Dinsdag 14/07/2020

Podium

Theaters zetten in op monologen: ‘Het is de meest pure vorm van theater, maar voor een acteur de ultieme test’

Bruno Vanden Broecke in de monoloog 'Para'.Beeld Thomas Dhanens

In juni wordt er in Amsterdam weer theater gespeeld, maar wel op kleine schaal: Hans Kesting, Halina Reijn en Ramsey Nasr spelen elk een monoloog. Ook in België wordt, in tijden van corona, op die theatervorm ingezet. 

“Het is raar om voor zo weinig mensen te spelen. Dat is voor het eerst sinds ik van de toneelschool kom.” Vanaf 11 juni staat de Nederlandse actrice en regisseur Halina Reijn weer op het podium. Ze zal La voix humaine brengen, de succesvolle monoloog, geregisseerd door Ivo van Hove, waarmee ze al ruim jaar toert. Het is één van de drie voorstellingen die Internationaal Theater Amsterdam (ITA) komende maand programmeert, telkens voor een publiek van dertig man – inclusief zaalpersoneel.

Ook de twee andere geprogrammeerde stukken, Wie heeft mijn vader vermoord? (met Hans Kesting) en De andere stem (met Ramsey Nasr) zijn monologen: het aantal mensen in de zaal mag dan beperkt zijn, het aantal mensen op de scène blijft nog meer gelimiteerd, tot het absolute minimum van één acteur. Ook in België, waar de theaters dit seizoen nog zeker gesloten blijven, kijken theaters naar de vorm van de monoloog als eerste stap om weer verhalen te kunnen vertellen op een podium.

Zo programmeert de KVS in het najaar De meisje, een monoloog van Jaouad Alloul. Ook NTGent wil met die theatervorm aan de slag. En Barbara Sarafian vertelde vorige week in Gert Late Night dat ze aan een monoloog werkt, die in oktober in Gent voor het eerst te zien zou moeten zijn. Het lijkt ook logisch dat er, in tijden van “bubbels” en “social distancing”, op die theatervorm wordt ingezet. “Het enige wat je bij een monoloog niet kunt beletten, is dat een acteur of actrice zichzelf aanraakt”, zegt actrice Viviane De Muynck.

Daarbij komt dat een monoloog ook praktische voordelen biedt, nu theaters zware financiële klappen hebben moeten incasseren en slechts een beperkt aantal tickets kunnen verkopen. De uitkoopsommen liggen vaak lager, omdat het doorgaans (maar niet altijd) kleinschalige voorstellingen zijn. Bovendien duurt een oneman- of onewomanshow meestal ook minder lang, waardoor het, theoretisch gezien, mogelijk is om twee voorstellingen op een avond te spelen.

Ultieme test

Dat wil niet zeggen dat een monoloog noodzakelijkerwijs een bescheiden vorm van theater is. De Britse acteur Patrick Stewart bewerkte Charles Dickens’ roman A Christmas Carol tot een solovoorstelling, waarbij hij zelf alle 43 rollen speelde. Actrice Sofie Decleir maakte voor Zuidpool in 2009 dan weer Opus XX, een monoloog waarin ze de hele geschiedenis van de 20ste eeuw doorploegde.

Dat deed ook Viviane De Muynck in La poursuite du vent, een productie van Needcompany uit 2006. Recent gooide ze hoge ogen met GAZ. Pleidooi van een gedoemde moeder. Met die voorstelling, geschreven door Tom Lanoye en geregisseerd door Piet Arfeuille, toerde ze door België, Nederland, Frankrijk en Duitsland. Momenteel werkt ze aan Molly Bloom, een Franse bewerking van de beroemde slotmonoloog uit James Joyces Ulysses: als alles goed gaat, vindt de première in november plaats in het Franse Mulhouse.

“Je moet van goede huize komen om een goede monoloog te spelen”, weet De Muynck. “Je hebt immers alles zelf in de hand. Het is de meest pure vorm van theater, maar voor een acteur is het de ultieme test. Je hebt al je kunnen, al je talent nodig. En het juiste uithoudingsvermogen. Je staat er helemaal alleen voor, en je moet de mensen deelgenoot maken van je gevoelens.”

Eenvoudig is het dus niet altijd, zegt ook Bruno Vanden Broecke. De eerste voorstelling die hij speelde nadat hij het Conservatorium verliet, was een monoloog, Win for Life. “Dat was een monoloog over een gepensioneerde stadssecretaris, die begin de 80 was en moest verhuizen naar een serviceflat en moest kiezen welke zijn meest waardevolle voorwerpen waren die hij mee moest verhuizen. En hij verloor ook zijn zicht. Ik heb dat stuk gespeeld met een knoert van een bril op mijn neus, en in een seventies kostuum dat nog van mijn vader is geweest.”

Sindsdien heeft hij zich gespecialiseerd in het genre. Zo oreerde hij als de Griekse filosoof Socrates in de gelijknamige voorstelling van Stefaan Van Brabandt, en regisseur Raven Ruëll was zo onder de indruk van Win for Life dat hij voor Vanden Broecke Jan, mijn vriend schreef. Nadien sloegen de twee de handen in elkaar met schrijver David Van Reybrouck, voor de succesvoorstellingen Missie en Para. Voor dat eerste stuk, waarmee Vanden Broecke al dertien jaar op tournee gaat, staat de teller inmiddels op 280 voorstellingen. Voor het tweede stuk werd hij bekroond met de Louis d’Or, de meest prestigieuze acteerprijs in het Nederlandstalige theater.

Nochtans dreigde het op de première van Para mis te lopen. “Ik heb drie keer een black-out gekregen. Dat is niet leuk. De eerste keer voel je nog veel goodwill bij het publiek. Maar bij een tweede keer hoor je ongemakkelijk geschuif en gekuch bij het publiek... De stilte die je dan voelt, is een stilte van medelijden. Dan sta je daar te sterven. En dan moet je heel veel energie steken in de pogingen om over die klop heen te komen. Je bent eigenlijk knock-out geslagen. Dat is verschrikkelijk. Zoals een black-out bij een mondeling examen.”

Doodsbang

Het is de nachtmerrie van elke acteur. Sofie Decleir heeft in de veertig voorstellingen van Opus XX nooit een black-out gehad, maar ze nam wel de nodige voorzorgsmaatregelen. “Het boekje met de tekst lag achter de piano die op de scène stond. Ik heb het nooit moeten gebruiken, maar dat boekje daar leggen was wel een ritueel. Zonder dat boekje begon ik er niet aan. Het was best stresserend, maar niet op een onprettige manier. Al heb ik zelden zo veel zenuwen gehad als bij die première.”

Het is een sentiment dat ook haar collega’s kennen. “Toen ik voor de eerste keer hoorde dat ik La voix humaine zou spelen, was ik doodsbang”, herinnert Halina Reijn zich. “Het is de ultieme test. Je vraagt je als acteur sowieso af: waarom zou deze zaal naar mij kijken? Bij een monoloog is dat gevoel nog erger. Je bent bang dat je niet interessant of boeiend genoeg bent voor een publiek.” Vanden Broecke: “De stress die je hebt in aanloop naar een monoloog is echt niet leuk. Dat zijn de schaarse momenten waarop ik me mijn beroep beklaag. Maar de groeicurve die je daarna meemaakt - als het een goed stuk is - is zalig. Na ongeveer zeven voorstellingen begin je te weten wat er gaat komen, en ben je niet meer bang voor wat komt.”

Het brengt wel risico’s met zich mee. Wie in z’n eentje op het podium staat, kan ook niet terugvallen op collega-acteurs. “Eens je op de scène staat, sta je er helemaal alleen voor”, zegt De Muynck. “Het is een heel eenzame zoektocht.” Sommige spelers vinden dat moeilijk, als andere acteurs geen vangnet kunnen bieden. Anderen, zoals Halina Reijn, zien het als een voordeel. “Er is juist heel veel schaamte als je je tekst vergeet voor de andere acteurs. Als je je tekst vergeet in teamverband, is dat immers ook heel vervelend voor de andere spelers. Bij een monoloog kan er eigenlijk niet zo veel mis gaan. Niemand in de zaal weet toch wat de volgende zin is, je kunt altijd een beetje improviseren. Je moet het zelf oplossen, maar alles is ook je eigen verantwoordelijkheid.”

Het is die verantwoordelijkheid die ook Vanden Broecke zo mooi vindt. “Ik houd juist van het gevoel dat ik soeverein ben en dat ik eigenlijk kan doen wat ik wil op dat podium. Dat is ook een verantwoordelijkheid: er zit een hele zaal te luisteren naar jouw vertelling, en dat kan voor een verlammende stress zorgen, vooral bij de eerste voorstellingen. Maar na die eerste voorstellingen ervaar je die aandacht als een geschenk.”

Driehoek

De rol van het publiek is dan ook niet te onderschatten. “Het publiek is ook een acteur, maar wel één die niet op scène staat”, vindt De Muynck. Vanden Broecke: “Er is op scène geen energie tussen acteurs. Een monoloog is een driehoek tussen de tekst, de speler en het publiek: daaruit moet alle energie komen.” Reijn: “Het publiek wordt echt je tegenspeler. Behalve de technici heb je niemand anders.”

En wat als dat publiek maar uit dertig man bestaat? Wat als er tussen elke toeschouwer twee stoelen leeg blijven? “Dat maakt eigenlijk niets uit”, vindt Vanden Broecke. “Het is me al een paar keer overkomen. In Nederland, bijvoorbeeld, is er soms – niet altijd – een probleem met de publieksopkomst. Dan zitten er zestien mensen in een zaal waar 700 man binnen kan. Maar bij een monoloog is dat net een voordeel. Dat kun je je tot net díe zestien mensen richten. Vaak zijn dat nog heftige, nog intensere voorstellingen.” De Muynck: “Veel acteurs en actrices hebben angst om iemand aan te kijken. Ik heb dat nooit gehad. Het is mooi als de zaal niet in de complete duisternis zien, als je de gezichten in de schemering ziet.”

Een monoloog hoeft dus niet noodzakelijk te lijden onder de coronamaatregelen. “Misschien is dit een goede aanzet voor de podiumkunsten om zich te herstellen”, hoopt De Muynck. Want dat herstel, daar kijken alle acteurs naar uit. “We doen wat we kunnen”, zegt Reijn. “Op dit moment kunnen we monologen brengen. Maar we willen natuurlijk ook weer samen spelen en samen mooie dingen maken. Theater is een contactberoep: het werkt het best als er chemie is tussen mensen.” 

Beeld VPRO
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234