Woensdag 21/04/2021

InterviewStefan Hertmans

Stefan Hertmans, 70 jaar jong, 40 jaar schrijver: ‘Het is tijd voor die hometrainer’

null Beeld Thomas Sweertvaegher
Beeld Thomas Sweertvaegher

‘Ik kijk liever vooruit dan achterom’, zegt Stefan Hertmans. Maar met zijn zeventigste verjaardag op grijpafstand waagt hij zich toch aan een terugblik. ‘Een mens moet geen spijt hebben. Je hebt gedaan wat je kon. Leg je erbij neer.’

Praten met Stefan Hertmans, dat is ondergedompeld worden in een vijver waarin de halve wereldliteratuur zwemt. Voor de vuist weg citeert hij met groot gemak dichters, filosofen en schrijvers. ‘Er zit nogal wat in mijn speelgoedbak’, zo gekscheerde hij daar ooit over. Maar tegelijk kan Hertmans verfrissend down-to-earth zijn en ligt de ironische monkellach altijd op de loer. Op wereldvreemdheid zul je de internationaal omarmde successchrijver zelden betrappen.

In de ruime leefkeuken van zijn huis in Beersel, aangeschurkt tegen een Brabantse heuvelflank, vertelt Hertmans smakelijk over zijn stokoude vader. Die nadert de 100, en woont na een val en een lange revalidatie toch weer zelfstandig. Elke morgen tooit hij zich statig op voor de thuisverpleegster. “Aan die esprit trek ik me op”, lacht Hertmans. “En aan die goede genen. Aan die trots. Nie pleuje.” Maar dat hij zelf niet staat te springen om zijn zeventigste verjaardag te vieren, stopt hij niet weg. “Je voelt soms aan je lichaam dat het tegensputtert. En De opgang heeft veel van me gevergd. Ik ben dus allerminst gefixeerd op de symboliek van de ouderdom.”

Stefan Hertmans: ‘Ik vraag me af hoe de boeken van mijn generatie auteurs zullen worden gelezen. Kijk naar wat Jef Geeraerts is overkomen.’ Beeld Thomas Sweertvaegher
Stefan Hertmans: ‘Ik vraag me af hoe de boeken van mijn generatie auteurs zullen worden gelezen. Kijk naar wat Jef Geeraerts is overkomen.’Beeld Thomas Sweertvaegher

“Misschien verdring ik het”, bedenkt hij wanneer hij me via een labyrintisch trappenstelsel door de lumineuze woning loodst en we ons terugtrekken in zijn heiligdom, de schrijfkamer met het lange elliptische bureau. “Omdat ik het er toch zwaarder mee heb dan ik wil toegeven. Een Gentse vriendin herinnerde me eraan dat ik ongelooflijk zeurde toen ik mijn dertigste verjaardag vierde, ik was toen net in het Drongenhof gaan wonen. Nu denk ik: let me be fifty again. Je verliest ook zoveel goede vrienden als je ouder wordt – dat is het treurigste. En het is tijd voor die hometrainer. Je moet jezelf in acht nemen.”

Maar we zijn hier niet voor het oplijsten van ouderdomskwaaltjes. Wel voor Hertmans verpopping van intellectueel nicheauteur tot verteller die met non-fictie aan de slag ging. En die sinds Oorlog en terpentijn (2013) door het grote publiek op handen wordt gedragen. Een metamorfose, maar niet voor Hertmans: “De roman is nu de vorm waarin ik alles kwijt kan. Ik voel me zo vrij als een vis in het water.’

Bij het voorbereiden van dit gesprek schrok ik er weer van hoeveel u geschreven hebt: essay, romans, poëzie, theater... Vindt u er zelf nog wel de weg in?

“Er is veel dat ik vergeten ben en misschien maar goed ook. (lacht) Er zijn plannen om een flinke selectie uit mijn essays te bundelen. Tot mijn verbazing stelde ik bij het herlezen vast dat het om meer dan tweeduizend pagina’s ging, als je ook alle losse teksten meerekent. Maar zoals Hendrik Marsman schreef: ‘Wie zichzelf herleest, leest een grafschrift.’ Daarom kijk ik liever vooruit dan achterom. Ik behoor niet tot de herkauwers.”

Op uw lauweren gaan rusten is er niet bij?

“Ik heb nu weer een periode met enkele ijzers in het vuur, waarin van alles broeit. Maar ik voel ook een zekere vervulling. Zeker na De opgang, dat was een soort afronding van tien jaar schrijven. Maar zelfgenoegzaam worden of jezelf ‘fetisjeren’? Dat is gevaarlijk. Natuurlijk, wanneer je succes hebt, splitst er zich een openbaar ik van je privépersoonlijkheid af. Toch interesseert een imago mij amper. Ik deug niet voor het lichtvoetige openbare leven. Uiteindelijk ben ik erg introvert, maar je leert daarmee om te gaan.”

Dat klinkt wel erg bescheiden. U staat toch bekend als iemand die verbaal goed uw streng trekt en bij lezingen het publiek aan uw voeten krijgt?

“Mmm, ja, daar heb je gelijk in. Ik heb redelijk wat formuleringsspieren gekweekt. Dat komt door het lesgeven, door de hersengymnastiek van het onderwijs. Wanneer ik voel dat ik het vertrouwen van een publiek krijg, dan maakt het mij niet uit of er zeshonderd of dertig mensen in de zaal zitten. Ik geniet ervan als we ons samen intellectueel kunnen vermaken, of ik nu voor joodse intellectuelen in Parijs of voor Gentse studenten spreek.”

Laten we toch maar eens achteromkijken. U debuteerde in 1981 met de nogal hooggestemde roman Ruimte, erg beïnvloed door Maurice Gilliams. Maar toch kreeg u aanvankelijk vooral naam met uw gedichten?

“Ik ben nog altijd blij dat ik meer dan tien jaar in de luwte heb geschreven, zonder te publiceren. Al op mijn zestiende schreef ik wel wat dingetjes en verzen, maar met Ruimte debuteerde ik pas op mijn dertigste. Die tien jaar was een fantastische tijd. Ik gaf toen al les in het Gentse kunstonderwijs. Een paar van mijn studenten bakten weleens een spacecake voor mij en daar zat ik dan ’s avonds aan te knabbelen, terwijl ik op de achterkanten van oude plannen schreef. Die bracht mijn vader mee van de administratie, gesneden op quartoformaat.

“Ik was heel beducht om te debuteren. Ik speelde freejazz in het kwartet van schrijver-muzikant Willy Roggeman, voor wie ik een enorme bewondering koesterde. Op een bepaald moment liet ik hem een paar dingen lezen. Hij zei: ‘Dat moet je publiceren.’ Waarop ik repliceerde: ‘Nee, want dan is mijn geestelijke rust weg. Ik vind het juist fijn dat ik in mijn eigen roes kan zitten.’ Ik wilde streng blijven voor mezelf. Dat zorgde later voor stabiliteit, ik liet me niet van de wijs brengen.”

Beschouwt u, als gevierd romanschrijver, poëzie nog altijd als de kern van uw schrijverschap? ‘Iedereen schrijft poëzie wanneer hij puber is, maar verstandige mensen houden daarmee op. Naïeve mensen gaan door’, zei u ooit.

“Jazeker. Taal staat daar op zijn scherpst. Het is de corebusiness voor je toon en je stijl, en zelfs voor de manier waarop je in het leven staat. Omdat je nergens iets zo meerduidig kunt formuleren als in de poëzie. Ik bekijk het graag vanuit de taal- en de existentiefilosofie, zie Heidegger: wij zijn de enige dieren die weten dat we leven en die weten dat we doodgaan en daar een taal voor hebben. De mens is een sprekend dier.”

Stefan Hertmans: ‘Een stabiele relatie is goud waard. Ik geloof niet zo in de romantische mythe van het zwelgen in de misère of in de turbulentie.’ Beeld Thomas Sweertvaegher
Stefan Hertmans: ‘Een stabiele relatie is goud waard. Ik geloof niet zo in de romantische mythe van het zwelgen in de misère of in de turbulentie.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Voelde u zich als debutant een einzelgänger? U stond wel in de befaamde bundel Mooie jonge goden maar met Brusselmans of Lanoye had u heel weinig gemeen. En ik heb niet willen turven hoe vaak u nadien de etiketten ‘hermetisch’ en ‘cerebraal’ naar uw hoofd kreeg geslingerd.

“Vanuit linkse hoek – in Humo dus – werd ik soms geridiculiseerd, terwijl ik zelf een Humo-lezer was en aan de linkerkant stond. Ik was daar eerst zeer door verrast. Maar vergeet niet dat ik bijna tien jaar ouder was dan Brusselmans en Lanoye. Ik ben nog gevormd door auteurs als Samuel Beckett, Heiner Müller, Proust, Kafka, Maurice Gilliams... Toch had ik het gevoel dat wat ik deed evengoed eigentijds was. Toen ik begon te doceren, zorgden mijn lessen voor inspiratie bij het schrijven van mijn essays. Ik kwam na zes uur doceren thuis, schreef tot twaalf uur en dan gingen we in café Het Damberd nog verder discussiëren. Kunstenaars als Wim Delvoye en Dirk Braeckman waren aan het doorbreken. Leven en literatuur liepen in elkaar over. Er was een enorme energie. Soms sliep ik amper.”

‘Er zat in vergelijking met anderen meer materiaal in mijn speelgoedbak’, zei u ooit. Dat kan pedant klinken.

“Het werd me blijkbaar soms kwalijk genomen dat ik naar filosofie of andere literatuur verwees. Absurd, natuurlijk. Literatuur is altijd intertekstualiteit geweest. In mijn laatste bundel citeer ik bijvoorbeeld zonder aanhalingstekens een regel van Hugo Claus. Daar moet je toch geen voetnoot bij plaatsen? Je schrijft altijd in een traditie. De absolute oorspronkelijkheid is een mythe. Als je denkt dat je oorspronkelijk bent, loop je het gevaar alleen maar clichés te produceren. Het is verstandig om eerst de groten te lezen en je vak te leren, daarna kun je oorspronkelijk worden. Kijk naar Marieke Lucas Rijneveld. Bam! Die heeft meteen een eigen toon, een eigen vocabulaire, maar ze kent wel haar klassiekers.”

Het schrijfproces van De opgang was moeizaam, u worstelde met verschillende versies. Is schrijven nooit een gewonnen spel? En wat is uw toetssteen voor u een boek de wereld in stuurt?

“De eerste versies van mijn boeken schrijf ik intuïtief. De reflexiviteit komt later. Je hebt auteurs bij wie dat anders ligt. Ik was ooit met Patricia de Martelaere op tournee in Duitsland. Toen ik haar vroeg waarmee ze bezig was, zei ze droogweg: ‘Ik ben een nieuw boek aan het schrijven, ik ben ongeveer aan honderd pagina’s.’ ‘Ah bon’, zei ik. ‘Wanneer komt het uit?’. ‘Dat weet ik niet’, zei ze. ‘Ik heb die honderd pagina’s alleen nog maar in mijn hoofd uitgedacht.’ Toen begreep ik pas hoe intuïtief ikzelf werk. Ik schrijf een halve bladzijde die uit een associatieve duisternis tevoorschijn kan komen, waarna ik zelfkritisch verder opbouw. Ik vergelijk het graag met de werkwijze van de grote abstracte expressionist Willem de Kooning. Ik heb me laten vertellen dat die met een fietsje door zijn schildersatelier reed. Soms nam hij vijftig à zestig meter afstand van zijn schilderij. Dan pedaleerde hij terug naar het doek. Hij bracht een toets aan en ging dan weer naar achter. Dat met je neus op je werk zitten en er tegelijk kritische distantie van nemen, vind ik erg belangrijk.”

Hebt u spijt van bepaalde boeken?

“Ik herlees mijn eigen boeken zelden, tenzij het moet voor een heruitgave. Een mens moet geen spijt hebben. Je hebt gedaan wat je kon, op dat moment, en daar moet je je bij neerleggen. Je staat altijd op de schouders van de jonge mens die je ooit was. Mét alle stommiteiten en impulsiviteit. Daar heb ik vrede mee.”

Stefan Hertmans heeft op latere leeftijd de verteller in zichzelf toegelaten, lees je vaak in kritieken. En is daarvoor door het publiek beloond. Mee eens?

“De grote bevrijding in mijn schrijverschap kwam er al in 1987 met Gestolde wolken. Met die grillige verhalen nam ik afstand van het strenge modernisme. Er zit Van Ostaijen en Kafka in verscholen, de absurditeit viert hoogtij. Enkele jaren later kwam Naar Merelbeke, daar werkte ik de kracht van de groteske (literair werk waarin vreemde, soms onmogelijke dingen worden beschreven, red.) verder uit.

“Het jongetje in dat boek heeft wel wat van Ferdydurke van Witold Gombrowicz. Het is wellicht het meest vrolijke boek dat ik ooit schreef en voor mij de perfecte vorm om het over mijn afkomst te hebben. Nog altijd denken sommige lezers dat ik uit Merelbeke kom. (lacht) Het was een ludieke manier om een rootsroman te schrijven en tegen de nostalgie in dat gen- re te reageren. Tegelijk vormde dat leugenachtige jongetje een reactie tegen identiteitsdogma’s. Dat boek gaf me een gevoel van totale vrijheid.”


BIO • geboren in Gent op 31 maart 1951 • dichter, schrijver, essayist • brak in 2013 bij het bre­de publiek door met (het in meer dan 20 talen ver­taal­de) Oorlog en ter­pentijn. Ook De bekeerlinge (2016) en De opgang (’20) hadden veel succes • Prijzen: o.m. Ark­prijs van het Vrije Woord (1988), F. Bordewijk­prijs (2002), AKO Literatuur­prijs (2014), Con­stan­tijn Huygens­prijs (2019)

In Als op de eerste dag bespeelde u voor het eerst maatschappelijker dimensies. U was wellicht een van de eersten die het Dutroux-tijdperk in een roman verwerkte. In Harder dan sneeuw schreef u in 2004 al over fundamentalistische aanslagen.

Als op de eerste dag is inderdaad misschien wel mijn heftigste boek. Ik denk dat het her en der in de buurt van Houellebecqs cynisme komt. Wat mij bij Dutroux fascineerde, was die perverse hang naar de schoonheid van jonge vrouwen, die hij dan vervolgens misbruikte en vermoordde. Dat is de psychologische kern van de griezel: seksuele criminaliteit is vaak een wraak op het intimiderende van de schoonheid van de jonge mens.

Harder dan sneeuw behandelde de paranoia die door de dreiging van terrorisme kan ontstaan. Het hoofdpersonage is een man die in de ban van fake news raakt maar die uiteindelijk wel echt ontvoerd wordt.”

U keek er wel altijd voor uit om met het opgeheven vingertje morele lesjes te geven?

“Je kunt maar beter de gutmensch in jezelf terugfluiten, ja (lacht). Er blijft een soort ironische zelfspot in mijn DNA zitten, die wellicht ook Gents is. Ik kom weliswaar uit een generatie die geloofde dat je discoursgevechten moest houden. Maar wat levert het uiteindelijk op? Als je engagement nog slechts betekent dat je verontwaardigd bent op Facebook, tja... Ik ben daarmee opgehouden, ik wil niet meer opiniëren.”

Engagement is meer dan een mening. Toch zijn er veel eminente collega’s die zich op de sociale media wél duchtig roeren?

“Ja, ik lees dat ook, maar je moet uitkijken dat je niet voorspelbaar wordt. Je kunt je dan beter concreet engageren. Het schrijven van een groot verhaal zet wellicht meer zoden aan de dijk dan een scherpe post op Facebook. Dan mik je als schrijver op een langetermijneffect. Je moet nadenken over de manier waarop je op het debat kunt wegen. Als je alleen maar op de actualiteit bent gespitst, hol je die vaak vergeefs achterna.”

Stoort het u dat het publieke debat tegenwoordig door ‘emotie’ wordt geregeerd en dat de rede vaak het onderspit delft?

“Op het eerste gezicht is het argument geleidelijk vervangen door de emotie, jazeker. Dat lijkt intellectueel een achteruitgang. Anderzijds heeft filosofe Martha Nussbaum met haar boek Oplevingen van het denken mijn visie daarop genuanceerd. Zij laat in dat boek prachtig zien dat literaire stijl in passages waar sprake is van emotionele opleving, ook de argumentatieve kracht vergroot. Emotie neemt een volstrekt andere plaats in dan vroeger: toen stond het tegenover denken. Nu weten we dat denken en voelen elkaar kunnen versterken – en ook vertroebelen, uiteraard.”

Stefan Hertmans: ‘Van mijn Chinese vertaler kreeg ik de vraag: ‘What is a catholic priest?’ Dan denk je: misschien toch best iemand anders zoeken?’ Beeld Thomas Sweertvaegher
Stefan Hertmans: ‘Van mijn Chinese vertaler kreeg ik de vraag: ‘What is a catholic priest?’ Dan denk je: misschien toch best iemand anders zoeken?’Beeld Thomas Sweertvaegher

Het valt op hoeveel ambiguïteit er in uw boeken schuilt. Kijk naar de manier waarop u in De opgang de collaboratie in kaart brengt.

“Ik ben blij dat je dat zegt. De scène waarin de verteller op zijn zeventiende met zijn dwaze kop achter een extreemrechtse VMO-betoging aan loopt, met te veel pinten op, is cruciaal. Daar laat ik de lezer voelen: ook ik had kunnen verdwalen. In die drie boeken – Oorlog en terpentijn, De bekeerlinge en De opgang – loopt de verteller als het ware tussen zijn personages. De klassieke alwetende verteller was niet adequaat om zulke autobio-docu-fictie te schrijven. De roman is voor mij sinds Oorlog en terpentijn een hybride en polyfone vorm waarin ik alles kwijt kan: fictie, essay, autobiografie of zelfs beeldmateriaal à la W.G. Sebald.”

“Ik heb wel een zekere aanleg voor melancholie”, bekent Hertmans, als ik voorzichtig naar periodes van mentale onrust pols, en hoe die zich soms in het schrijven weerspiegelden. “Als ik mij psychisch niet helemaal evenwichtig voel of wat depressief ben, stort ik mij op het lezen van filosofie. Theorie heeft me altijd getroost. Het lezen van ingewikkelde boeken haalde mijn depressieve gevoelens weg. Begrijpen brengt troost. Zoals mijn broer zijn jazzgitaar neemt en wat moeilijke riffs studeert, behelp ik me met filosofie. (wijst naar een immense boekenwand naast zijn bureau) Die helpt me altijd uit de nood. Ik lees pakweg tien bladzijden Foucault, Derrida, Barthes, en het gaat weer beter. Het is zoiets als goed leren ademen. Als je zwak bent en nerveus, is je zinsbouw ook zwakker. Dus moet je eerst kalmeren en tot jezelf komen.”

U vertelde daarnet over dat intuïtieve schrijven. Toch bent u ook zeer gedisciplineerd. Dat moet haast wel, anders komt je niet tot zo’n veelzijdig en uitgebreid oeuvre, denk ik.

“Misschien zit dat in mijn genen. Mijn grootvader Urbain Martien was een vechter. Mijn vader leerde mij taaiheid en bescheidenheid: niet uitpakken maar voortdoen. Mijn moeder was zwaar astmatisch, maar met een onverwoestbare positieve levensdrift. Ik ben opgegroeid met die ouderwetse mentaliteit van gewone mensen die doorgaan. Als we niets doen, gaapt de afgrond en is het leven zinloos. Schrijven is ook een manier om te overleven met jezelf.”

U bent al lang samen met Sigrid Bousset, aanjager van veel literaire initiatieven, zelf ook auteur en tegelijk als literair agent uw buffer tegen de buitenwereld. Hoe bevorderlijk is een stabiel relationeel leven voor uw schrijverschap?

“Dat is zeer rustgevend. Sigrid is van gigantisch belang voor mijn werk. We hebben elkaar altijd gesteund als een van ons door een moeilijke periode ging. Ik ben in zekere zin een eenzaat maar ze heeft me altijd veel vrijheid gegund. Soms gaat Sigrid drie dagen in een appartement zitten werken. En dan weer zoek ik de eenzaamheid op. Een stabiele relatie is goud waard. Ik geloof niet zo in de romantische mythe van het zwelgen in de misère of in de turbulentie. Maurice Gilliams zei ooit dat de schrijver regelmaat en huiselijkheid nodig heeft om avontuurlijk te kunnen schrijven.” (lacht)

We pauzeren even, snuisteren en graaien wat rond in de boekenkasten en kijken naar de naweeën van het stormweer in de tuin. En komen weer te praten over verse literaire stemmen. Hertmans is er allerminst blind voor, voor die stokwisseling van de nieuwe generaties. Voelt hij zich soms bedreigd door de aanstormende garde? Wordt hij niet in het hoekje van de weliswaar wijze, maar toch ‘witte oude man’ geduwd?

“Het is zonneklaar dat de literaire wereld de laatste tien jaar radicaal veranderd is”, beaamt hij. “Toen ik in mijn laatste lesjaren kunstwetenschappen doceerde, waren mijn studenten al voor 90 procent vrouwelijk. Dat zie je nu in de literatuur doorstromen, met veel vrouwelijke auteurs en critici. Ook gender is er op dat speelveld bijgekomen, net als kleur en diversiteit. De paradigma’s zijn gewijzigd. En dus ben ik plots een oude, witte man van 70, ja.

(denkt na) “Ik heb daar weinig last van. Toch vraag ik me af hoe het oeuvre van mijn generatie auteurs binnenkort zal worden gelezen. Kijk naar wat Jef Geeraerts is overkomen. Destijds was Gangreen I nog avant-gardistisch en gedurfd, want dat leek op Henry Miller. Nu is het helemaal not done. Ik was er bij toen hij op de Frankfurter Buchmesse in 1993 – Vlaanderen en Nederland waren eregast – door een zwarte Amerikaanse vrouw werd uitgescholden. Toen dacht ik al: de wereld verandert snel en dat weerspiegelt zich in de normen en waarden in de literatuur.”

Stefan Hertmans: ‘Je kunt kibbelen over Amanda Gorman en Marieke Lucas Rijneveld, maar boeiender is: hoe maken we intellectuele beroepen diverser?’
 Beeld Thomas Sweertvaegher
Stefan Hertmans: ‘Je kunt kibbelen over Amanda Gorman en Marieke Lucas Rijneveld, maar boeiender is: hoe maken we intellectuele beroepen diverser?’Beeld Thomas Sweertvaegher

Hoe kijkt u naar de cancelcultuur, die her en der flinke averij veroorzaakt?

“Eerder genuanceerd. Onze zoon Pauwel formuleerde het in een Humo-interview onlangs raak: ‘Als je tegen de cancelcultuur bent, ben je daarom nog niet tegen de aanklagers.’

“Heel vaak plaatsen mensen je meteen in een hokje. De cancelcultuur moet wel uitkijken dat ze niet vastloopt in dat identitaire denken. Ik kijk met grote bezorgdheid naar het identitair vertoog aan de linkerzijde: als we stellen dat alleen gelijkgezinden ons kunnen begrijpen, geven we de universele kracht van literatuur op. Dat is moreel en politiek een uiterst gevaarlijk spel.

“Ik vind ook wel dat men bij ‘The Hill We Climb’ van Amanda Gorman evengoed naar een vertaler van kleur had kunnen uitkijken, maar anderzijds was het juist interessánt geweest om Marieke Lucas Rijneveld de klus te laten klaren. Opkomen voor gelijke vertegenwoordiging mag niet uitmonden in het dogma dat we elkaar niet kunnen begrijpen als we niet dezelfde achtergrond hebben. Oorlog en terpentijn is in 26 talen vertaald, waarvan ik er 22 niet spreek. Wat moet je dan?

“Anderzijds kreeg ik van mijn Chinese vertaler de vraag: ‘What is a catholic priest?’ Dan denk je: misschien toch best iemand anders zoeken? (lacht) Maar bij Gorman en Rijneveld staat er iets anders op het spel. Het gaat om de representatie van gekleurde vertalers. Die stromen blijkbaar moeilijk door naar de vertaler-tolkopleidingen.

“Nu, dat is nog steeds een heikel punt. Veertig jaar geleden ging ik als jonge leraar in Gent folders bussen voor de kunstscholen. Toen liepen er af en toe Marokkaanse of Turkse jongetjes op ons af die zeiden: ‘Zoiets mag ik niet studeren van mijn vader, ik moet een nuttig beroep leren.’ Het onderwijs in kunst en cultuur is lang het laatste witte bastion gebleven. Is het niet veel interessanter om te kijken hoe we intellectuele beroepen toegankelijker en diverser kunnen maken, in plaats van over Amanda Gorman en Marieke Lucas Rijneveld te kibbelen?”

Van inlevingsvermogen gesproken: in het tijdschrift De Lage Landen werd u onlangs geprezen voor de diepgang van uw vrouwelijke personages.

“Ik heb daar altijd veel belang aan gehecht. Elke schrijver heeft er belang bij ooit een personage te beschrijven dat een andere seksuele identiteit heeft. In de renaissance gingen mannelijke kunstenaars hun feminiene kant niet uit de weg – kijk naar Da Vinci en Michelangelo – en was de seksuele identiteit veel meer fluïde. Voor de korte roman Het verborgen weefsel heb ik geprobeerd me me diepgaand in een vrouw in te leven. In Antigone in Molenbeek, waar ik in de huid van een moslimmeisje kruip, gaat het zelfs om een vorm van ‘cultural appropriation’. Ik heb mijn doctoraat over Antigone geschreven. Antigone is de vrouw die niet toe-eigenbaar is, een soort tegen-bruid. De ‘antigonale’ vrouw zegt neen tegen haar lot en betaalt daar haar prijs voor. Zoals ook Mientje in De opgang. Kristien Hemmerechts schreef me: ‘Ik word een beetje zenuwachtig van dat personage, dat wringt.’ Volgens onze hedendaagse normen is dat inderdaad geen feministische vrouw. Maar het is wel een vrouw die haar vertrouwde Hollandse wereld verlaat voor een leven in België, op haar manier tegen het fascisme ageert en daarvoor een hoge prijs betaalt.”

Ten slotte: het viel me op hoeveel bekroningen u door de jaren heen hebt verzameld. Maar was de AKO Literatuurprijs voor Oorlog en terpentijn het echte keerpunt?

Oorlog en terpentijn, De bekeerlinge en De opgang verkopen in hoge oplagen. Dus ja, natuurlijk heeft al die aandacht een effect. Maar ik ben blij dat het mij niet op jongere leeftijd is overkomen. Vooral met de commerciële prijzen kom je in een spel terecht waarvan je zelf de regels niet beheerst. Ik probeer er altijd ascetisch onder te blijven én nergens op te hopen.

“Ik ben niet concurrentieel ingesteld, wij schrijvers zijn geen renpaarden, toch? Uiteindelijk ben ik wél gevoeliger voor de prijzen van de oude eerbiedwaardige instituten: de Bordewijkprijs, de Constantijn Huygensprijs. En natuurlijk zijn die internationale prijzen van belang: de nominatie voor de Premio Strega, die voor de International Booker Prize voor War and Turpentine, de shortlist van de Prix Femina voor Le coeur converti.

(met fonkelende ogen) “Als ik een Franse boekhandel binnenwandel, en daar liggen die Livre de Poches van mijn vertalingen in stapeltjes, dan geeft dat een sterk gevoel van vervulling Maar eigenlijk moet je literatuur nooit ofte nimmer zien als een carrière. Dan ben je voorgoed je mentale vrijheid kwijt.”

Ter gelegenheid van Hertmans 70ste verjaardag verschijnt een bloemlezing van zijn poëzie, samengesteld door Peter Verhelst: Wij waar geen eind aan komt, De Bezige Bij, 144 p., 24,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234