Zondag 03/07/2022

InterviewThe War on Drugs

The War on Drugs: ‘Volmaaktheid? Dat is een waanbeeld. Met dat idee raakt een song nooit af’

The War on Drugs, van links, met de klok mee: Anthony LaMarca, Adam Granduciel, Charlie Hall, Robbie Bennett, Jon Natchez en Dave Hartley. Beeld MAGDALENA WOSINSKA / NYT
The War on Drugs, van links, met de klok mee: Anthony LaMarca, Adam Granduciel, Charlie Hall, Robbie Bennett, Jon Natchez en Dave Hartley.Beeld MAGDALENA WOSINSKA / NYT

The War on Drugs maakt zich op voor een triomf in het Sportpaleis volgende zaterdag. Vraag is of frontman Adam Granduciel er eerder zal grossieren in gepimpte classic rock, angststoornissen dan wel oosterse tapijten.

Gunter Van Assche

Op papier lijkt The War on Drugs een witte raaf onder de arena-acts. Ooit schreven we over de band uit Philadelphia dat die de blutsen zachtjes uit je ziel walst, de nevel in je bovenkamer laat opklaren, om dan meteen weer een bedwelmende roes in je hoofd te installeren. De meeslepende songs op hun laatste plaat kunnen wel degelijk groots klinken, maar vaker lijkt hun oeuvre een masterclass in melancholie. Bovendien draagt frontman Adam Granduciel (42) ego noch explosief charisma hoog in het vaandel. Het Grote Gebaar hoeft u in het Sportpaleis van hem dus niet te verwachten.

De legende wil zelfs dat het publiek een concert lang op zijn over een gitaar gekromde rug moest kijken, toen hij dertien jaar geleden in de Brusselse Botanique stond. Maar de groep komt van vér, zoals u hieronder ook zult lezen.

Granduciel knikt: “Vandaag heb ik eindelijk zo’n beetje vrede met het idee: I don’t have to Bono up my act. Dat doet Bono beter dan wie dan ook. In jullie Sportpaleis of de Ziggo Dome zal ik niet ineens door de mand vallen omdat ik me niet larger than life voordoe. Ik ben op een punt in mijn leven gekomen dat ik niet zomaar aanneem dat we een arenatour daarom níét moeten doen.

“De show zal trouwens wat grootser aangezet worden dan anders. Want in zo’n joekel van een zaal wil je de nosebleed seats (de hogere balkons, GVA) ook op je hand krijgen. Er is een grotere lichtshow en we spelen tweeëneenhalf uur. Maar aan het eind van de dag zullen fans nog steeds het gevoel overhouden dat ze naar The War on Drugs hebben gekeken. Niet naar zulke kermisextravaganza waar je kleuren van braakt. Meer is niet altijd méér.”

Minder is meer

Dat ‘less is more’-principe domineert ook zijn laatste album I Don’t Live Here Anymore. “Ik wilde geen kant-en-klare popplaat maken. Maar ik probeer al langer zuiniger om te springen met muziek. Je zult het vast niet geloven van mij, maar zelfs al laat ik mijn songs soms een kwartier lang breed uitwaaieren, toch ben ik altijd voorstander geweest van het minder-is-meerprincipe. Het kwam er meestal gewoon niet van (lacht). Ook nu nog blijft het voor mij een uitdaging om zo geconcentreerd en uitgepuurd mogelijk van punt a naar punt b te raken.”

Zo mag je de route van The War on Drugs eigenlijk ook beschrijven. “Dat klopt. Mijn ouders begrepen indertijd niet waar hun tienerzoon zijn tijd aan verbeuzelde toen ik urenlang zat te jammen in mijn slaapkamer. Je moet weten: thuis gaven ze geen barst om rockmuziek. Ik neem hen dat niet kwalijk. Mijn vader was te oud voor rock-’n-roll, en mijn moeder had hooguit een cassette van Roy Orbison in haar wagen (lacht). We waren ook niet meteen het meest doordeweekse huishouden in Amerika. Thuis keken we bijvoorbeeld geen televisie, en videogames kwamen niet binnen. Mijn entertainment was: buiten ravotten.

“Tot ik rond mijn 12de muziek ontdekte en een hele wereld voor me zag opengaan. Best wel sneu voor mijn ouders. Die zagen hun zoon zijn leven schijnbaar verkwanselen aan de rock-’n-rollgoden, terwijl hij een goedbetaalde job als timmerman had kunnen krijgen in het dorp. Dat was best verontrustend voor hen, herinner ik me. En ook voor mij was het een zware dobber.

“Ik verhuisde op mijn 22ste naar Californië, en dat draaide op niets uit. Twee jaar later ging het naar Philadelphia, maar het duurde zeker nog tien jaar voor ik een vaag teken kreeg dat ik met muziek de juiste keuze had gemaakt. Voordien kon ik de eindjes meestal nét niet aan elkaar knopen. Er is zelfs een moment geweest dat ik me genoodzaakt zag om met oosterse tapijten te gaan leuren. Alleen zo kon ik mijn elektriciteitsrekeningen betalen, en werkte ik me niet langer tot over mijn oren in de schulden na elke piepkleine tour in een tochtig, muf busje.”

Gouden ticket

Eerdere platen als Wagonwheel Blues (2008) en Slave Ambient (2011) slaan weinig gensters, zelfs niet in zijn thuisland Amerika. Maar met de bonafide classic Lost in the Dream (2014) blijkt de groep uit Philadelphia eindelijk zijn gouden ticket te pakken. Wanneer die laatste plaat verschijnt, schopt Granduciel het meteen tot chouchou van de muziekpers. Woorden als hymnes, tijdloos, dromerig en vlekke­­loze triomf zijn schering en inslag in zowat elke recensie wereldwijd. Aanvankelijk is de plaat een meer bescheiden succes aan de kassa. Tot de single ‘Red Eyes’ een sluimerhit blijkt te zijn, en ‘Under the Pressure’ ook in de charts belandt. De zalen worden steeds groter, op de zomerfestivals wordt The War on Drugs als onbetwist hoogtepunt binnengehaald. Classic rock lijkt ineens kattenkruid voor hipsters, want deze Drugssoldaten rijden graag hetzelfde smokkelpaadje af als Bruce Springsteen, Dire Straits en Tom Petty.

Zelfs Granduciels vader zwicht uiteindelijk voor het succes van zijn zoon. “Hij is als een gek platen beginnen te kopen van alle groepen waarmee wij vergeleken werden. Bruce Springsteen, Bob Dylan, Neil Young en Tom Petty: zo’n beetje mijn grote voorbeelden dus. The Dire Straits vond hij wel leuk, maar aan The Boss vond hij geen zak (lacht). En oh ja, hij vond mij beter dan Tom Petty. Dat is dan wat je oprechte vaderliefde noemt.”

Granduciel is sinds een jaar of twee overigens net zo goed ervaringsdeskundige. Zijn zoon Bruce Julian Knight – drie voornamen – heeft Granduciels leven op de allerbeste manier overhoopgehaald, zegt hij. “Ik noemde hem naar mijn grote held Springsteen, maar mijn zoon betekent voor mij nog zoveel meer dan zijn illustere naamgenoot. Sinds de geboorte van Bruce is een loden zwaarte van me afgevallen. De somberheid, de moodswings… Ze spelen niet meer zo makkelijk op. Alleen nog in de uurtjes wanneer ik mijn songs schrijf, verdwijn ik bewust in het duister. Dat is ooit wel anders geweest.”

Golven van paniek

Voor Lost in the Dream verscheen, waren depressie en paranoia de vaste bondgenoten van Granduciel. Die demonen vonden trouwens hun weg naar die succesvolle plaat. Zo luidde het toepasselijk getitelde ‘Under the Pressure’ acht jaar geleden niet alleen de grote doorbraak voor The War on Drugs in, maar zette het ook meer druk op het leven van Granduciel. “Ik had al een hele poos last van angstaanvallen, en het ging echt niet beter toen ik dacht bij de opnames van Lost in the Dream: nu is het erop, of eronder. Ik barstte van het zelfvertrouwen en de ambitie, maar plotse golven van paniek konden ineens aanzwellen en tegen mijn borst kapotknallen.

“Mensen kwamen me voortdurend vertellen dat ik geweldig bezig was, maar ik voelde me soms ontheemd en verloren. Dat was voor het succes losbarstte nog erger. Toen speelde ik de shows zoveel mogelijk met mijn ogen dicht, omdat het al te moeilijk was om direct oogcontact te moeten maken met het publiek. Die verlegenheid sluipt nog altijd bij me binnen, hoor. Maar ik voel me alvast niet meer zo verloren in het leven.”

Toch komt het woord “lost” een handvol keer voor in zijn songs, ook op hun laatste plaat. Geen toeval. “Ik kan de aanvechting niet onderdrukken om vaak op dezelfde woorden terug te komen. ‘Lost’ is zo een van die sleutelwoorden. De gravitas trekt me ongelooflijk aan. Dat idee speelt méér mee dan dat ik zo’n woord uit een dagboek van me zou hebben geplukt of zo.”

We polsen hoe het vandaag gesteld is met zijn mentale staat. “Is life just dying in slow motion? Or growing stronger every day?” vraagt hij zich immers ook af op dat nieuwe album. “Dat was zeker niet fatalistisch bedoeld. Het is gewoon een oprechte vraag, al is het een waarvan ik hoop dat ik het antwoord erop eeuwig schuldig moet blijven. Het voornaamste wat ik weet, is dat je mettertijd steeds meer bijleert om dit leven te leiden. In Philly heb ik mezelf recht in de ogen moeten kijken, in mijn donkerste dagen. Dat leerproces gebeurde weliswaar met scha en schande, want ik luisterde zelden goed genoeg naar mezelf of naar mijn lichaam. Daar betaal je dan een prijs voor. Dat is nu anders.

“Als ik me vandaag nog maar even zwaarder hoor ademen, weet ik dat ik misschien beter wat gas terugneem. Die paniekstoornissen en zwarte gedachten raak je nooit helemaal kwijt, maar nu bepalen ze mijn leven alleszins niet meer. Die noodlottige druk op mijn borst kwam er indertijd ook omdat alles op mijn schouders rustte, en ik daar misschien niet klaar genoeg voor was. Tel daarbij een liefdesleven dat overhoop ligt, en de onzekerheid van een groep die op de rand van een doorbraak staat: een recept voor een ramp.”

Geen dictatuur

Was het dan altijd de bedoeling dat The War on Drugs helemaal op de schouders rustte van één figuur? In de begindagen van de groep speelde bijvoorbeeld ook Kurt Vile mee, die vandaag op eigen benen succes heeft. “De werking van deze band is soms moeilijk uit te leggen voor een buitenstaander. The War on Drugs is nooit een strikte dictatuur geweest, maar ook allerminst een democratie. Dat is ze nog altijd niet. Uiteindelijk is het mijn kop die rolt wanneer we het verprutsen.

“Ik schrijf alle songs, maar de ruwe demo’s werken we uit als trio. Bassist Dave Hartley speelt al het langst met mij, dus hij gaat meestal mee. Gitarist Anthony LaMarca is er dan ook bij, omdat die tegelijk een uitstekende drummer is. Iedereen in de zes- tot zevenkoppige liveband mag op het podium zijn eigen invulling geven. Maar in de studio hou ik de touwtjes stevig in handen. Daar spelen weliswaar ook andere mensen mee. Maar die ken ik vaak al eeuwen, en heb ik specifiek om een bepaald talent binnengehaald. Dat is een nogal aparte aanpak, ik weet het. Maar niemand in de groep valt zich daar een buil aan, gelukkig. Ze hebben een groot geloof in mij.”

Opvallend is hoe detaillistisch de songs vaak klinken, alsof er wekenlang non-stop aan geschaafd werd. Is Granduciel dan een neurotische perfectionist? “Ik snap waarom je dat zou beweren. Maar wanneer ik mezelf in perfectionisme zou verliezen, dan ga ik eigenlijk volledig voorbij aan het punt van muziek maken. Volmaaktheid? Dat is een waanbeeld. Met dat idee raakt een song nooit af, en zou die dus per definitie het daglicht niet mogen zien. Ik zie muziek maken eerder als een ambacht dat je perfectioneert, zoals een chef-kok het bakken van de beste steak ambieert. Het is een oneindige en onmogelijke reis, dus kun je je beter niet blindstaren op de einder.

“In een song als ‘I Don’t Wanna Wait’ is het me wel zo goed als gelukt om mijn ambacht te vervolmaken, geloof ik. Dat nummer duurt zo’n vijf minuten, maar in die 300 seconden gebeurt er enorm veel, al was het maar op het vlak van de arrangementen. Ik ben ook teruggekomen op de compulsieve gedachte dat ik al mijn songs per se wijd moet opentrekken op het podium. Met een van mijn favoriete songs op de nieuwe plaat kwam die openbaring: ‘Harmonia’s Dream’ duurt op het album al bijna zeven minuten, maar tijdens de repetities klokte die song ineens af op een kwartier. Te zelfgenoegzaam, dacht ik. Die fout maakte ik mogelijk vroeger wel eens op het podium, maar nu zie ik daar de poëzie niet meer van in.

“ Waarom ik die songs zo lang uitspon? In de beginjaren van de groep luisterde ik veel naar Duitse krautrockbands als Neu! en Harmonia. De invloed van die muziek hoor je terug in de motorische ritmiek bij sommige van onze songs. Dat is eigenlijk de voornaamste reden waarom een liedje al eens een kwartier kan duren. Niet omdat ik noodzakelijk moet pochen met mijn soleerkunsten. Maar een geweldig ritme kan wat mij betreft eeuwig blijven duren.”

Van de hemel

Tot slot willen we nog weten waarom Granduciel niet gewoon zijn échte achternaam gebruikt. Kleeft er bloedschande aan de naam Granofsky? “Dat is een keuze die ik twintig jaar geleden heb gemaakt, en nu nog maar moeilijk kan terugdraaien. Ik ging naar de Roxbury Latin School van West Roxbury. Een leraar bedacht toen een woordspeling met mijn achternaam: Gran-of-sky betekent zoveel als “du ciel” of “van de hemel” in het Frans. Ik schreef die naam in mijn schoolschriften en hij bleef hangen. Als jonge gast geloof je graag dat een mysterieuze identiteit je beter zou passen. Maar ik ben heus niet verknocht aan mijn stage name. Als je me op straat tegenkomt, zal ik me gewoon voorstellen als Adam Granofsky. Ik ben Bono uiteindelijk niet, hè.”

I Don’t Live Here Anymore is verschenen bij Atlantic Records / Warner

The War on Drugs speelt 23/4 in het Sportpaleis, Antwerpen en op 30/6 op Rock Werchter. Tickets te koop via Live Nation.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234