Vrijdag 28/02/2020

boeken

Tachtig jaar totale chaos: van barst tot breuk tussen Noord- en Zuid-Nederland

Gravure van de onthoofding van graven Egmont en Horne op de Grote Markt in Brussel (1568), afgedrukt in 1616.Beeld rv

In De opstand 1568-1648 overschouwt Arnout van Cruynin­gen (1960) tachtig jaren van religieus fanatisme en totale chaos in de Nederlanden. Hij eindigt zijn boeiende maar niet altijd evenwich­tige relaas met een intrigerende vraag: had het anders kunnen lopen?

De eerste scheuren tussen de Zuidelijke en Noordelijke Nederlan­den werden zichtbaar tijdens de Reformatie, zeker nadat de streng katholieke Spaanse koning Filips II (1527-1598) de smeekschriften van een aantal edelen om de inquisitie op te heffen en de antiprotestantse maatregelen te verzachten radicaal had afgewezen. Na enkele jaren van treuzelen en marchanderen veroorzaakte de Spaanse starheid een regelrechte revolutie.

Nederlanders kijken erop terug als het startschot van hun strijd om onafhankelijkheid. Voor de Belgen is het vervolg in het collectieve geheugen gebrand: de terechtstelling op 5 juni 1568 van de graven Egmont en Horne op de Grote Markt in Brussel, de Beeldenstorm en de Spaanse Furie in Antwerpen, de terreur door de troepen van de hertog van Alva, de Bloedraad, de val van de Scheldestad in 1585, en uiteindelijk de definitieve scheiding van het Noorden, op 15 mei 1648 officieel bezegeld met de Vrede van Münster.

Sektarisch geweld

In zijn overzicht van deze tachtig jaren van religieus fanatisme en totale chaos legt de Nederlandse historicus Arnout van Cruyningen de nadruk op de levensbeschrijvingen van een aantal hoofdrolspelers. Vervolgens groepeert hij hen: zo zijn er hoofdstukken over de edelen en de geuzen, over de landvoogden, de prominentste Zuid-Nederlandse emigranten en de graven van Nassau, met als meest vooraanstaande leider Willem I, Prins van Oranje, beter bekend als Willem de Zwijger (1533-1584).

Ten slotte kiest hij voor een thematische indeling. Elk hoofdstuk begint met andere woorden weer bij het begin van de opstand. De lezer zal dus hier en daar “op doublures (…) stuiten”. “Jezelf herhalen is echter te verkiezen boven jezelf tegenspreken”, schrijft Van Cruyningen laconiek.

Traditioneel maar historisch twijfelachtig beginpunt van de Tachtigjarige Oorlog is de Slag bij Heiligerlee in 1568. Heiligerlee is een plaatsje bij Winschoten in Groningen. De schermutseling leverde de eerste zege van de opstandelingen op Spaanse troepen op. Eindpunt was de Vrede van Münster van 1648: Spanje erkende de soevereiniteit van de Repu­bliek van de Verenigde Nederlanden, maar behield de Zuidelijke Nederlanden. Het resumé van de oorzaken van de Reformatie en de diplomatieke en militaire ontwikkelingen na de dood van keizer Karel V (1500-1558) is een verademing in een relaas dat, zoals aangekondigd, zo goed als volledig op het leven van hooggeplaatste personen is gericht. Bovendien acht Van Cruyningen het als specialist in dynastieke geschiedenis opportuun om in het hoofdstuk over de ‘Nassause Helden’ niet enkel het aandeel van deze hoge heren in de vrijheidsstrijd te vermelden maar ook alle details over hun afkomst, geboorte, huwelijken, nageslacht en dood. Informatie die weinig bijdraagt tot een beter begrip van een opstand met zo veel politieke, religieuze, economische en sociale implicaties.

Gelukkig haalt Van Cruyningen een deel van de schade in met enkele eerlijke portretten van onder meer koning Filips II, de graaf van Egmont, de hertog van Alva en Willem de Zwijger. Ook analyseert hij doeltreffend de complexiteit van de ontkiemende republikeinse instellingen. Wie had het in Den Haag eigenlijk voor het zeggen? De griffiers, landsadvocaten, regenten en raadpensionarissen lagen in elk geval voortdurend met elkaar overhoop. Om nog maar te zwijgen van het religieuze gekissebis tussen rekkelijken en preciezen, de geschillen tussen mennonieten, sacramentariërs, arminianen en gomaristen en de bloedige confrontaties met de wederdopers.

De keuze voor een thematische aanpak heeft verstrekkende gevolgen. Enerzijds vormen de herhalingen nuttige herkenningspunten. Anderzijds sluizen ze de aandacht weg van een totaalbeeld van de oorlog, waardoor de indruk ontstaat dat koningen en landvoogden, predikanten en edellieden, diplomaten en generaals ieder hun eigen weg zijn gegaan. Een indringende beschouwing van de verschrikkingen die de hulpeloze burgers van de Neder­landen tientallen jaren lang hebben geteisterd, komt al helemaal niet aan de orde.

Van Cruyningen toont wel overtuigend aan dat fanatici het aanvankelijk hebben gehaald van wie verdraagzaamheid predikte. Tevens is het zonneklaar dat de opstand veel meer dan een religieus armworstelen was. Toen de opstandelingen Gent en Antwerpen wilden veroveren, hielden de Staten van Holland hen tegen. De Vlaamse steden waren economische concurrenten van onder meer Amster­dam en Haarlem. En dus zegevierde het commerciële eigenbelang van de Hollanders. Van Cruyningen beloofde geen ‘hollandocentrische’ benadering. Hij houdt woord, ook al omdat de opstand tegelijk op talloze plaatsen in zowel het noorden als het zuiden uitbrak. Een doorslaand bewijs dat de Habsburgse Nederlanden qua opvattingen en mentaliteit werkelijk bij elkaar hoorden.

Oostenrijkse tolerantie

De opstand is fraai uitgegeven en royaal geïllustreerd. De eindredactie had weliswaar enkele slordigheden mogen wieden. Waarom Mont-Cassel en niet Kasselberg? Of Werveke in plaats van Wervik? Waarom nu eens Recief in Brazilië en dan weer Recife? En waarom moest de beroemde Duitse domstad Speyer tot Spiers vernederlandst worden?

Van Cruyningen stelt ten slotte een intrigerende vraag. Wat zou er met de Zeventien Provinciën zijn gebeurd als die niet naar keizer Karels Spaanse maar naar zijn Oostenrijkse erflanden waren gegaan? Hoewel Van Cruyningen het antwoord schuldig blijft, lijkt hij te suggereren dat onze contreien dan misschien niet uit elkaar waren gespat.

Keizer Ferdinand I van Oostenrijk (1503-1564), de broer van Karel V, was hoe dan ook een overtuigd katholiek. Maar omdat hij in zijn strijd tegen de Turken de steun van de protestantse adel nodig had, stelde hij zich toleranter op. Ook zijn oudste zoon, keizer Maximiliaan II (1527-1576), toonde begrip voor het andere kamp: hij liet zelfs lutherse predikanten, adviseurs en wetenschappers aan zijn hof toe. Zouden deze Oostenrijkse vorsten eenzelfde verdraagzaamheid in hun Nederlandse bezittingen tentoongespreid hebben? En zou die tolerante opstelling hebben volstaan om de honger van de protestantse rebellen te stillen?

Arnout van Cruyningen, De opstand 1568-1648, Uitgeverij Omniboek, 320 p., 27,50 euro. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234