Dinsdag 15/10/2019

Interview

Thuis bij Giorgio Moroder: “Ik ben ooit één keer in Studio 54 geweest en ik vond er niets aan”

Giorgio Moroder in zijn woning in Italië. Beeld AFP

Giorgio Moroder, de peetvader van de elektronische popmuziek, gaat op zijn 78ste voor het eerst de hort op met een band. “En wie weet zing ik zelf ook wel een nummer of twee.”

“Natuurlijk ken ik Giorgio”, zegt de receptionist van ons hotel in Zuid-Tirol haast beledigd. “Iedereen kent hem hier.” Oké, wintertoeristen moet ze soms een kleine voorzet geven door een van zijn nummers te neuriën, “maar daarmee zijn ze altijd meteen mee”. Ze voegt de daad bij het woord en zet ‘Tom’s Diner’ van Suzanne Vega in, een song waar Giorgio Moroder nougatbollen mee te maken heeft, behalve dat hij er drie jaar geleden met Britney Spears een cover van maakte voor zijn verguisde comebackplaat Déjà-vu.

De inmiddels 78-jarige Moroder moet erom lachen, wanneer we hem het verhaal doen in zijn uit de kluiten gewassen chalet, een paar haarspeldbochten verderop. “Ik heb vorige zomer een dj-set gespeeld op het dorpsplein, en die cover zal er wel tussen hebben gezeten.” Het is een van de weinige nummers uit Déjà-vu waarmee hij intussen – tegen beter weten in, eerlijk gezegd – nog vrede heeft.

“Dat album was een grote puinhoop”, geeft Moroder vandaag toe. “Vroeger maakte ik een compositie en vervolgens dook ik met een viertal muzikanten in de studio om alles in te spelen. In één dag stond alles erop. Misschien dat ik er nadien nog wat strijkers aan toevoegde, sowieso vocals, maar in een week tijd was een nummer af. Bij Déjà-vu zat ik soms weken te wachten op een mail met uiterst vage feedback van een artiest of zijn manager om voort te kunnen werken.”

Het lijkt onwaarschijnlijk dat niemand uit zijn entourage hem voor die contemporaine werkwijze had gewaarschuwd. Maar wat zeg je als 75-jarige (en al minstens twintig jaar uitgerangeerde) producer wanneer een platenfirma plots aanklopt met het idee om een plaat op te nemen met onder meer Britney Spears, Kylie Minogue, Sia, Kelis en Charli XCX? Of had Daft Punk hem werkelijk gewoon het verkeerde idee gegeven, toen ze Moroder in 2013 uit de vergetelheid lichtten door hem in ‘Giorgio by Moroder’ (uit het album Random Access Memory) zijn levensverhaal te laten doen? 

“Daft Punk werkt uitsluitend met muzikanten in de studio”, zegt Moroder. “Ook voor die interviewsessie met mij zijn we in de studio gedoken.” Meer nog: Daft Punk installeerde er verschillende microfoons voor: een voor elk decennium uit de carrière van Moroder. “Maar zulke dingen kun je tegenwoordig alleen maar doen als je genoeg tijd en geld hebt.”

Aan geld zal het Moroder nochtans niet ontbreken. Naast zijn woning in Zuid-Tirol heeft hij ook een huis in Los Angeles, waar hij de helft van het jaar vertoeft. “De helft waarin het hier te koud is”, lacht hij. In de garage van dat huis in de States staat bovendien een van nog geen vijftien geproduceerde Cizeta-Moroders, een bolide die de producer in 1991 op de markt bracht, ontworpen door Marcello Gandini van Lamborghini. Prijskaartje: 600.000 euro. Ironisch genoeg heeft zijn exemplaar amper kilometers op de teller staan, aangezien Moroder er van de Amerikaanse autoriteiten pas officieel in de VS mee mag rijden sinds de wagen oldtimerstatus verwierf. Drie jaar geleden dus.

En laat Giorgio Moroder nu net de afgelopen drie jaar nog maar weinig tijd hebben gehad om zelf achter het stuur van een auto te kruipen: sinds hij op Random Access Memory opdook, wordt Moroder vooral gereden – van de ene dj-set naar de andere. Ja, de man die in 2011 op Film Fest Gent – hij kreeg er een Lifetime Achievement Award voor de muziek van onder meer Midnight Express, Scarface en Flashdance – nog door zijn vrouw heimelijk naar een Giorgio Moroder-party in Vooruit moest worden gelokt, “want hij houdt niet meer van feestjes”, vliegt plots de wereld rond om zijn grootste hits te draaien.

En alsof dat op zijn leeftijd nog niet voldoende is – en ook wel omdat een slow als ‘Take My Breath Away’, de popklassieker die hij schreef voor de soundtrack van Top Gun, nu niet bepaald hippe boîtes in Londen en New York op kooktemperatuur brengt – gaat hij dit jaar voor het eerst in zijn leven ook op tournee met een band. Van Londen over Berlijn naar Brussel, waar het eerste van zijn twee concerten in de AB intussen uitverkocht is.

Giorgio Moroder. Beeld rv

“Om eerlijk te zijn is het niet écht de eerste keer dat ik met muzikanten op het podium sta”, geeft Moroder eerder schoorvoetend toe. “Vijftig jaar geleden heb ik het eerst geprobeerd als popzanger, maar dat was absoluut mijn ding niet. Ik haatte het om in het middelpunt van de belangstelling te staan en ik was altijd bloednerveus als ik het podium op moest. Meestal vergat ik mijn teksten.” Een prestatie, als je weet dat hij erop uittrok met nummers als ‘Bla Bla Didley’, ‘Yummy-Yummy-Yummy’ en ‘Doo-Bee-Doo-Bee-Doo’.

Moroders dj-werk heeft hem naar eigen zeggen van zijn ‘podiumvrees’ afgeholpen, en misschien dat hij tijdens de tournee ook weer zelf een nummer of twee zingt. “Het zou vreemd zijn om iemand anders ‘From Here to Eternity’ te laten zingen, als ik op het podium sta”, zegt de producer, die even twijfelt of hij het volgende wel zou zeggen, alvorens het er met een brede glimlach uit te smijten: “En met de technologie van vandaag kun je uiteindelijk toch gewoon om het even wie goed doen klinken.”

De rest van de tijd is Moroder op het podium overigens niet van plan om zich achter een stel synthesizers te verschuilen. “Ik ben verschillende anekdotes aan het instuderen”, zegt hij enthousiast. En aan anekdotes heeft Moroder – spoileralert, voor wie van plan is om in april naar de AB te trekken – werkelijk geen gebrek. Zoals die klassieker over Brian Eno, die in 1977 in de legendarische Hansa Studio by the Wall in Berlijn op David Bowie afstapte met ‘I Feel Love’ in de hand en de haast profetische woorden sprak: This single is going to change the sound of club music for the next fifteen years.” ‘Haast profetisch’, want het werd net iets meer dan vijftien jaar: de futuristische synthklassieker, die Giorgio Moroder schreef en producete voor Donna Summer, heeft het geluid van pop en elektronica voorgoed veranderd.

“Brian Eno was in de eerste plaats teleurgesteld”, zegt Moroder. Eno zat op dat moment in Berlijn om het achteraf evenzeer legendarische David Bowie-album Heroes op te nemen, “en ze waren wanhopig op zoek naar het geluid van de toekomst”, weet Moroder. “In feite stond ‘I Feel Love’ mijlenver van wat zij hoopten te vinden, maar Eno besefte kennelijk meteen dat de muziekwereld de daaropvolgende twee, drie jaar over niets anders zou praten, en dat ze dus evengoed konden stoppen met zoeken. En als ik nu zelf heel even onbescheiden mag zijn: na ‘I Feel Love’ heeft de synthesizer de muziekwereld effectief veroverd, en er is nog altijd niets in de plaats gekomen. Behalve hiphop misschien, maar dat brak letterlijk met alles wat ervoor is gemaakt.”

Als u zich afvraagt hoe het komt dat Moroder zo veel over de opnames van Heroes weet, dan moet u weten dat hij met ‘I Feel Love’ de Pharrell Williams van zijn tijd werd – de producer die plots zelf op de cover van roemruchte tijdschriften stond en met wie iedereen wilde samenwerken. Hollywood in het bijzonder. Alan Parker huurde hem in om de muziek te schrijven voor Midnight Express, waarvoor Moroder de eerste van zijn drie Oscars kreeg. Voor de soundtrack van Paul Schraders American Gigolo ging hij in zee met Debbie Harry, met wie hij de Blondie-hit ‘Call Me’ schreef. Voor zijn ‘remix’ van Fritz Langs sciencefictionklassieker Metropolis dook hij in de studio met onder meer Freddie Mercury. En voor Paul Schraders remake van Cat People nam hij het titelnummer op met… David Bowie.

“Toen heeft David me dat verhaal van Eno verteld”, zegt Moroder. Uiteraard willen we nog meer verhalen horen over Bowie, maar ofwel laat zijn geheugen de producer intussen in de steek, ofwel vertelt Moroder de waarheid als hij zegt dat hij alles samen één diner, één ontbijt en twee uur studiotijd met Bowie heeft doorgebracht. “Ik had hem de song op voorhand toegestuurd, en toen hij de studio kwam binnengewandeld, bleek dat hij alles al tot in de puntjes had voorbereid. Hij heeft gewoon de teksten een paar keer ingezongen en klaar. Eerlijk: had ik daar met Donna Summer gezeten, dan had ik misschien gevraagd om enkele dingen te veranderen, maar zelfs een relatief bekende producer als ik ging David Bowie niet zeggen wat hij moest doen.”

Nochtans is dat wellicht wat Tony Visconti en Nile Rodgers, met wie Bowie verschillende albums opnam, precies wél deden. Alleen waren zij opgegroeid in de straten van New York – Visconti werd geboren in Brooklyn en frequenteerde de jazzclubs in The Village in de jaren 60, Rodgers was een kind van de Lower East Side én kind aan huis in Studio 54 – terwijl Giorgio Moroder een synthesizernerd uit Zuid-Tirol was die niet goed besefte wat hem overkwam. Althans, dat is de indruk die hij vandaag nog altijd geeft.

“Ik ben ooit één keer in Studio 54 geweest en ik vond er niets aan”, vertelt Moroder bloedserieus. “In feite was dat een doorsnee discotheek waar al eens een paard op de dansvloer verscheen. Of een celebrity.” Hij haalt de schouders op. “Niet toen ik er was.” Zegt de man wiens songs voor Donna Summer – van ‘Hot Stuff’ over het zeventien (!) minuten lange ‘Love to Love You Baby’ naar ‘I Feel Love’ – belangrijker zijn geweest voor de geschiedenis van het nachtleven dan eender welke celebrity (of viervoeter) die ooit een lijn legde in Studio 54.

“Weet je wat het was? In Europa liepen we op het vlak van discotheken tien jaar voor op de VS. Eind jaren 60 opende ik een studio in München en elk weekend ging ik er naar een andere discotheek – niet om te dansen, maar om te horen wat populair was. Die dingen zaten altijd afgeladen vol, terwijl ze in de VS nog niet eens bestonden. In New York trok iedereen nog naar nachtclubs om muzikanten te horen spelen – waar ze natuurlijk ook genoeg ijzersterke exemplaren van hadden rondlopen. Op het Europese vasteland waren de meeste bands gewoonweg slecht. Ik kan het weten, want ik heb vijf jaar mijn brood verdiend als bassist van zo’n band, en ik kan amper bas spelen.”

De grote ommekeer of – zoals ze in München hadden gezegd – aha-erlebnis kwam er, toen Moroder de eerste Moog-synthesizer ontdekte en hoorde wat elektronicapionier Wendy Carlos ermee aanving. “Ik wil niet zeggen dat ik ben beïnvloed door wat hij (Moroder blijft Wendy bij haar geboortenaam Walter aanspreken, BVA) op die Moog deed met de muziek van Bach, maar ik was gefascineerd door de mogelijkheden van het instrument.”

In 1971 zou Moroder de Moog voor het eerst gebruiken in de hitsingle ‘Son of My Father’. “Drie jaar voor Kraftwerk met ‘Autobahn’ op de proppen kwam”, zegt hij ineens vol trots. Al moet gezegd dat Moroder er, op de in 1975 onopgemerkt voorbijgegane cultplaat
Einzelgänger na, in de daaropvolgende jaren zelf geen al te zotte dingen meer mee zou doen. Vrijwel niemand, eigenlijk. Met uitzondering van Kraftwerk. En Jean-Michel Jarre. En Tangerine Dream. Allemaal serieuze mensen, dus.

En dan kwam in 1977 Donna Summers vijfde worp I Remember Yesterday, een conceptalbum dat het muzikale verhaal moest vertellen van het nachtleven doorheen verschillende decennia. Leuk idee, maar ironisch genoeg was het enige relevante nummer op de plaat het laatste, ‘I Feel Love’, dat de toekomst van het nachtleven moest voorstellen. “En het enige futuristische instrument dat ik kon bedenken,” herinnert Moroder zich, “was de synthesizer.” 

Wat volgt, is het verhaal van een hoop geeks, met Moroder en zijn collega-producer Pete Bellotte aan het roer, die een immense Moog Modular 3P aan de praat proberen te krijgen, de chirurgisch meest precieze én verleidelijk melodieuze locomotiefbeat uitdokteren, een halve delay op de baslijn steken, er nog wat populaire geluidseffecten uit sciencefictionfilms aan toevoegen, Donna Summer de studio inroepen om er haar engelengeluid op los te laten, en wat in feite gewoon een grap was – een uitsmijter van een voorts redelijk verwaarloosbaar discoalbum – om te vormen tot wat effectief het begin inluidde van de elektronische popmuziek. Of zoals de legendarische New Yorkse dj Nicky Siano liet optekenen: “Het was niet zomaar een nieuw nummer. Niemand had ooit zoiets gehoord.” 

Alleen dacht lang niet iedereen daar toen zo over. Op de synthesizer en de basdrum van Boney M-drummer Keith Forsey na, kwamen aan ‘I Feel Love’ geen instrumenten te pas, zodat de meeste rockjournalisten het nummer afdeden als gevoelloze robotmuziek. “Maar van die discussie heb ik nooit wakker gelegen”, grinnikt Moroder, die er niettemin fijntjes op wijst dat het tien keer moeilijker is om een deftig geluid uit een synth te krijgen dan uit een akoestisch instrument. “En als een rockmuzikant het toch nodig vond om arrogant te doen, wees ik hem er op dat hij in de regel met drie akkoorden werkt, en ik soms met vijf.”

Maar nog opmerkelijker was dat de producer aanvankelijk zelf ook niet erg veel liefde voelde voor ‘I Feel Love’. “Ik heb nooit de pretentie gehad om te denken dat ik geschiedenis aan het schrijven was”, zegt Moroder. “Ook toen niet.” ‘I Feel Love’ verscheen eerst als B-kant van het alweer lang vergeten ‘Can’t We Just Sit Down (And Talk It Over)’, en het is pas toen het nummer net niet letterlijk ontplofte in de clubscene dat de platenbonzen hun fout inzagen.

Moroder zelf, die in die periode nog amper naar clubs ging, had het pas door toen hij ‘zijn’ baslijn binnen het halfjaar overal hoorde opduiken – bij de Franse discoproducer Cerrone, de Britse post-punkers Killing Joke en de Amerikaanse new wave-band Blondie. De impact van ‘I Feel Love’ was instant, universeel en – bovenal – blijvend.

Giorgio Moroder. Beeld Redferns

“We zijn veertig jaar later”, beaamt Moroder, die intussen dus weer in clubs vertoeft, “en in vrijwel elk elektronisch nummer dat ik vandaag hoor zit een variant van die baslijn.” En veertig jaar later is er nog altijd geen ander nummer dat zowel een trouwfeest als het donkerste technokot in gelijke mate doet overlopen van liefde.

Giorgio Moroder speelt op 9/4 en 10/4 in de AB, Brussel. abconcerts.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234