Mulisch kon het dan wel parmantig be(z)weren, maar ook zijn lange, smalle lijf haalde hem in. Eerst met longkanker, die hij tweemaal overwon, daarna met een fatale hersentumor.

De dood van Mulisch bezegelde onmiskenbaar het einde van een tijdperk. “De Nederlandse literatuur zonder Harry Mulisch is als een kerk zonder toren, een land zonder hoofdstad, een cirkel zonder middelpunt”, lamenteerde NRC Handelsblad in zijn in memoriam. En natuurlijk betekende de exit van Mulisch ook het definitieve adieu van ‘De Grote Drie’. Want Mulisch werd vaak in één adem genoemd met W.F. Hermans (1921-1995) en Gerard Reve (1923-2006). Decennialang beheersten zij de Nederlandse letteren. “Ze onderhielden een hevige creatieve concurrentie, maar door elkaar te verketteren hielden ze elkaar ook in stand”, schrijft Blom. Niet voor niets luidde een van Reves favoriete uitspraken om Mulisch op stang te jagen: “Mullis is vullis. Nee Reve, dat is pas leven!”

Tien jaar later rijst de vraag wat er nog rest van hun slagschaduw. “De Grote Drie waren toch vooral representanten van het verheven witte, mannelijke, intellectuele schrijven van de tweede helft van de twintigste eeuw”, zegt Kevin Absillis, professor moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Antwerpen. “Vandaag zou zo’n hegemonie niet meer denkbaar zijn. Kijk maar eens hoe Mulisch, Hermans en Reve, en bij ons Claus met de grootste egards werden behandeld door de media. Even kon je denken dat Arnon Grunberg die rol zou overnemen als moreel geweten, maar zijn piek lijkt alweer voorbij. Ilja Leonard Pfeijffer? Ja, hij cultiveert alleszins die vormelijke grandeur van het schrijverschap at large. Nu is er geen echte literaire morele autoriteit meer, het prestige van literatuur is verder afgenomen.”

Wie van De Grote Drie zal het best de tand des tijds doorstaan? Absillis: “Ik denk toch eerder Hermans, en dan vooral de haast klassieke, maar ook echt spannende romans Nooit meer slapen en De donkere kamer van Damocles. Dat cassante, dat analyseren van de wereld, dat slaat nog aan, hoor. Reve ligt daarentegen zeker niet goed bij jongeren: ze vinden dat te hoogdravend. En dan hebben we het nog niet over zijn conservatisme en racisme. Dat bemoeilijkt de rehabilitatie van zijn oeuvre in een tijd waarin over kunst en literatuur opnieuw sterk in morele termen wordt geoordeeld.”

Op de leeslijst

Maar worden zij bij ons nog gelezen, en in welke mate? Of lopen onze scholieren en studenten met een wijde boog om hem heen? 

In Nederland verkopen zijn boeken best aardig en is Mulisch nog steeds een schoolauteur pur sang – hij staat hoog op de leeslijst met De aanslag - na Tim Krabbé en De renner, overigens allebei vrij dunne boekjes. In Vlaanderen ligt dat uiteraard enigszins anders. Toch luidt het bij de Confituur-boekhandels vrij unisono: Mulisch’ De aanslag (1982) en De ontdekking van de hemel (1992) doen het verre van kwaad: “Er is regelmatig vraag naar, al gaat het niet om uitbundige aantallen.” 

Bart van Aken van Het Paard van Troje: “We verkopen beide boeken regelmatig. En ook Willem Frederik Hermans brengen we af en toe aan de man. Verder presenteren we onze klanten graag een eigen canon met klassieke boeken die we vooruitschuiven.” 

Johan Vandenbroucke van het Mechelse De Zondvloed doet dezelfde vaststelling over Mulisch en merkt bijvoorbeeld ook regelmatig belangstelling voor zijn roman Siegfried. Maar hij geeft wel toe: “Mijn personeel is vaak enthousiaster over De Grote Drie dan de klanten zelf. (lacht) De boekhandelaren vinden het wel essentieel om De Grote Drie én andere klassiekers systematisch op voorraad te hebben.

Professor Absillis wou het voor De Morgen wel eens nader uittesten, de weerklank van De Grote Drie, vooral omdat de algemene kennis bij zijn studenten Nederlandse literatuur behoorlijk is verflenst. “Studenten kunnen almaar moeilijker deelnemen aan het literaire gesprek, merken wij. Hun voorkennis is verschrompeld en ze bezitten het referentiekader of historisch begrippenapparaat niet meer. Je hoort mij niet zeggen dat ze minder intelligent zijn dan vroeger. Natuurlijk niet. Maar ze zijn duidelijk met andere dingen bezig dan literatuur. Vaak moeten wij dus aan de universiteit van nul beginnen én basiskennis over Nederlandse literatuur bijbrengen.” 

Dat bewijst de steekproef die Absillis deze week onder 38 eerstejaarsstudenten Nederlandse letterkunde hield. “Slechts zeven daarvan kenden de uitdrukking De Grote Drie, maar weinigen konden hen bij naam noemen. Slechts twee studenten kenden een titel van Reve, slechts vier een titel van Hermans.” 

Schrijver Christophe Vekeman stipt iets gelijkaardigs aan: “Ik kijk wel eens op als ik tijdens lezingen in scholen de namen laat vallen van Reve of Claus. Kun je geloven dat men Claus daar hooguit nog herinnert als ‘de auteur die euthanasie heeft gepleegd’? Pijnlijk, toch.”

Ook José Vandekerckhove, voorzitter van het Netwerk Didactiek Nederlands, handboekenauteur bij Pelckmans en ex-docent lerarenopleiding aan de KU Leuven, ziet de literatuurkennis bij middelbare scholieren verder tanen. “Ons taalonderwijs is tegenwoordig toegespitst op vaardigheden en veel functioneler van snit: het gaat erom wat je met Nederlands kunt aanvangen in de maatschappij. Misschien niet onterecht. Maar we weten allemaal hoe belabberd het staat met de beheersing van begrijpend lezen. Dat betekent dat literatuuronderwijs en taalbeschouwing  minder aan bod komen. Slechts weinig leerlingen krijgen de canonauteurs van huis uit mee. Als je daarenboven hoort dat veel leraren zelf nauwelijks nog een boek lezen én dat openlijk durven zeggen, hoe kun je dan verwachten dat de leerlingen er warm voor lopen?”

Remedies

Maar welke remedies kunnen het tij keren? Vandekerckhove vermoedt dat je mits een juiste aanpak nog wel uit de voeten kunt met die Grote Drie en met Claus of Louis Paul Boon: “Jongeren – en zelfs ook ouderen – nemen vandaag de dag op een heel andere manier verhalen tot zich: via series, films, luisterboeken, podcasts... Hun fictiebehoefte wordt niet zozeer meer via romans ingevuld. Je kunt dus niet anders dan de klassiekers bij jongeren via het onderwijs introduceren.” 

“Ik geloof ook in linken leggen naar vandaag. Zo kun je leerlingen uit hun kot lokken en sensibiliseren, met boeken die aansluiten bij hun literaire competentie. Waarom doet De aanslag (1982) van Mulisch het nog steeds goed bij scholieren? Het is gesneden koek omdat de roman een heel duidelijke structuur heeft. Het boek heeft iets van een legpuzzel, met veel symboliek en motieven. Mulisch geeft bijna een masterclass over hoe een roman geconstrueerd is. Reve is veel moeilijker over te brengen, met dat naoorlogse verweesde existentialisme, dat ver van hun bed staat. Maar W.F. Hermans en zijn De donkere kamer van Damocles kun je bijvoorbeeld wel perfect koppelen aan Jeroen Olyslaegers’ Wil, om het over ambiguïteit in de Tweede Wereldoorlog te hebben.”

Vekeman denkt dat er nog iets anders aan de hand is: “Ik heb het gevoel dat veel lezers in dit onironische tijdperk boeken met een afwijkend wereldbeeld dan het hunne uit de weg gaan. Te confronterend. Weinigen hebben nog behoefte aan auteurs als Hermans, die naar eigen zeggen ‘zijn slecht humeur losliet op de lezer’.” Reve, Hermans of Mulisch waren geen behaagzieke schrijvers. Lezers zoeken tegenwoordig te snel naar bevestiging en herkenning. Dan kom je gemakkelijker uit bij een middelmatig doorslagje van jezelf en mijd je baldadiger auteurs. Op mij komt het potsierlijk over als je Reve, Hermans of Mulisch gaat wegzetten als kleine jongens annex witte zeurkousen. Alsof iemand voor het Lam Gods gaat staan en begint te mopperen: “Hé, dat kan mijn kleine zussie ook schilderen.” (grinnikt)

Een nieuw Mulisch-offensiefje

Bij de gelegenheid van tiende verjaardag van zijn dood verschijnen voor de liefhebbers van Mulisch een heleboel gelegenheidsuitgaven en heruitgaven. Opmerkelijk is Zo’n genie ben je nu ook weer niet met brieven van Mulisch’ moeder Alice Schwarz vanuit Amerika aan haar zoon. (Privédomein, De Arbeiderspers, samenstelling Robbert Ammerlaan). Onno Blom schreef een fraai, persoonlijk portret van de laatste jaren van Mulisch: De wondergrijsaard (De Bezige Bij). Er is ook een heruitgave van Het mirakel, magisch-realistische taferelen rond de heer Tiennoppen, en de bundel aforismen en bespiegelingen Ik kan niet dood zijn (De Bezige Bij, samenstelling Kitty Saal en Johan Kuiper) De site ‘De oneindige Mulisch’ (met bezoek aan werkkamer) is te vinden via www.literatuurmuseum.nl/verhalen/mulisch 

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234