Maandag 09/12/2019

Festivalrecensie

Sonic City, dag drie: de parels tussen de punk

Shame op Sonic City. Beeld Alex Vanhee

Na een uitdagende zaterdag was Sonic City dag drie aan de punkers. Curator Shame had enkele ‘very fucking special friends’ uitgenodigd. Maar hoewel Squid en The Murder Capital niet teleurstelden, zaten de beste acts elders.

Squid (★★★) is ooit begonnen als een jazzband. Tegenwoordig is ze – volgens iemand op Facebook – je beste vriend, buiten je hond. Binnenin je hond? Daar is het veel te klein voor Squid: de Britse punkoutfit bestaat uit vijf jongvolwassen heren, van wie er zondag zeker drie de neiging vertoonden om meerdere instrumenten te bespelen. Gitaren werden om de paar nummers verruild voor een trompet, tamboerijn, of koebel. Al was het vooral de stem van zanger-drummer Ollie Judge die bepalend bleek voor die vrolijk-krankzinnige Squid-stempel. Judge ging op onregelmatige basis de hoogte in, alsof iemand af en toe een ijsblokje in zijn nek dropte. Het maakte dat een nummer als ‘The Cleaner’ muzikaal speeksel deelde met zowel Talking Heads als Girl Band, en dat lyrics als ‘… A red wire and a blue wire / Well they all look the same to me’ alarmerend oprecht klonken. Een ander nummer ging over kamerplanten. Het klonk niet slecht - wat dan weer curieus maakt naar wat Squid te musiceren heeft over extra korte wascycli, dag- versus maandlenzen en priorverzendingen bij de post.

Squid op Sonic City. Beeld Alex Vanhee

Geen octopus op de main stage, maar een stijlvolle pitbull. De vijf Dubliners van The Murder Capital (★★★★) brachten een set waarin ze hun tanden in slow motion ontblootten. Het begon met postpunk die zo was verstild dat ze voortdurend dreigde uit te doven. De gitaarlijnen in het tweeluik ‘Slowdance I’ en ‘II’ zaten hoog en kleurden monochroom, de drums sloegen maar een paar keer per maat. Zanger James McGovern hield de handen achter de rug en de blik gefixeerd op de grond. In februari had zijn beste vriend zelfmoord gepleegd, en dat moet de zaal geweten hebben: heel even was het hier stiller dan bij Jessica Pratt. Bij de distortion was ‘Providence’ van Sonic Youth niet veraf.

The Murder Capital op Sonic City. Beeld Alex Vanhee

Geleidelijk werd deze Murder Capital kwaaier — en melodieuzer. Een tamboerijn gaf ‘Love, Love, Love’ een dreigende ondertoon, terwijl donderkoppen zich aftekenden boven ‘Green & Blue’. Tot nu toe had bassist Gabriel Paschal Blake, nadat hij bij het opkomen grijzend met een duim over zijn lippen had gestreken, zich koest gehouden. Maar je kon de bom in zijn hoofd horen tikken. De agressie liep op tijdens ‘For Everything’, een song waarin stem, gitaren, drums en tamboerijn afwisselend boven elkaar uit klauwen tot ze gemeenschappelijke grond vinden in een melodie die dagen dreigt na te dreunen.

Alles beschouwd was dit een slimme set, met beladen onrust voorin en uitschieters achterin. Absoluut hoogtepunt, na ‘For Everything’? ’Don’t Cling To Life’, met lyrics die scherp waren als het werk van Protomartyr: ‘Don’t cling to life / There’s nothing on the other side’. En over de beeldige moshpit, de finaal uit zijn kraam geschoten bassist, en de grijnzende gitaar tijdens ‘More Is Less’ volstaat dit: !!.

Fluwelen falset en felle bomberjack

More is less was evengoed het adagium voor Jessica Pratt (★★★★) en haar toetsenist-gitarist, die zittend voor een volgepakte Club volledig aan het oog onttrokken waren. De singer-songwriter uit Los Angeles blonk uit in gloedvolle chamber folk, die over de hoofden kringelde en de gedachten beroerde van wie dat toeliet. Je hoefde ze niet vooraf te kennen om te weten dat Pratts liedjes diep door liefde en verdriet zijn beproefd. Enkele flarden van haar teksten waren genoeg om te horen over de eenzame dagen die ze heeft zien voorbijglijden, en over het lijden dat ze in liefde heeft gekend. “Only just been old enough to fall so hard again”: ze zong het allemaal met die fluwelen falset van haar, waarin klinkers allerzachtst buitelden. Pratts stem deed andere geluiden tinnitushard klinken – ineens kon je enkel het gitaargetokkel verdragen waarmee ze zich liet begeleiden. Op hun mooist waren deze songs als de waterlelies van Monet: zachte focuspunten in een groenblauwe droom.

Jessica Pratt op Sonic City. Beeld Alex Vanhee

Kon je bij Jessica Pratt een aantal zintuigen op inactief zetten, dan was Deerhunter (★★★★) een totaalervaring. Frontaal, centraal en eigenlijk zelfs verticaal stond de boomlange, ziekelijk magere Bradford Cox, wellicht niet eens voor de gelegenheid uitgedost in een felle bomberjack en een roze zonnebril. Deze decadente estheet schreef zijn eerste biografie op zijn zestiende, en grapt maar half als hij zichzelf in interviews de nieuwe David Bowie noemt. Zijn hond, waarmee hij gisteren kennelijk drie keer had geskypet, spreekt hij aan met Faulkner.

Deerhunter op Sonic City. Beeld Alex Vanhee

Maar bij die Attitude hoorden gisteren ook de Songs. Ze kwamen in gelijke mate uit nieuwe plaat Why Hasn’t Everything Already Disappeared en Halcyon Digest uit 2010, en wat waren ze goed. ‘Death in Midsummer’ en ‘Revival’ glansden weelderig en veelkleurig, als exoten in een plantentuin. ‘No One’s Sleeping’ deed denken aan het beste van Arcade Fire. Het had heerlijk prominente drums en een guitar lick waar andere bands een volledige setfinale rond zouden timmeren, maar die hier mocht opgaan in de rest. Deerhunter kon zich dat permitteren.

Die eerste lichting was representatief voor wat volgde: volle maar soepele indierock, met luchtdicht aaneengelaste overgangen en meerdere hoogtepunten. Cox durfde middenin een nummer van rijvak te veranderen, waardoor je een melodie minutenlang uit het oog kon verliezen. Tot ze ineens weer in de achteruitkijkspiegel verscheen – iets waar een artiest van een muzikaal en fysiek vergelijkbare grootteorde zaterdag wat meer rekening mee had mogen houden. Ahem, Thurston Moore.

Opvallend: een enkele keer verslikte Cox zich in een nummer. Hij wilde ‘Plains’ opdragen aan zijn goede vriendin Cate Le Bon, die hem als curator voor dit festival had uitgenodigd en met wie hij het nummer in kwestie al dikwijls had gespeeld. Toen hij de passages die Le Bon doorgaans invult dooreen haalde, legde hij de band stil. Cox probeerde tijd te winnen met enkele bon mots voor Le Bon, en klonk daarbij als een mamaatje.

‘Plains’ werd alsnog goed. Net als ’Sailing’, ‘Futurism’ en ’Coronado’. Afsluiter ‘He Would Have Laughed’ liep dik zeven minuten uit. Het enige minpunt dat je erbij kon aanstippen, was dat het veel te kort was. Denk straks aan excentrieke Cox wanneer je stemt voor De Tijdloze.

Even eigenzinnig als Blanck Mass, dat tegelijk stond geprogrammeerd: de andersoortige hiphop van Velvet Negroni (★★), née Jeremy Nutzman. De vroom opgevoede Amerikaan mocht recent opdraven op Bon Ivers i,i, en vormde eerder ook al een inspiratie voor Kanye West. Gisteren kon je horen waarom. Zijn gewatteerde beats, die soms uitwaaierden richting r&b en elders zweefden tussen trap en eightiessoul, klonken hoogst origineel. Enkel met zijn stem, die deed denken aan die van The Weeknd, viel nog enigszins een link te leggen naar eigentijdse peers. Aan de presentatie was nog werk, maar muzikaal zat deze cocktail goed.

Beleefde anarchie

Curator en headliner Shame (★★★★) maakte er een zootje van. Josh Finerty, de heftigste van drie gitaristen, kwam op met drie pinten en een grijns. Nog geen minuut later scheurde hij schrijlings over het podium – headbangend, springend, schreeuwen in de algemene richting van de micro slingerend. Naast hem vertoonde frontman Charlie Steen hetzelfde onaangepaste gedrag als Tyler, The Creator. Om het allemaal nog erger te maken, stonden in de coulissen enkele ‘very fucking special friends’ van de Britse band, die crowdsurfend het publiek in morsten. Wat een krabbenmand. En we zaten nog maar aan song nummer één.

Nummers twee tot dertien, in een reutel en een fluim? Nieuwe song ’Nigel Hitter’ kwam uit Trainspotting gestrompeld, ‘Concrete’ had Joy Division-gitaren, en tijdens ’One Rizla’ stak Steens tongue diep in zijn cheek: ‘Well I’m not much to look at and I ain’t much to hear / But if you think I love you / You’ve got the wrong idea’. Die poppunkparel was trouwens meer dan sterk genoeg om kortstondige troubles met de versterker mee weg te spoelen. ‘March Day’ was verder compleet krank, terwijl het donkerder ‘Dust on Trial’ bekken en klauwen groeide.

De songs waren goed, maar de band was beter. Tijdens ‘The Lick’ sprong Steen van het podium om de moshpits officieel voor geopend te verklaren. Die waren, for the record, best gendergelijk. En toen Murder Capital-frontman James McGovern hem tijdens ‘Friction’ vol op de mond kwam kussen, keek Steen amper op. Mind you: niet lang geleden kwam hij op de Franse tv, en likte hij het gezicht van iemand in het publiek. Wat niet betekende dat Steen gisteren niet welgemanierd was. Deze jongen bedankte de organisatie en de andere bands uitvoerig, en na de show kwam hij zelfs nog even op het podium om verloren (een iPhone 8) en gevonden (een bril) goederen te declameren. Of hoe anarchisten ook beleefd kunnen zijn.

Shame was de afsluiter waarvan Sonic City zaterdagnacht had liggen dromen. En toch waren het Jessica Pratt en Deerhunter die het langst bleven nazinderen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234