Woensdag 05/08/2020

AchtergrondFilm

‘Starship Troopers’: ooit weggezet als ‘fascistisch’, nu gelauwerd als visioen van het Trump-tijdperk

Acteur Casper Van Dien in ‘Starship Troopers’ van Paul Verhoeven. Beeld Corbis via Getty Images

Paul Verhoevens Starship Troopers, in 1997 gehekeld om de ‘fascistische’ strekking, geldt nu als visioen van het Trump-tijdperk. Verhoeven-biograaf Rob van Scheers beschrijft de kentering.

Het kan verkeren. Het deftige weekblad The New Yorker steekt – na 23 jaar – de loftrompet over Paul Verhoevens sciencefictionsatire Starship Troopers (1997). Op 6 juli schreef criticus David Roth een essay over de film, onder de kop: How Starship Troopers aligns with our moment of American defeat – oftewel: hoe de film het huidige grimmige politieke klimaat in de VS allang had geschetst. Citaat: ‘Het is nu wel duidelijk dat – in deze afgelopen decennia van decadentie, verval, aanzwellend institutioneel geweld en ongebreidelde slechte smaak – het Amerikaanse leven van alledag is gevangen in het cinematografische universum van de Nederlandse regisseur Paul Verhoeven. In de bloederige satirische scifi-films die zijn naam vestigden bij het Amerikaanse publiek, presenteerde Verhoeven een bijzonder onaangename visie op de toekomst: luguber inventief, maar ook beducht om het ‘gewoon maar’ een fantasie te laten lijken.’ 

Dat is wat er staat.

En dat is best gek. Vooral als je weet dat diezelfde film  thema: totalitair regime op aarde is verwikkeld in een intergalactische oorlog – na de première op 4 november 1997 werd neergesabeld door The Washington Post: ‘Ganzenpas in de bioscoop: Starship Troopers en de nazi-esthetiek.’ Recensent Stephen Hunter wond zich op: ‘Silly me, ik dacht dat de nazi’s de oorlog verloren hadden’, schreef hij op 11 november. ‘Maar nu is hier een buitensporige nieuwe film, Starship Troopers, die in zijn eerste weekend 22 miljoen Amerikaanse dollars opeiste en er vast nog veel meer zal pakken, terwijl-ie heimelijk fluistert: Sieg Heil!’

Casper Van Dien en regisseur Paul Verhoeven op de set van ‘Starship Troopers’.Beeld Corbis via Getty Images

Die frontale aanval, en de daaropvolgende discussie, deed de film geen goed. Binnen een week liepen de recettes met 50 procent terug – ongekend voor een productie die eerst een succes leek te worden. Uiteindelijk bleef de teller in de VS staan op 54 miljoen dollar (47 miljoen euro) en wereldwijd op 105 miljoen euro. Veel te weinig voor een big budget blockbuster van 90 miljoen euro. 

Een cultfilm van 90 miljoen euro mag je het ook noemen, weten we nu. En dat is niet minder ongekend. De eerste tekenen van een omslag in de appreciatie volgde na 11 september 2001. Amerika verkeerde in een staat van paniek, vond in Bin Laden en zijn Al-Qaida een gemeenschappelijke vijand, en de tv-beelden van de terroristenjacht in de Afghaanse bergen leken verdomd veel op de scènes in Starship Troopers waarin de oude ijzervret Jean Rasczak (Michael Ironside) met zijn peloton patrouilles uitvoert op de desolate Planeet P. De Troopers zijn op hun hoede voor bloeddorstige bugs – gigantische spinachtige insecten en ander ongedierte die hun toorn op de aardlingen richten. Het strijdplan van Rasczak & co. luidt: ‘De enige goede bug is een dode bug.’ De Amerikaanse manier, zeg maar.

Nét Starship Troopers, werd er in 2001 links en rechts geschreven, met Afghanistan op het netvlies. En dan met name in Engeland. Anders dan de Amerikanen, die zich in God’s Own Country wanen en het gelijk aan hun zijde hebben, konden de Britten de soms groteske ironie van Paul Verhoeven wel waarderen. Want dat is Starship Troopers in diepste wezen: een politieke comedy, met een bite. Een dystopie om te lachen, al zal de hoofdrolspeler dat lachen snel vergaan.

Even voor wie de film per ongeluk nooit gezien heeft: het jaar is 2299. De wereld wordt bestuurd door de United Citizens Federatie, het hoofdkwartier staat in Genève. De kadetten van de militaire academie – jong, fit, mooi en veelal blond, de eerste verwijzing naar de Hitlerjugend – worden door docent Rasczak bijgepraat:

‘Hier, in de cursus geschiedenis en morele filosofie, hebben we de ondergang van het stelsel van democratie onderzocht, ontstaan toen de menswetenschappen de wereld naar de rand van de afgrond duwden, en zagen we hoe militaire veteranen de controle overnamen en een stabiliteit brachten die nu al generaties aanhoudt… Jullie kennen deze feiten, maar heb ik jullie iets waardevols geleerd? Jij daar! Waarom mogen alleen citizens stemmen…?’

Het goede antwoordt luidt dat de citizens (burgers) werken of werkten voor de Federal Service, het militaire apparaat. Zij hebben stemrecht en mogen een gezin stichten, in tegenstelling tot de civilians (inwoners). Dat betekent dus een militaire dictatuur met eersterangs en tweederangs burgers, zoals Noord-Korea nu, nazi-Duitsland of de stadstaat Sparta in het antieke Griekenland.

Robert Heinleins roman ‘Starship Troopers’, uit 1959.Beeld RV

Dat is de situatieschets van Starship Troopers, bedacht door sf-schrijver Robert Heinlein, in zijn gelijknamige roman uit 1959. Een omstreden boek, omdat de schrijver en voormalig marine-officier het regime van een militaire elite in de toekomst zelf noodzakelijk achtte. Het is de enige sciencefictiontitel die op alle vier de militaire academies in de VS op de literatuurlijst staat.

Paul Verhoeven kwam er nooit doorheen: “Veel te hermetisch”, zei hij (toen ik aan zijn biografie werkte). Hij vertrouwde op “de leuke dingetjes” die scenarist Ed Neumeier – bekend van hun gemeenschappelijke project RoboCop (1987) – toevoegde. En wat ook wel prettig was: sciencefiction geeft je vrijheid, als Europese regisseur in Amerika. Na RoboCop, Total Recall (1990) en Basic Instinct (1992) had Verhoeven zich met Showgirls (1995) gewaagd aan het felle realisme waarmee hij in Nederland vertrouwd was – maar de Amerikanen pikten die blik van de buitenstaander op hun cultuur niet. Dan nog maar een keertje sciencefiction. 

Dit is wat Verhoeven en Neumeier bedachten: we nemen het boek van Heinlein, maar we draaien het om. We gaan het militarisme niet ophemelen, we maken er een venijnige hyperbool over het contemporaine Amerika van. Met zijn nationalisme, zijn particuliere wapenbezit, zijn anti-intellectualisme en de opkomst van reality-tv, allemaal bruikbaar voor de film. De sf-fans zullen wel op de actie afkomen, vermoedde het duo, maar daaronder ligt een laag van politieke satire. 

Het idee wordt consequent doorgevoerd, met propaganda op de staatsomroep, live uitgezonden executies van misdadigers en jonge mensen die worden opgeroepen voor de strijd, nadat Buenos Aires door de bugs is aangevallen. Om het nog wat aan te scherpen gebruiken we de beeldtaal van Leni Riefenstahl, de huiscineast van de Führer, jubelde Verhoeven: we leggen het er lekker dik bovenop. Met massascènes, gewapper met vlaggen, tromgeroffel, speechende generaals en louter blije gezichten. 

Casper Van Dien en Denise Richards in ‘Starship Troopers’.Beeld Corbis via Getty Images

Een krankzinnig plan, eigenlijk. Voor een film van 100 miljoen dollar. Doordat er aan de top van productiemaatschappij Sony steeds personele wijzigingen werden doorgevoerd, greep niemand in en konden Neumeier en Verhoeven hun gang gaan. Toen ze de film voor de eerste vertoning afleverden, spraken bezorgde studiobonzen:

“Paul? Dat lijken wel nazivlaggen.”

Verhoeven: “Nee joh, die zijn rood, zwart en wit. Deze zijn groen, blauw en wit. Een heel verschil.”

“Oké, Paul.”

Verhoeven dacht wel “een interessante film” te hebben afgeleverd. Nu ja: het begin op de academie vindt hij achteraf te lang. Ed Neumeier had op de scènes met Johnny Rico (Casper Van Dien) en zijn studievrienden aangedrongen, het leek hem beter voor het ritme als de actie later kwam. En de brainbug, de strateeg van de insecten, had aan het slot forser gemoeten, gegeven haar importantie. Ongeveer 60 van de 129 minuten van Starship Troopers vindt Verhoeven “goed geconstrueerd en visueel verteld”: het middendeel, van het punt waarop Johnny Rico na de aanval op Buenos Aires in dienst gaat, tot het moment dat zijn legerbuddy Dizzy (Dina Meyer) in haar doodskist in outer space verdwijnt.

Regisseur Paul Verhoeven op de set van ‘RoboCop’. Beeld Corbis via Getty Images

Want zo is het wel: al die frisse jongens en meisjes gaan er bijna allemaal aan, wat het totalitaire systeem aan het wankelen brengt. Zo bezien is Starship Troopers een anti-oorlogsfilm, op eenzelfde manier als Kubricks Dr. Strangelove (1964) dat was. ‘Would you like to know more?’, tettert de ‘official voice’ de godganse dag op tv, een vraag die de makers ook bedoelden als waarschuwing aan het publiek: willen jullie wel meegaan in deze dystopie? Maar die vraagstelling ging over de hoofden van de kijkers heen en ook niet alle recensenten hadden de omkering door, The Washington Post voorop.

Inmiddels is alles anders. Na 9/11 roemde Martin Scorsese het werkstuk, de gebroeders Coen maakten zich bekend als fan en Oliver Stone vermeldt de film al jaren in zijn persoonlijke top-3. Ook Bill Clinton heeft zich kostelijk vermaakt, zo hoorde Verhoeven van Richard A. Clarke, destijds chef counter terrorism van het Witte Huis.

Bij het twintigjarig jubileum deed The Guardian er in 2017 nog een schepje bovenop: ‘Dit is geen sciencefiction meer, dit is realiteit geworden.’ Het ging de krant met name om de uitzichtloze strijd tegen terrorisme. Als The New Yorker nu weer parallellen ziet tussen het tijdperk-Trump (met zijn retoriek, mediahaat en politiegeweld) en Starship Troopers en RoboCop valt zelfs de term visionair.

Er valt wat voor te zeggen. Als de duiders van verschillende generaties steeds weer nieuwe lagen ontdekken in films uit 1987 en 1997, waardoor ze almaar actueel blijven, dan mag je spreken van een tijdloos kunstwerk. De grimmige corporate wereld van RoboCop, waarin de handhaving is uitbesteed aan een particulier bedrijf, en de totalitaire samenleving van Starship Troopers, waarin andersdenkenden monddood worden gemaakt: wie niet voor ons is, is tegen ons.

 “Alles op intuïtie”, zei Verhoeven. “De conservatieve draai zat met George W. Bush al wel in de lucht, maar 9/11 kon niemand voorzien.” En hij vindt het leuk, de artistieke erkenning, maar een hit in de bioscoop is ook wat waard en het liefst had hij met Starship Troopers allebei gehad. Zoals dat met RoboCop wel lukte: goed ontvangen én goed bezocht. Daar doet hij het voor.

Nog even terug naar het begin: 2 december 1994, in de showroom in Los Angeles van Columbia-Tristar, dat onder Sony valt. Terwijl Paul Verhoeven nog druk is met de afronding van Showgirls heeft producent Jon Davison (met wie hij ook RoboCop maakte) een select clubje uitgenodigd voor de promo van wat de volgende Verhoevenfilm moet worden: Starship Troopers

Het filmpje is bedoeld om de studio voor honderd miljoen dollar over de streep te trekken. Verhoevens vrouw Martine is er, hun dochter Claudia, en ik mag als biograaf ook mee. Daar verschijnt de regisseur al in beeld: “My dear friend at Tristar”, klinkt het in zijn onnavolgbare idiolect, je kunt wel zien dat hij er zin in heeft. “Ik adviseer u ten zeerste om ons deze film te laten maken, of else...” Prompt springen agressieve (digitale) bugs – ontworpen door special effects-specialist Phil Tippett – krijsend tevoorschijn en vergrijpen zich aan een handvol soldaten. Ledematen vliegen in het rond, de soldaten schieten terug, maar het is een ongelijke strijd.

Het pandemonium duurt nog geen vijf minuten. Wanneer we duizelig de voorstelling verlaten, is dochter Claudia het eerst met haar reactie. Vertederd zegt ze: “Typisch papa.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234