Woensdag 17/07/2019

Interview

The Black Keys: ‘Door al dat touren konden we niet doen wat we graag doen: platen maken’

Vijf lange jaren heeft het geduurd voor we nieuw materiaal te horen kregen van Dan Auerbach en Patrick Carney, alias The Black Keys, maar sinds vorige week ligt hun negende plaat Let’s Rock in de winkelrekken. De titel vat de muziek goed samen, want de plaat is een terugkeer naar de roots van het duo, met veel elektrische gitaren en pompende drums. Thibault Christiaensen, frontman van Equal Idiots, ging in Nashville met Auerbach en Carney praten.

Dan Auerbach (zang, gitaar) en Patrick Carney (drums) waren jonge twintigers toen ze in 2002 hun allereerste plaat The Big Come Up uitbrachten. Ondertussen, ruim zeventien jaar later, zijn de mannen een paar Grammy’s en ettelijke kilo’s rijker, maar hun muziek bevat nog steeds evenveel rock-’n-roll als in hun begindagen. Na Turn Blue uit 2014 gingen de twee even hun eigen weg en zocht zeker Auerbach nieuwe horizonten op, op zijn zonnige soloplaat Waiting on a Song uit 2017 en als producer voor onder meer Lana Del Rey en The Pretenders. Maar nu zijn The Black Keys terug met een album dat de erg eenvoudige titel Let’s Rock draagt, vol staat met simpele rechttoe-rechtaanrock en door Humo onlangs nog ‘een heerlijke feelgoodplaat’ werd genoemd.

In Auerbachs eigen Easy Eye Sound Studio in Nashville praten we met de twee over hun nieuwe plaat, executies op de elektrische stoel en de lange radiostilte.

Hoe voelt het om, vijf jaar na Turn Blue, eindelijk nieuwe muziek op de wereld los te laten?

Carney: “Heel goed! Na Turn Blue, ergens halverwege 2015, voelden we dat we nood hadden aan een pauze. En uiteindelijk heeft die pauze drie jaar geduurd.”

Auerbach: “We hadden in de jaren voordien ook heel hard gewerkt. Sinds 2002 hadden we acht platen uitgebracht. Dan is het geweldig om eindelijk eens een pauze te kunnen nemen. Maar het is ook geweldig om nu weer muziek te maken.”

Was het moeilijk om na drie jaar de draad weer op te pikken?

Auerbach: “Helemaal niet. Het was zelfs makkelijk, eerlijk gezegd. Eigenlijk is Let’s Rock heel spontaan ontstaan. Pat en ik hadden niets concreets gepland of er zelfs maar over gesproken. Het gebeurde gewoon. Er bestaat een soort magie tussen ons; al van toen we zestien waren en voor het eerst begonnen te spelen, en dat op wonderbaarlijke wijze ook echt als muziek klonk. (lacht)

Toch waren er een hoop geruchten over waarom het zo lang duurde: vermoeiende tournees, de druk van de roem en zelfs strubbelingen tussen jullie twee?

Auerbach: “(lacht) Die geruchten kloppen. We zijn uit elkaar en gewoon gestopt met de band. Wat je hier nu voor je ziet, is een simulatie.”

Carney: “Zoals Dan al zei: we hebben gewoon enorm hard gewerkt sinds ons debuut. Die inspanningen hebben heel wat opgeleverd, maar ze brachten ook meer werk en druk met zich mee. Het was zo vermoeiend. Vooral het touren was moeilijk omdat we daardoor niet konden doen wat we graag doen: platen maken. In 2015 hebben we dan beslist dat het zo niet verder kon, dat we ons gewoon weer wilden amuseren. En dat merk je: de afgelopen drie jaar heb ik vier of vijf platen gemaakt, en Dan misschien wel vijftien. (lacht)

Dan Auerbach (rechts): ‘Nadat we zes nummers hadden ­geschre­v­en, viel het ons op dat we nog geen keyboard hadden aangeraakt. Dat voelde goed, dus zijn we zo verder blijven werken.’

Auerbach: “We zijn niet alleen een band omdat we graag rockmuziek spelen op een podium, maar ook en vooral omdat we samen graag muziek schrijven en opnemen. Als je op tournee bent, is dat allemaal niet mogelijk. Dan sta je elke avond weer op een podium dezelfde liedjes te spelen.”

Ik las dat jullie zelfs aan een posttraumatische stressstoornis hebben geleden door al dat touren.

Carney: “Het is gewoon die herhaling die je beu wordt. Eigenlijk is het heel vreemd als je erover nadenkt. Het voelt alsof je niet je eigen leven leidt, terwijl je toch doet wat je graag doet. Voor de komende tournee zouden we misschien beter lookalikes of hologrammen gebruiken. (lacht)

Hoe wisten jullie dat het weer tijd was voor een Black Keys-plaat en niet voor een nieuwe soloplaat?

Auerbach: “Anderhalf jaar geleden heb ik een plaat gemaakt met mijn jeugdheld Glenn Schwartz, een gitaarlegende en de originele gitarist van The James Gang, een sixtiesrockband. Toen ik zestien was, speelde hij elke donderdag in Cleveland, Ohio, en hij was een van de grootste inspiratiebronnen voor de eerste The Black Keys-songs. Toen Schwartz en ik hier samen in de studio zaten, zorgde hij ervoor dat mijn liefde voor de elektrische gitaar weer werd aangewakkerd en het duurde niet lang voor Pat en ik weer in actie schoten. Hij is jammer genoeg in november overleden. Daarom dragen we deze plaat aan hem op.”

Heeft de titel Let’s Rock ook iets te maken met de elektrische stoel op de platenhoes?

Auerbach: “Ja, toen we in de studio zaten, zagen we in de krant de kop ‘Let’s Rock’ boven een stuk staan. Het artikel ging over hoe er in Nashville voor het eerst in tien jaar weer een gevangene geëxecuteerd was op de elektrische stoel. Zijn laatste woorden, terwijl hij vastgegespt was in de stoel, waren: ‘Let’s rock.’ Een heel absurde, maar tegelijk beklijvende uitspraak.”

Carney: “Toen we nadachten over concepten en artwork, kwam dat verhaal steeds weer terug. De elektrische stoel is al eens gebruikt op de platenhoes van Ride the Lightning van Metallica, en ja, we zijn ook een rockband, maar het klopte volledig, dus we zijn ervoor gegaan.”

Denken jullie ook dat de wereld vandaag meer rock-’n-roll nodig heeft?

Carney: “Waarom niet? De wereld kan er alleen maar beter van worden. In de lagere school had een van mijn klasgenootjes een elektrische gitaar en ik raakte erdoor geobsedeerd. Dat was gewoon het coolste wat er bestond, zoiets moest ik ook hebben! Die obsessie is wat Dan en mij heeft samengebracht. Het klinkt misschien dom, maar het geluid van een elektrische gitaar heeft mijn leven veranderd. Voor mij is er dus altijd plaats voor meer gitaren. (lacht)

Zijn er dan ook hedendaagse gitaarbands die jullie wel kunnen smaken?

Carney: “Veel. Bronco. Of The Growlers bijvoorbeeld.”

Auerbach: “Ik luister vooral naar de muziek waaraan ik meewerk of die ik opneem: Yola, Shannon Shaw, Shannon and the Clams... Maar er is veel goede muziek, hoor. Link Wray was bijvoorbeeld heel belangrijk voor mij. Toen ik achttien was, zag ik hem spelen, en hoewel hij toen al ongeveer zeventig jaar oud was en ver voorbij zijn hoogdagen, heeft hij mij moeiteloos omvergeblazen. Of muziek nu uit het heden of het verleden komt doet er niet toe. Gitaar spelen kan iedereen, het enige wat je nodig hebt, is een beetje inspiratie.”

Passend bij een hommage aan de elektrische gitaar is dat er op Let’s Rock geen keyboards te horen zijn in tegenstelling tot op jullie vorige platen. Voelde dat bevrijdend voor een band die ooit begon met enkel drums en gitaar?

Auerbach: “Het was niet meteen onze bedoeling, maar nadat we een zestal nummers hadden geschreven, viel het ons op dat we nog geen keyboard hadden aangeraakt. Dat voelde goed, dus zijn we zo verder blijven werken.”

Carney: “We hebben het wel geprobeerd, hoor. We hebben ook allebei een grote synthesizercollectie, we zijn dus niet tegen keyboards. Maar een gitaar en drums blijven toch iets anders. Op een gitaar speelt niemand hetzelfde akkoord op dezelfde manier. Een bepaalde toets op een keyboard daarentegen zal altijd hetzelfde klinken.”

Oorspronkelijk zijn jullie van Akron, Ohio, maar nu hebben jullie allebei een eigen studio in Nashville. Waarom die stad?

Auerbach: “Ik wilde weg uit Akron en verhuizen naar een plaats waar op muzikaal vlak iets te beleven valt en waar ik muzikale mensen kan ontmoeten, een plaats die muziek ademt. Nashville voelde als de juiste stad. Pat is me niet veel later gevolgd.”

Carney: “We hielden allebei van het zuiden en Nashville is eigenlijk een grote versie van een stad als Akron of Cleveland, maar dan zonder de sneeuw.”

Dan, jij bent in mei veertig geworden, en Patrick, jij wordt volgend jaar veertig. In welke zin zijn jullie anders dan de tieners van destijds?

Carney: “Wij zijn nog steeds even gepassioneerd bezig met de zaken waarvoor we toen ons leven wilden geven. Alleen moeten we nu niet meer alle platenwinkels afschuimen met cassettes met onze songs, in de hoop dat dat ons verder zal helpen als band. Toen ik zeventien was, heb ik ooit eens zo’n cassette naar Jon Spencer gegooid tijdens een van zijn optredens. Die trapte die toen gewoon doodleuk kapot en flikkerde hem van het podium. (lacht)

Auerbach: “Meer rock-’n-roll wordt het natuurlijk niet… Maar die cassettes hebben wel degelijk iets opgeleverd. Ik denk dat we vooral trots mogen zijn op alle inspanningen die we gedaan hebben.”

Er staat in het najaar een tournee gepland in Noord-Amerika. Komen jullie daarna naar Europa en België?

Auerbach: “Ik denk dat er nog wel Europese data zullen volgen, maar we zijn nog aan het afwachten wat de komende tournee zal brengen. We moeten er in ieder geval voor zorgen dat het niet opnieuw te veel wordt.”

Carney: “Maar het is altijd fijn om in België te spelen. We hebben – denk ik – acht keer in de Ancienne Belgique gestaan, een geweldige zaal. Met ergens tegen de muur een schitterende foto van Henry Rollins. Daar nemen we elke keer een foto mee als we er zijn. (lacht)

Tot slot: begin juni is de legendarische bluesmuzikant Dr. John overleden. Dan, jij was de producer van zijn laatste plaat Locked Down uit 2012. Wat voor herinneringen heb je aan de man?

Auerbach: “Ik zat in mijn studio, waar we die plaat ook hebben opgenomen, toen ik het nieuws hoorde. Het kwam niet helemaal onverwacht natuurlijk, ik had al van een aantal mensen gehoord dat het slecht met hem ging. Eigenlijk was het een klein wonder dat hij nog zo lang geleefd heeft – hij heeft zijn lichaam niet echt als een tempel behandeld. Maar met hem samenwerken was een droom die uitkwam; ik heb zijn muziek leren kennen als kind en ben altijd fan gebleven.”

Was het moeilijk om hem te overtuigen om samen een plaat te maken?

Auerbach: “Het was al moeilijk om hem te vinden. (lacht) Ik had mijn manager opdracht gegeven om naar hem op zoek te gaan en uiteindelijk, via heel veel tussenpersonen, vonden we hem terug in het huis van een of andere ex-gevangene, waar er voor hem gezorgd werd. Toen ik hem opbelde, begon hij meteen te spreken met een heel vet, bijna onbegrijpelijk zuiders accent. Blijkbaar deed hij dat altijd bij mensen die hij niet kende, als een soort verdedigingsmechanisme. Hij was door de jaren heen door zoveel mensen bedrogen dat hij niemand meer vertrouwde. Ik ben daarop naar New Orleans gevlogen en gewoon gaan aankloppen. Dat was de eerste keer dat ik hem zag. Hij had geen idee wie ik was, maar toen ik uitlegde hoeveel ik van zijn muziek hield, begon hij toch te ontdooien. Later vertelde hij me wel dat hij mijn naam eens had laten vallen bij zijn kleindochter, en die bleek gelukkig een grote fan van The Black Keys. Dat heeft ook geholpen. (lacht)

“Maar Dr. John was uniek. Een van de grootste muzikanten die er ooit zijn geweest en ook een van de beste afspiegelingen, op muzikaal gebied, van dit land. Hij was een menselijke melting pot. We hebben iemand verloren die nooit vervangen zal kunnen worden.”

Let’s Rock is nu uit bij Warner.

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden