Dinsdag 18/06/2019

Concertverslag

Sonic City dag drie: schoonheid in de stilte

Beeld Alex Vanhee

De elfde editie van Sonic City sloot af op de dag waarop dit land voor de honderdste keer huiverde in herinnering. Met Melanie De Biasio schitterde het Départ in verstilde schoonheid.

“Gender is a construct, let’s tear it apart”, was het eerste dat we hoorden op dag drie. Het was de ingeleide voor een nummer dat ‘Somebody’ heette, de uitvoerder was het Britse punktrio Dream Wife (★★★). In een aanstekelijk Trainspotting-accent zong Rakel Mjöll “I am not my body / I am somebody”. Mjölls body werd geflankeerd door twee gitaren die zo smerig waren dat het niet anders kon of ze hadden drie dagen liggen marineren in de urinoirs van Brussel-Centraal. Fijn nummer, fijne band. Alweer goed geroken van curator Courtney Barnett.

Wie had gehoopt dat bovengenoemde Barnett, die het Départ zaterdag eigenhandig tot meerdere climaxen bracht, gisteren nog eens op het podium zou verschijnen, was eraan voor de moeite. Haar lief Jen Cloher (★★★★★) kwam alleen en unplugged. Je wist het toen nog niet, maar dat was precies wat je nodig had. Eigenlijk lag je al in de touwen zodra Cloher de eerste akkoorden van ‘Regional Echo’ aansloeg. Haar galmende folkgitaar met die typische singersongwriterzwiep over de hals, de minzame glimlach waarmee ze over verloren dromen verhaalde, de teugen die ze een zucht te gretig nam van haar fles Chardonnay: alles op dat podium dwong je tot complete overgave.

Beeld Alex Vanhee

En dan moesten de woorden nog vloeien. “We sit and eat breakfast / Eggs with soldier toast / Buttered well / So you get the edges / Of the things we never say / Distance has a funny way / Of slowly making you someone / That I don’t know”: zelden wist een ander met haar persoonlijke waarheid je eigen zekerheden zo zachtjes te ontwrichten. Er bestaan veel dure woorden om het effect te schetsen dat Cloher had op haar publiek. Een betere graadmeter waren de gesloten ogen in de zaal. Het waren er veel.

Hiervoor diende je de kijkers wél wijdopen te houden: Sylvie Kreusch (★★★). De sibille-in-latex, bekend van Soldier’s Heart en Warhaus, koos voor haar soloshow voor een opvallende bezetting van twee drums, bemand door MDCIII-slagwerkers Lennert Jacobs en Simon Segers. Gisteren in de vooravond stond dit trio voor een moeilijke opdracht: op de laatste knip moest het invallen voor Nilüfer Yanya, die een week of wat eerder had afgezegd. Bovendien is Kreusch’ soloproject nog niet op plaat geperst, waardoor enkel die ene single ‘Seedy Tricks’ als herkenningspunt kon dienen. Dat geefde allemaal niet. De Gentse danste als een bezeten poppetje, had meer swagger in haar kleine teen dan Bonnie en Clyde in hun kofferbak, en als dat laatste overdreven zou zijn, dan had ze tenminste een stem die qua ‘lijzigheid’ niet hoefde onder te doen voor die van Max Colombie. Kreusch, die schaffte das.

Sylvie Kreusch. Beeld Alex Vanhee

Over naar Lindsey Jordan, die met Snail Mail (★★★) dealde in zoete highschoolpunk met een weemoedige ondertoon. Jordan is een rabauwtje van het type dat “weeiiirddd” zegt, bandshirts draagt en in de backstage whisky aanlegt met frisdrank (en daar vervolgens over snoeft tegen het publiek). Gisteren stond ze met drie gitaren op het podium, maar het was haar stem die het verst droeg. Die klonk veel kwijnender dan je van een negentienjarige zou verwachten – ze krulde op uit haar mond als een houtschilfer die met een zakmes van een bast wordt geschuurd. De sound van de band hadden we elders al scherper gehoord, onder meer bij Waxahatchee, de band met wie Snail Mail eerder al op tour mocht. Toch liet het potentieel zich merken. Wat uitpuren, hier en daar wat klemtonen onderstrepen, en voor een optreden misschien wat minder aan de whisky zitten: alles welbeschouwd is dat weinig huiswerk voor Jordan.

Snail Mail. Beeld Alex Vanhee

“Go see Stella Donnelly, she’s really Jeff Buckley, and I don’t use the JB word that often”, zei Jordan nog. Welaan dan. Geknoopt sjaaltje, keurig snitje en een drinkbus: aanvankelijk leek Stella Donnelly (★★★★) de tegenpool van Jordan. Maar deze Australische singersongwriter was allesbehalve een push-over. Haar beste song was een vlammend pamflet over misbruik door mannen. ‘Boys Will Be Boys’ begon met woorden die een tienermeisje in haar dagboek-met-hangslotje had kunnen noteren: “My friend told me of a secret”. Met een vilten jongemeisjesstem en eenvoudige akkoorden traceerde Donnelly stap na stap het onrecht dat die smeerlap haar vriendin had aangedaan – omfloerst en scherp, kwaad en gecontroleerd. Toen ze besloot met “You broke all the bonds she gave ya / Time to pay the fucking rent” werd Donnelly even Kathleen Hanna van Bikini Kill. Die sprak zeventwintig jaar geleden in een huiskamerperformance deze woorden: “I’m your worst nightmare come to life / I’m the girl who can’t shut up”. Of hoe de meest urgente act van deze elfde Sonic City van een lieve singersongwriter kwam.

Stella Donnelly. Beeld Alex Vanhee

Wie Ryley Walker (★★) op plaat hoort, denkt daarbij in aroma’s en niet in akkoorden. Uit de subtiele, jazzy folk van Deafman Glance (2018) spreekt een vakmanschap dat wellicht jaren heeft moeten rijpen. Veel van de sonorische chaleur is de verdienste van Walkers strottenhoofd, dat geboetseerd lijkt uit kaarsenvet en vervolgens gestut werd met beukenhout. Het is een instrument dat je ver weg kan voeren, net zoals Eddie Vedder dat kon op de soundtrack voor de cultfilm Into The Wild. Gisteravond bleef van die magie weinig intact, en Walker had daar zelf een niet onaanzienlijk aandeel in. “Holy shit I think this string might break, but if we all think happy thoughts I don’t think it wi-i-i-ll”: de man stond tussen de nummers door gewoon de plezante uit te hangen. ’t Zal wel aan ons hebben gelegen – Walker heeft een reputatie en een schare livefans – maar de muziek verdween een keertje te vaak naar het achterplan. Goed gelachen, dat wel.

Beeld Alex Vanhee

“Humbling power, sacred shower”: niemand kwam tegen achten droog uit de kleine zaal van het Départ. Dat was de schuld van Charlotte Adigéry, het Gentse jongmens achter Wwwater (★★★★★). Onder de begeleiding van Hong Kong Dong- en The Germans-creatieveling Boris Zeebroek (synths) en Soulwax-oudgediende Steve Slingeneyer (drum) bracht Adigéry een set die kant noch wal raakte, en net daardoor ongelooflijk wist te verrassen. Voor elke ‘www’ had Adigéry een stijl: opener ‘WWWater’ groovede op een nostalgische MTV-vibe, ‘Never Nuff’ verhardde tot agressieve streetrap, ‘Mine Yours’ was slowcore-triphop met beats uit de winkel van Arca. Een paar nummers dieper stak een sound waarvan je zelfs niet eens wist dat ze bestond – of is spacey rootsmuziek een ding? Als je de nummers allemaal samenplakte, kreeg je iets dat leek op een seizoen van Black Mirror: een toekomstvisie gedroomd vanuit een handjevol verschillende perspectieven. Alle waren ze even geloofwaardig, al sprong er qua urgentie eentje bovenuit. Nieuwe single ‘Screen’ was catchy technopunk, ja, maar bovenal was het vuig, onbeleefd en in your face. “Masturbate on my selfie!” Probeer daar eens níét hevig van te transpireren.

Beeld Alex Vanhee

Ooit al een recensent horen zeggen dat er meer AutoTune mocht zijn? Zeker op haar debuutplaat Give You The Ghost (2012) durfde Channy Leaneagh van Poliça (★★) de Rhye in haar stem op te kleden met dubbelgeloopte zanglijntjes, echo’s en andere stekelige elektronica. Hier op Sonic City had ze besloten dat niet te doen – de chanteuse moest primeren. Dat resulteerde in een mooie, maar eenzijdige set. Het was als met zo’n suède sierkussen: wrijf erover in de juiste richting, en je krijgt een aangenaam gladde textuur. Maar wie kan zich het plezier ontzeggen om ook eens de verkeerde beweging te maken? Leaneagh, kennelijk.

Beeld Alex Vanhee

Met uitzondering van Charlotte Adigéry en de drummer van postpunkoutfitje Black Midi was Lonnie Holley (★★★) gisteren de enige black op het podium. Hij liet zich inleiden door een attaché, een beetje zoals de teksten die je leest op de achterkant van oude jazzplaten. Er viel wel wat te zeggen. Eén: Holleys artistieke carrière is opgetrokken uit verdriet. Zijn eerste twee ‘werken’ als beeldhouwer waren de grafzerken voor de twee kinderen van zijn zus, die ruim veertig jaar geleden in een woningbrand waren omgekomen. Twee: de man begon pas na zijn zestigste aan muziek. En drie: hij hecht alle belang aan het artistieke ogenblik – nummers uit z’n platen speelt hij zelden, want “I’ve played those already, didn’t I?” Gisteren gaf hij een performance die het midden hield tussen spoken word en jazz. Er was een trombone en een drum, zelf raakte hij soms eens een keyboard aan. Maar de instrumentatie beperkte zich tot stilletjes aanstippen en nuanceren; ze waren de leestekens in Holleys stream of consciousness. Luisteren naar Holley was niet makkelijk: zijn stem was een roestig tandwiel dat in bijna woordpaar stokte op een klinker. Daar stond tegenover dat je zomaar even kon horen hoe een door het leven gegeseld man zijn geld verloor, maar zijn glimlach en veerkracht behield. Je kon je zo een van die oude plaathoezen voor de geest halen, en op de achterkant kon je lezen: “Nuggets of gold from a man shaken and tossed by the wheel of Fortune”.

Eindelijk kwam de grand cru van Sonic City 2018. Melanie De Biasio (★★★★), de Belgisch-Italiaanse die sinds dat magische neo-noiroptreden bij Jools Holland (2014) haar permanente intrek heeft genomen in de hartkamers van jazzaficionado’s. De performer, ook, bij wie de nummers zich live nooit helemaal hetzelfde ontvouwen. Immers: herhaal een sjabloon te vaak, en je legt een kreuk in het nummer. En zo gaf De Biasio gisteren een bloemlezing uit een oeuvre dat je al lang vanbuiten kende, maar toch weer net een andere schaduw wierp. Deze keer steunde ‘Let Me Love You’ voor de melodie op een contrabas (Axel Gilain), en was de uitvoering stil genoeg opdat je De Biasio door haar dwarsfluit hoorde ademen. Ook ‘Gold Junkies’, de gecondenseerde versie van de 25 minuten lange compositie ‘Blackened Cities’, begon fluisterend. De drum van Aarich Jespers trippelteende door de eerste strofe, snel en stil als een wijzer die tussen twee secondes bleef steken. Het nummer accumuleerde massa, zwenkte even uit tot ‘Blackened Cities’, keerde uiteindelijk terug naar de embryonale staat van ‘Gold Junkies’. Het hele proces had zich voltrokken in minder dan twee minuten. Klasse.

Beeld Alex Vanhee

Je moet uit het juiste hout gesneden zijn om muzikant te zijn voor De Biasio. Als rasartieste verlangt ze niets minder dan absolute flexibiliteit, techniciteit en compromisloze passie. Gisteren nam ze zichzelf in dienst als dirigent: een opwaarts handgebaar richting de toetsen (Mathieu Van) moest zich binnen de seconde vertalen naar een geribder ritme. ‘Sitting in the Stairwell’, ‘Lilies’ en ‘Afro Blue’ moesten na een knikje met elkaar vervlechten tot één soundscape. Dat zorgde na het oosterse, statisch-elektrische ‘And My Heart Goes On’ even voor verwarring. “We should have gone, said bye and then come back. I forgot”, zei een lachende De Biasio. Ze had de setlist dooreengehaspeld, en vroeg nu aan de band om samen te improviseren, zij het onder haar voorwaarden. ‘I Feel You’, ‘No Deal’, en ‘I’m Gonna Leave You’ waren zonder meer goed, maar voelden niettemin alsof De Biasio zichzelf op de tong had gebeten. Het deed je denken: was ze zelf tevreden van dit concert? Wat het antwoord ook mocht zijn, Kortrijk had een uur lang staat kunnen maken op haar stilte. Op deze dag was dat meer dan genoeg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden