Woensdag 07/12/2022

AchtergrondColdplay

Stadionact met januskop: waarom Coldplay over de tongen blijft rollen

Coldplay verkocht meer dan 100 miljoen platen, ze braken een record door vier keer Glastonbury af te sluiten, en vanaf vrijdagavond spelen ze vier uitverkochte concerten in het Koning Boudewijnstadion. Toch lijkt de wereld verdeeld: is Coldplay hot stuff dan wel kouwe kak? Een gulden middenweg bestaat ogenschijnlijk niet.

Gunter Van Assche

Blinde haat kun je beter gereserveerd houden voor terroristen, schenders van mensenrechten en VN-resoluties, of ander gespuis. Al is zoveel venijn evengoed vaste pasmunt in rock-’n-roll. Vraag maar aan Morrissey, Mumford & Sons, Justin Bieber of Bono van U2. En anders wel aan Nickelback, die sinds de wereldhit ‘How You Remind Me’ in 2001 wereldwijd de gebeten hond is.

Die Canadezen worden al twee decennia zelfs gemakshalve weggezet als de meest gehate groep van de planeet. Maar Nickelback vult net zo goed al jaren arena’s en verkocht miljoenen platen. Frontman Chad Kroeger zette de smaakridders graag op hun paard door te beweren dat “iedereen die ons haat, stiekem van ons houdt”.

Dat is dan toch wel anders bij Coldplay, waarbij muziekfans duidelijk in twee kampen terug te vinden zijn. Je houdt intens van de groep, of je haat hen hartsgrondig. Schouderophalen is er zelden bij. Dat konden we eigenhandig ondervinden toen we hun laatste plaat Music of the Spheres als “bovenwereldse bagger” bestempelden – nog steeds geen woord van overdreven, helaas – en Messenger uitpuilde met banvloeken, verwensingen en emoji’s van middelvingers.

Vreemd genoeg was hoongelach dan weer ons deel toen we vier jaar voordien vier sterren gaven aan Coldplay “dat liefde, kleur en onschuld bracht naar het Boudewijnstadion”. Vier sterren voor een groep die in indie-kringen smalend “het muzikaal equivalent van een Volvo” genoemd wordt? De kans op cool hadden we weer eens verkeken.

Conclusie: damned if you hate ‘em, damned if you love ‘em.

Honderd miljoen albums

Feit is dat Coldplay zich sinds mei vorig jaar de meest succesvolle popgroep van de 21ste eeuw mag noemen, met honderd miljoen albums die van eigenaar wisselden. Daarmee is de Britse band onder Chris Martin zelfs tout court een van de grootste acts in de popgeschiedenis. Maar tegelijk wordt Coldplay nog steeds met de regelmaat van de klok weggezet als melige melkmuiltjes.

Eén betweter noemde hen ooit zelfs een stelletje “bed wetters”. Alan McGee is twintig jaar na datum weliswaar teruggekomen op die beruchte bedplassersopmerking. De muziekmagnaat, wiens label Creation Records destijds onderdak gaf aan Oasis, Primal Scream, Teenage Fanclub en My Bloody Valentine zette met een opiniestuk voor The Guardian in 2000 de botte bijl in de band. “Het is Jeff Buckley Light, een act die je leuk zou moeten vinden als je student bent. Dat frustreert me zo aan de huidige muziekscene.”

In een recent interview met de Sunday Express bekende McGee evenwel dat hij intussen anders over de band denkt. “Ik heb er zelfs spijt van dat ik Coldplay ooit bedplassers heb genoemd... of toch een beetje”, gaf hij grinnikend toe. “Want vergeleken met wat er ná hen kwam, waren ze nog best in orde. Ik hou niet van hun muziek, maar ik denk niet meer dat ze zó slecht zijn. Ach, ik had vroeger een grote bek. En ik zat tjokvol voorgeschreven medicijnen.”

Coldplay reageerde destijds behoorlijk stoïcijns op de eerste tirade van McGee. Zo vertelde frontman Chris Martin aan NME: “Het kan me echt geen reet schelen wat hij te zeggen heeft. Het maakt niets uit.” Gitarist Jonny Buckland voegde daar nog schaapachtig aan toe: “Ik heb nog nooit in bed geplast. Ik heb wél een keer gekakt onder de tafel toen ik drie was. Maar dat is het ongeveer. We proberen te zijn wie we zijn, weet je. Doen alsof je ‘een beetje krankzinnig’ bent, zou gewoon triest zijn.”

Wie Coldplay wil slaan, vindt licht een stok. In een aflevering van de animatieserie Family Guy wordt gesuggereerd dat het hoofdpersonage Peter Griffin op een blauwe maandag bij de groep speelde, tot hij voorstelde: “Waarom zouden we eens niet een song schrijven die géén whiny bullcrap is?

In een andere aflevering vraagt een ander personage tijdens een date of hij van Coldplay houdt. Het antwoord is affirmatief, want “I’m a dull white guy”. En toen Coldplay de laatste keer aantrad bij de Heizel las je op sociale media dan weer grapjes als “Terrorisme: Coldplay speelt een concert in België. Het aantal slachtoffers wordt geschat op 50.000”. Ricky Gervais – nochtans een goede vriend van hem – vroeg Chris Martin dan weer om mee te schrijven aan “de meest groteske stadionsong ooit” voor zijn personage David Brent uit The Office. Ouch.

Kop van Jut

De reden waarom Chris Martin zo makkelijk de kop van Jut is? Daar werden al halve naslagwerken over geschreven. Als tekstschrijver hinkt hij zijn lichtende voorbeelden Bono en Thom Yorke achterna, waardoor Ranker.com de songs van Coldplay vergelijkt met “Urban Outfitters, pumpkin spice lattes, of een overgeprijsd zwart T-shirt van American Apparel: banaal.”

Vice schreef dan weer dat “Chris Martin een man is die schijnbaar niet van de ene plaats naar de andere kan zonder te huppelen. Hij glijdt over de vloer als een peuter in een kleuterdisco, high op Calypso Cups, terwijl hij gaten slaat en trapt in de lucht. Hij is de muzikale belichaming van Jamie Oliver, maar dan met een slechtere kledingkeuze. In wezen is zijn ongebreidelde positiviteit alles wat Britten moeilijk kunnen verdragen. Het zit gewoon niet lekker.” Zelfs The Independent schreef vorig jaar een essay over de koude oorlog tegen Coldplay.

“Iedereen vertelt me dat aversie heel gezond is”, wist Martin zo’n vijftien jaar geleden al. In een interview met The Associated Press vertelde hij: “Het is heel deprimerend, maar tegelijk is het heel gezond. We hebben altijd nood gehad aan dit borrelende niveau van vitriool.”

Nochtans werd de groep in het begin van hun carrière – ten tijde van het magistrale Parachutes – dicht aan de borst gedrukt door hipsters, huisvrouwen en halter-tillende corpsballen. Martin zei dat hij nooit de oorzaak voor zoveel antipathie heeft kunnen achterhalen.

“Misschien heeft het iets te maken met mijn kapsel”, geloofde hij zelfs ooit. “Misschien zijn we te vrouwelijk voor mannen en te mannelijk voor vrouwen. Maar wat we ook doormaken, persoonlijk of in het openbaar, mogen we ons gezegend noemen omdat we met zijn vieren zijn én beste vrienden zijn. Dus we gaan tenminste samen door de storm.”

De grote onweerswolken trokken samen vanaf de release van hun ambitieuze langspeler X&Y (2005). Het Britse tijdschrift NME riep die plaat meteen uit tot de beste Coldplay ooit. Het Amerikaanse Blender noemde het op zijn beurt een meesterwerk en gaf het album een maximum van vijf sterren. Tegelijk degradeerde The New York Times Coldplay toen tot “de meest onuitstaanbare band van het decennium”. De muziek zou “meedogend, empathisch, grootmoedig en inspirerend moeten zijn, maar als een song weer eens aanzwelt met tremolo-gitaar en klaterende keyboards, en meneer Martins stem voor de zoveelste keer breekt, klinkt het als bedrog voor mij”.

Energie zuigen

Opmerkelijk genoeg beweert Coldplay alle kritiek ter harte te nemen. Wanneer een recensent de eerste optredens saai en kabbelend noemde, veranderde de band prompt de setlist. “Dat is het mooie aan haat”, zei Martin daarvoor. “We kunnen energie zuigen uit alle kritiek en er iets positiefs van maken. Het is net als in Back to the Future, waar je dat apparaat hebt dat afval in een tijdreiziger kan veranderen.”

Ook Martins ex Gwyneth Paltrow weet dat woede een energiebron is. Zo gaf ze grif toe dat ze mensen irriteert met The Goop Lab op Netflix, waarin ze bizarre lifestyletrends als koudwatertherapie, orgasmeworkshops, en vaginastoomcursussen tegen het licht houdt. Alleen maakt ze haar businessmodel van wat mensen tegen de borst stuit, bijvoorbeeld door een kaars uit te brengen die naar haar “citrus en muskuszaad geurende vagina” ruikt. De kaars, die zomaar liefst 75 euro kostte, was in geen tijd uitverkocht.

Aan The New York Times legde Paltrow in 2018 uit hoe haar businessmodel werkt. Ze zet irritatie om in harde cash. “I can monetise those eyeballs”, klopte ze zich op de borst. Wie met zijn ogen rolt, dénkt namelijk aan haar, scrolt onbewust naar haar site. Elke cultural firestorm, zoals ze dat zelf noemt, levert haar geld op.

Hetzelfde geldt eigenlijk voor Coldplay. Met de superieure single ‘Yellow’ – nog stééds onsterfelijk – werkte de groep zich 21 jaar geleden op uit de loopgraven van de britpop. Op eenzelfde elan doorgaan had geen zin: wie ter plaatse blijft trappelen, wordt meteen ingehaald door de popgeschiedenis. Maar sinds ze vervelden tot een stadionact met januskop – nu eens experimenteel en vernieuwend, dan weer met generische popsongs – slagen ze erin om over de tongen te blijven rollen. Dat doen ze door mee te deinen op de golven van de charts en zo nieuwe doelgroepen aan te boren. Zo kregen de Koreaanse boybandsensatie BTS en de popster Selena Gomez een gastrol op hun laatste plaat.

En ze verzekeren zich van vitriool, maar ook onbetaalbare media-exposure door de release van Music of the Spheres aan te kondigen, door die plaat letterlijk in een baan om de aarde te sturen: de eerste single ‘Higher Power’ kreeg zijn première, gebeamd vanuit het internationale ruimtestation ISS.

Grotesk? Yep. Maar zoals Chris Martin tien jaar geleden al in zijn vuistje lachte: “Wie genoeg energie wil opbrengen om ons te haten, geeft in wezen aan dat we er wel toe móéten doen. Ik zou het veel erger vinden om gewoon bij het meubilair te horen. I love everyone for loving us, and I love everyone for hating on us.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234