Zondag 08/12/2019

Boeken Recensie

Sylvia Plath schreef de perfecte vrouwelijke tegenhanger van ‘Catcher in the Rye’ ★★★★☆

Schrijversechtpaar Sylvia Plath en Ted Hughes in 1956, het jaar dat ze trouwden. Een jaar na hun scheiding pleegde ze zelfmoord, in 1963. Beeld Writer Pictures

Vorige week verscheen een nieuwe editie van de klassieker De glazen stolp (The Bell Jar) van Sylvia Plath. Met als extraatje een teruggevonden verhaal dat mooi aansluit bij haar beste proza.

Bijna 57 jaar nadat Sylvia Plath (1932-1963) in de nacht van 11 februari in hun appartement aan Fitzroy Road, Londen, de kieren rondom de deuren tussen haar en haar twee slapende kinderen met tape en handdoeken had afgedicht, in de keuken haar hoofd op een handdoek in de gasoven legde en overleed, is haar postume productie nog altijd niet stilgevallen.

Geen wonder, bijna, voor een schrijfster wier belangrijkste werken vrijwel allemaal na haar dood werden gepubliceerd. De bundel Ariel, waarin ze het duistere landschap van een geest gekweld door eenzaamheid en depressies schilderde in nachtmerrieachtige én schrijnend strijdbare gedichten als ‘Lady Lazarus’ (‘Out of the ash/ I rise with my red hair/ And I eat men like air’), ‘Tulips’ en ‘Daddy’, verscheen in 1966. Haar enige roman, The Bell Jar, kwam weliswaar krap een maand vóór haar levenseinde uit, maar toen nog onder het pseudoniem Victoria Lucas. In 1982 werd Plath alsnog een Pulitzer Prize toegekend voor haar Collected Poems (1981).

Niettemin: ooit moet zo’n stroom van wat je oneerbiedig ‘nagekomen berichten’ zou kunnen noemen toch opdrogen, zou je denken. Maar ondertussen werd bij het Britse Faber and Faber in de afgelopen twee jaar in twee kloeke delen The Letters of Sylvia Plath gepubliceerd. Diezelfde uitgeverij ruimde in januari 2019 in een reeks korte verhalen, ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan als losse boekjes uitgebracht, een plek in voor een ‘teruggevonden Sylvia Plath’.

‘Mary Ventura en het negende koninkrijk’ heet het verhaal in de vertaling van René Kurpershoek, dat vanaf donderdag te lezen is in een nieuwe editie van ‘zijn’ De glazen stolp.

Vrouwelijke ‘Catcher in the Rye’

Eerlijk gezegd komt het als literaire bonustrack van twintig pagina’s bij Plaths beste proza een stuk beter tot zijn recht. Deels omdat het overduidelijk een onrijp jeugdwerk is. (Plath zelf noemde het vernietigend ‘a vague symbolic tale’.) Maar vooral omdat het op allerlei manieren mooi aansluit bij die Amerikaanse klassieker, die nog steeds een meesterlijke vrouwelijke pendant vormt van Salingers The Catcher in the Rye (1951).

IJzersterke openingszin: ‘Het was een merkwaardige, snikhete zomer, de zomer dat ze de Rosenbergs elektrocuteerden, en ik was in New York en wist niet wat ik er deed.’ Aan het woord is studente Esther Greenwood. Een, om de vergelijking nog héél even door te trekken, sensitief feministisch nichtje van Holden Caulfield wier belevenissen en worstelingen in de zomer van 1953 bijna een-op-een Plaths worstelingen en belevenissen waren.

In dat seizoen mocht de in Boston, Massachusetts geboren schrijfster, studente aan het Smith College voor meisjes, een maand lang stage lopen in Manhattan, bij hét culturele modetijdschrift van die dagen, Mademoiselle. Weken waarvan ze torenhoge verwachtingen had, maar die uitliepen op een pijnlijke deceptie.

Schrijven over mode en de glamourwereld daaromheen vond ze oppervlakkig en ver beneden haar waardigheid. Ze deed (of Esther doet) pogingen zich van haar maagdelijkheid te ontdoen, wat louter tragikomische taferelen opleverde, plus wat je nu een #MeToo-ervaring zou noemen.

Eenmaal thuis raakte ze zo depressief dat ze, na elektroshocktherapie in een psychiatrische staatskliniek en een mislukte zelfmoordpoging, uiteindelijk ‘gered’ moest worden door dokter Nolan. Een vrouwelijke psychiater in een privékliniek, van wie ze wel een (tijdelijk) heilzame behandeling kreeg.

Sylvia Plath: de verwarring van een meisje in de jaren vijftig, gevangen tussen grootse dromen en een huisvrouwenbestaan. Beeld Bettmann Archive

Plath beschreef die lijdensweg krap een decennium later schitterend, rauw en met een soms ronduit geestige afstandelijkheid tegelijk. Zoals ze ook knap de verwarring en frustratie wist te vangen van een meisje in de jaren vijftig, gevangen tussen grootse dromen van een intellectueel schrijversleven en het geestdodende huisvrouwenbestaan.

Geen toeval: ontsnappen is precies waar ‘Mary Ventura en het negende koninkrijk’ om draait. Plath schreef het verhaal tussen december 1952 en januari 1953. Ze stuurde het naar Mademoiselle, dat het afwees, waarna het tot onlangs in haar archief verdween.

Het hoofdpersonage wordt op de eerste pagina haastig op een trein gezet naar de mysterieuze bestemming uit de titel. Al op het station stapelen de onheilspellende voortekenen zich op (twee jongetjes vechten met bloederige verbetenheid om een stuk speelgoed, een krantenjongetje brult dat tienduizend mensen zijn ‘gevonnist’), hoewel haar moeder bezweert: “Niets aan de hand. Niets om je zorgen over te maken.”

Surrealistische rit

Eenmaal onderweg heeft Mary aanspraak van een vriendelijke oude reizigster die haar aanvankelijk geruststelt. Maar terwijl ze langs kleurloze ‘herfstakkers’ snellen en rook van ‘de bosbranden’ de zon eruit laat zien als ‘een platte oranje schijf’, wordt steeds duidelijker dat de bestemming van deze surrealistische rit een angstaanjagende is. “Als je eenmaal in het negende koninkrijk bent, kun je niet meer terug”, waarschuwt haar bejaarde metgezel.

Subtiel kun je het allemaal nauwelijks noemen, zo’n allegorie als een sinistere ijldroom, loodzwaar van symboliek. Maar aardig is wel dat de door Plath zelf geconstateerde vaagheid ruimte biedt voor allerlei interpretaties. Is deze reis een evocatie van hoe een depressie een rouwsluier over het leven legt? Laten al die andere passagiers zich zo apathisch naar het zielloze burgerbestaan leiden? Of toch naar de dood, een jarenvijftigvariant van Dantes hel? En als Mary op het eind, ‘ontwaakt uit een doodslaap’, aan de noodrem trekt, kiest ze daarmee dan voor haar eigen levensweg? Of was zelfmoord in het hoofd van de schrijfster destijds al een nooduitgang?

Sylvia Plath, ‘De glazen stolp’, De Bezige Bij, 306 p., 22,99 euro. Vertaald door René Kurpershoek. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234