Donderdag 03/12/2020

InterviewBoeken

Sien Volders: ‘Ik wou absoluut geen misery porn schrijven’

Sien Volders: ‘Je kijkt naar een film als ‘Daens’ en je denkt: ach, dat ligt achter ons, dat zal hier nu wel niet meer gebeuren. Mis.’Beeld Illias Teirlinck

Een Roemeense immigrante en haar zoon komen terecht in de tomatenpluk op Sicilië. De antropoloog en auteur in Sien Volders (37, gehuwd met Lieven Scheire), konden zich uitleven. En toch: ‘Wat er écht gebeurt, is nog duizend keer erger en vuiler.’

“Ik bevind me in het vagevuur”, zucht Sien Volders. “Het boek is gedrukt maar de eerste reacties laten nog op zich wachten. Ik vind die periode vreselijk. Daar komt nog bij dat ik een ontzettende controlefreak ben. Een manuscript uit handen geven, dat is niet mijn sterkste kant. Kun je geloven dat ik twaalf versies van Oogst heb geschreven? Misschien ben ik wel geen goede schrijver, maar vooral een begaafde herschrijver?” (lacht)

Ook op persoonlijk vlak zat Volders, gehuwd met onze aaibare tv-wetenschapsbolleboos Lieven Scheire, even in limbo. Na een gemene koortsopstoot en wat opdringerig gekuch moest het covidteststaafje in de neus en het hele gezin met drie kinderen in quarantaine. ‘Negatief’, bleek een aantal dagen later, zodat we het interview toch live konden laten doorgaan.

BIO • geboren in 1983 • studeerde kunstgeschiedenis en antropologie • noemt zich onder meer ‘freelance­bouwvakker’ • is actief in de daklozenwerking in Gent * debuutroman Noord (2017) kreeg veel lof • is getrouwd met tv-presentator en komiek Lieven Scheire • woont in Gent 

Volders oogt kwikzilver en is speciaal naar Antwerpen getreind, zodat ze op het kantoor van haar uitgever Hollands Diep de eerste exemplaren van haar roman aan het hart kan drukken. “Dat blijft een subliem moment”, glundert ze.

Volders vleit zich in de sofa van het heuse ‘interviewsalon’. “Vind je het niet erg als ik het wat huiselijk maak?”, vraagt ze, als ze haar schoenen uitschopt en zich in kleermakerszit nestelt.

Haar nieuwe roman Oogst is allerminst een behaaglijk feelgoodverhaal. Integendeel, het is een saga die draait om het gemis aan vaste grond onder de voeten. De kunsthistorica en antropologe, die met haar eerste roman Noord behoorlijk hoge ogen gooide, richt haar lens nu op Zuid-Italië. Wedden dat u na dit boek helemaal anders kijkt naar die Siciliaanse delicatessetomaat in uw salade of op uw bord?

Volders dompelt ons onder in het rauwe bestaan van de trotse Roemeense Alina, die, gelokt door haar achterneef Dimitriescu, met haar zoontje Lucian in de tomatenpluk op het eiland belandt. Algauw merkt ze dat ze klem zit. “Het is een vuil kantje van de mensheid”, zegt Volders. “Van mensen die in een kwetsbare positie terechtkomen, wordt nog nét iets meer geprofiteerd.”

Volders, wier schrijverschap duidelijk is gerijpt, neemt de tijd om haar verhaal te ontvouwen, waarin ze vooral overtuigt met de delicate scenografie van de prangende gebeurtenissen. Oogst is een zorgvuldig geschreven, atmosferisch boek, waarin ze tegenover dat harde universum ook momenten van jongensvriendschap en moederlijke tederheid plaatst. We gluren binnen in onbekende gemeenschappen, waar het ieder voor zich is. En wéér spelen muziek en natuur een verbindende rol. Tot alles in gruzelementen uiteenvalt. “Natuurlijk moest ik uitkijken dat ik geen pamflet schreef.”

Uw eerste boek ging over een goud­zoekers-stadje in Noord-Canada, nu schrijft u over een Roemeense tomatenplukster in Sicilië. Bepaald geen romans die zich onder de kerktoren afspelen.

“Het is een constante bij mij: ik stuit op een plek die onder mijn vel kruipt, die mij aanspreekt en die uiteindelijk heel dichtbij komt. Je gelooft het misschien niet, maar bij Noord was het nooit mijn ambitie om een roman te schrijven. Ik had louter een aantal korte verhalen in mijn hoofd. Tot ik in Canada arriveerde en dat verhaal steeds groter werd, in vorm en omvang. Net zoals nu.”

Maar hoe kwam u precies bij Sicilië en dit thema terecht?

“Door een doorwrocht krantenartikel in The Guardian. Drie jaar geleden las ik daarin een schrijnend portret van Roemeense vrouwen die in Siciliaanse tomatenserres aan de slag waren en daar niet meer wegraken. En in erbarmelijke omstandigheden wonen. Uiteindelijk maakte dat heel wat los. Een jaar later vielen Italiaanse carabinieri die boerderijen binnen en is er een mensensmokkelbende opgerold. Het was een modelartikel, dat in veel opzichten het belang van onafhankelijke journalistiek aantoonde, en toch werd het verhaal nergens overgenomen. Dat raakte me op een manier die ik toen nog niet bevatte. Het bleef in mijn hoofd zitten.”

Sicilië associëren we nogal makkelijk met de maffia, met vurige temperamenten en drukke steden, met de Etna en met beroezend mooie stranden en natuur. Maar, zegt Volders, het is ook een emigratieland. “Iedereen trok daar weg, tot diep in de jaren zestig. Het enige wat overeind bleef was het toerisme. Tot die geïndustrialiseerde serrecultuur opkwam. En die trok wél immigranten aan.

“Eerst had je de Tunesiërs, die een erg afgebakende mannelijke cultuur hadden. Dat veranderde vanaf de crisis in 2008 en al helemaal toen in 2012 Roemenië lid werd van de Europese Unie. Nadien kwamen er ook Roemeense vrouwen die deze mannenarbeid verrichten en vaak in krotten op die boerderijen inwoonden. En dat werkte disruptief in die gemeenschappen. In 2018 ging het over achtduizend Roemeense vrouwen mét hun kinderen die in de tomatenpluk werken.”

Wanneer rijpte precies het idee om dit ongewone verhaal in romanvorm te gieten?

“Toen ik research ben gaan doen. En verrassend genoeg bestonden over dat fenomeen van de Roemeense immigratie best veel studies en doctoraten, geschreven door Sicilianen. Ter plekke sprak ik met die academici en met de FLAI CGIL, de vakbond van de agro-industrie, die ook de belangen van de arbeiders verdedigde. Ik praatte ook met een priester en straathoekwerkers die met deze vrouwen werkten.”

Niet met de Roemeense vrouwen zelf?

“Nee, want om gesprekken met mensen in diepe miserie te voeren moet je tijd maken, vind ik, en er moet iets wederkerigs in de relatie zijn. Als hulpverlener help je, als journalist beschrijf je, vaak om iets aan te klagen of als nieuws te brengen. Als schrijver zou ik me daarbij te zeer aasgier voelen.”

Oogst is uiteindelijk geen aanklacht, maar eerder een portret van overlevingskunst: van de Roemeense Alina die zich met haar twaalfjarige Lucian staande houdt in een verbrokkelde gemeenschap.

“Ik zoek altijd naar verbinding tussen mensen, naar een manier om een gemeenschap te portretteren. Maar het was heel choquerend om te ontdekken dat daar in feite geen gemeenschapsvorming bestaat. Het is een brute strijd van ieder voor zich, desnoods ten koste van de ander. Als jij erin slaagt iemand anders naar daar te lokken, zodat jijzelf met rust wordt gelaten, dan doe je dat. Toen het boek af was, besefte ik: wat ik hier vertel, is in feite heel braaf. Wat er werkelijk gebeurt, is duizend keer harder, erger en vuiler.”

Waarom schrijft u dat dan niet op?

“Omdat ik de open deur van de misery porn niet wilde intrappen. Anderzijds was er ook een zekere lafheid. Ik vind het moeilijk om zo diep te gaan. Na die researchdagen had ik tegen de middag het gevoel dat ik kotsmisselijk was van alle troosteloosheid. En bovendien gaat het niet enkel om wantoestanden of om vrouwen die uitgebuit worden. Het gaat om een fundamenteel ziek systeem. Wrang om vast te stellen dat het eigen is aan onze productiemaatschappij.”

De Roemeense vrouwen wordt een rad voor de ogen gedraaid. Vanaf hun aankomst moeten ze meedraaien in een mallemolen.

“Hoewel dit boek over een specifieke plek gaat, wist ik al gauw dat dit een universeel verhaal is. Als arbeidsmigrant vertrek je van het idee dat je dit doet voor jezelf, voor je kinderen of voor je familie. Maar in feite was het net hetzelfde met Italianen die destijds naar onze mijnen kwamen. Het sleept allemaal veel langer aan dan je denkt. Het is altijd slechter dan je had verwacht en je verdient minder geld dan je had gehoopt. De korte tijdspanne die jij voor ogen had om je leven te verbeteren, wordt uitgesmeerd over een lange periode die een hoge menselijke tol eist. Zoals bij Alina: je klopt meer uren dan er op papier staat en krijgt minder geld dan er opgetekend staat. En het is vreselijk hard labeur.”

Geleidelijk ontdekte Volders waarom het verhaal van de Roemeense vrouwen er bij haar zo inhakte. “Omdat het een staaltje is van intra-Europese migratie, dat in eerste instantie vrij onschuldig lijkt. Mensen die in een ander land gaan werken met zwakke arbeidscontracten? Dat is toch van alle tijden? Je denkt altijd dat het er in Europa niet zo erg meer aan toegaat. Omdat je trots bent op de Europese verworvenheden. Je kijkt naar een film als Daens en je denkt: ach, dat ligt achter ons, dat zal nu wel niet meer gebeuren. Terwijl alles in feite zeer fragiel is.”

Misschien weten de meeste migranten nog steeds niet wat hun precies te wachten staat? Of is uw hoofdfiguur Alina te naïef?

“Het is een vuil kantje aan de mensheid: van personen die in een kwetsbare positie terechtkomen, wordt nog net iets meer geprofiteerd. Ik wil met dit boek die onderlaag zichtbaarder maken, al besef ik dat die er misschien wel altijd zal blijven. Het is ook iets wat tijdelijk is; de volgende generatie heeft het vaak beter.

“Maar waarom moet er bij die eerste generatie zo’n loopje worden genomen met die waardigheid, alsof mensen op de laagste ladder van de samenleving daar geen recht op hebben? Dat je vuil en hard werk levert voor relatief weinig geld, tot daaraan toe. Maar het kan toch niet normaal zijn dat je daar bovenop met acht man in een piepklein appartement of krot moet kruipen?”

U toont bijvoorbeeld ook hun verborgen trots en de schone schijn naar familieleden toe. ‘Gesprek na gesprek spinnen de vrouwen elk hun eigen werkelijkheid, een kantwerk met grote gaten: wat wordt verzwegen, wat wordt verteld?’, staat er over de telefoongesprekken tussen Alina en haar moeder Bunica.

“Ik focus inderdaad sterk op dat overlevingsmechanisme. Wat maakt dat je veerkrachtig blijft? Omdat je naar de buitenwereld de hardheid afvlakt. Want het thuisfront weet waarom je daar bent én dat er uiteindelijk geen andere optie is. Voorts is er ook die verhouding tussen moeder Alina en zoon Lucian. Een constante evenwichtsoefening. Je kunt je kind er niet dag in, dag uit op wijzen dat de situatie onhoudbaar is. Je wilt het leven van je kinderen opvijzelen. Maar je belandt in een fuik: je hoopt dat je kinderen dit zelf nooit moeten of hoeven te doen. Je beseft dat je niets opbouwt naar de volgende generatie.”

‘Hoe meer ik combineer, hoe beter ik functioneer. wanneer ik enkel met het boek bezig was, loerde de lamlendigheid om de hoek.’Beeld Illias Teirlinck

Merkwaardig genoeg – of juist niet? - is het thema van Oogst bij Volders sinds kort ook haar professionele leven binnengeslopen. Ze werkt drie dagen per week als brugfiguur voor daklozen in de Gentse inloopcentra.

“Ik ontmoet veel Bulgaren en Roemenen die nog net iets dieper vielen dan mijn Alina. Ik besef nu ook dat het feit dat je er haveloos bijloopt, niets zegt over wie je echt bent. Je moet daar doorheen kijken. Het tragische is dat het om mensen gaat die hier al tien tot vijftien jaar verblijven of werken, hun band met het thuisland kwijtraken en geen rechten opbouwen, maar wél belasting betalen.”

Volders reisde voor deze roman ook naar Roemenië, waar het contrast tussen stad en platteland immens is, zegt ze. “Veel steden – bijvoorbeeld Sibiu – zien er prachtig uit, maar op het platteland is er bittere armoede. Daar wordt nog geboerd met paard en kar. Het is een waanzinnig mooi land – de natuur is er nog vrij ongerept, maar je voelt ook dat dit een gewond land is, waar de geest van Ceausescu nog volop rondwaart.”

Haar hoofdpersonage Alina laat ze opgroeien in een middenstandsgezin dat in de economische klappen deelt, met haar zoon Lucian van een onbekende vader. Dat maakt haar kwetsbaar. De verhouding tussen de moeder en haar zoon – van nabijheid, van zorgen voor elkaar maar ook van bruuske verwijdering – wordt gevoelig getoonzet.

“Mijn eerste versie neigde eerder naar een jongensboek”, lacht Volders. “Om de hardheid van dit verhaal te milderen, denk ik. Zo zie je: wéér die angst om het te cru te maken. De klemtoon lag op de vriendschap tussen die drie wel heel uiteenlopende jongens Lucian, Paolo en Anwar. Ik wilde iets teders plaatsen tegenover de rauwheid van de migratie.

“Voor die scènes in de wouden putte ik trouwens uit mijn eigen jeugd, toen ik met mijn broers ging ravotten in bossen en onder de hoogspanningskabels. Maar het was mijn redacteur bij Hollands Diep die erop wees dat ik toch eerder een moeder-zoonboek aan het schrijven was. Misschien omdat ouderschap me zélf sterk bezighoudt. Een belangrijk aspect is ook dat verglijden van die ouderrol tussen moeder en zoon. Ik laat Lucian ook voor haar in de bres springen. Hij voelt zich verantwoordelijk, maar tegelijk is hij nog een kind die ook zorg en opvoeding nodig heeft. Toch hengelt hij naar autonomie. Dit boek eindigt met een open wond, ja.”

In een van de sleutelscènes raakt u de delicate kwestie aan van Roemeense vrouwen die in de prostitutie belanden.

“Jazeker. En ik probeer het diffuse ervan te tonen, het feit dat er niet énkel slachtofferschap is, want dan doe je die vrouwen tekort. In sekswerk kan een zekere mate van zelfbeschikking zitten. En vergeet niet: het zijn jonge vrouwen. Seks is een wezenlijk onderdeel van hun leven. Ik schilder ook begerige mannen niet zomaar als boemannen af. Niemand is gebaat bij zwart-wit, ik zoek de nuance.”

Volders wikkelt haar sjaal wat strakker rond haar nek, want vanuit het open raam warrelt een opdringerig, kil briesje binnen – ventilatie, u weet wel.

“Lap, dat wordt hier nogal een donker socialistisch interview”, rolt ze met haar ogen. Ze wijst naar de rode cover van Oogst op de salontafel. “Enfin, de kleuren zitten al goed.” (lacht)

En toch. Zonder het er keihard in te wrijven rakelt de roman ook vragen op over de bedenkelijke staat van ons kapitalistisch productiesysteem. “Corona heeft dat allemaal nog veel acuter gemaakt”, benadrukt Volders. “Je merkt nu ook hoezeer misprezen maar essentiële beroepen de wereld laten draaien en echt van tel zijn. Het feit dat we meer voedsel kunnen produceren dan we nodig hebben is de basis van onze maatschappij.

“Tegelijk zorgt de structurele uitbuiting van landbouwers en landarbeiders ervoor dat het een reus op lemen voeten is. En de concurrentie is onverbiddelijk: als een kilo tomaten in China goedkoper is, dan gaan we die dáár wel halen. Dit verhaal gaat ook over boeren die uitgeperst worden, het zijn niet alleen de landarbeiders. Je hebt de multinationals en de supermarkten die hen voortdurend op de knieën dwingen.”

Hoe zou u dat systeem dan bijsturen?

“Ik ben eerder voor transitie dan voor revolutie. Het is gewoon zeer belangrijk dat je productiesysteem waardig werkt. Ik heb op zich geen probleem met de agro-industrie: dat is niet het einde van de wereld. Bovendien is het idee dat iedereen in biologische en verantwoorde zelfplukboerderijen aan de slag gaat, een mooie piste maar niet werkelijk haalbaar. Maar ik begrijp niet waarom het zoveel moeite kost om je producenten, zowel boeren als werknemers, correct te behandelen. Dat helpt toch iedereen vooruit?”

'Die typische HBO-reflex om een spannende scène vooraan te zetten en bijvoorbeeld een boek mee te openen, nee, dat hoeft zo niet. Waarom moet je de lezer per se teasen? 'Beeld Illias Teirlinck

Er is toch stilaan meer aandacht voor duurzame productie, bijvoorbeeld ook in de kledingindustrie?

“Inderdaad, maar waarom moeten we steeds weer dat sociale gevecht voeren? Alsof we na elke revolutie weer in dezelfde val trappen. Tegenwoordig zijn er bijvoorbeeld veel stakingen in Maleisië. Voor sociale rechten die wij allang als gemeengoed beschouwen. In dat opzicht vond ik het hoopgevend dat de socialistische boerenvakbond op Sicilië van de situatie van de uitgebuite arbeiders én van de boeren één strijd heeft gemaakt.”

Laten we ook even naar de literaire vorm van uw roman kijken. Plotgedreven kunnen we Oogst niet echt noemen, u wil eerder tot een atmosfeer komen, tot het tonen van menselijke dynamieken.

“Plotgestuurd is inderdaad niet mijn eerste ambitie. Ik werk natuurlijk wel toe naar pieken in de verhaallijn. Hoe chaotisch ik ook in het echte leven mag zijn, voor een roman werk ik graag met schema’s. Maar die typische HBO-reflex om een spannende scène vooraan te zetten en bijvoorbeeld een boek mee te openen, nee, dat hoeft zo niet. Waarom moet je de lezer per se teasen? Ik bouw liever rustig een verhaaluniversum op.”

U lijkt vooral een taferelenschrijver, waarin u bijvoorbeeld de zinderende hitte of die ontluikende jongensgevoelens weet op te roepen. Toch is uw stijl eerder sober te noemen. Of mag ik zeggen: franjeloos?

“Ja, dat klopt. Ik ben heel voorzichtig met metaforen. (denkt lang na) Als ze niet perfect zijn, blijf je er beter verre van. Ik schrijf wél zintuiglijk, vanuit het hoofd van de personages.”

Welke schrijvers zorgden voor inspiratie? Ging u ook graven in de Siciliaanse letteren?

“Ken je Landleven van Giovanni Verga (novellenbundel uit 1880, red.)? Dat is prachtig. Verga is een vertegenwoordiger van het ‘verismo’: schrijvers met een sterke verankering in het land en het landschap, met ook vrij brute of robuuste personages. Ik grijp altijd naar hem terug, net als naar Beppe Fenoglio.

“Ik lees wel meer auteurs graag die dicht bij de aarde en de natuur staan: Gerard Walschap, de Noor Knut Hamsun, de IJslander Halldór Laxness… Ik lees voornamelijk oude dode mannen, ja. (hilariteit) Het kaf is dan al van het koren gescheiden en elk boek dat ik in handen neem is goud. Bovendien zijn Hamsun en Verga eigenlijk verrassend modern, door hun meanderende verhaalstijlen en schrijftechnieken.”

Dit boek is ook doordrenkt van muziek, met zelfs een toegevoegde playlist. Zoals bij Noord de bluegrass alomtegenwoordig was, hebt u hier een paar plaatselijke chansonnières opgeduikeld?

“Voor mij is muziek de beste manier om een land of locatie tot leven te wekken en te leren kennen. Dat gaat niet zozeer over folklore. Maar wel over welke muziek de ziel van een gemeenschap doet trillen. En voor Sicilië was dat onmiskenbaar Rosa Balistreri en voor Roemenië Maria Tănase, de geliefde van beeldhouwer Brancusi. Het zijn allebei zowel populaire, volkse als geschoolde zangeressen.”

Was er extra druk bij de moeilijke klip van het tweede boek?

“Omdat dit boek thematisch zo verschilt van het eerste had ik niet het gevoel dat ik me opnieuw moest bewijzen. En met Noord ging alles heel aangenaam: nominaties voor debuutprijzen, waaronder de Bronzen Uil, een vertaling naar het Duits, aandacht in Nederland… Kortom, er is nu een warm badje van verwachtingen zonder dat ik erin dreig te verzwelgen.” (lacht)

U debuteerde in 2017 gelijktijdig met een aantal andere vrouwelijke Vlaamse auteurs. Hebt u het idee dat er intussen meer aandacht is voor vrouwelijke schrijvers?

“Het was fijn dat ik met Patricia Jozef, Lenny Peeters en Rinske Hillen samen de hort op kon. We deelden veel besognes tijdens dat debuutjaar en al wat erna kwam. We waren bijvoorbeeld bloedeerlijk over hoe we tegenover onze uitgevers stonden. Misschien was het een kwestie van toeval omdat we op hetzelfde moment debuteerden, maar we bleken gigantisch goed te matchen.

'Omdat dit boek thematisch zo verschilt van het eerste had ik niet het gevoel dat ik me opnieuw moest bewijzen.'Beeld Illias Teirlinck

“Ik heb het gevoel dat wij minder te klagen hebben, ja. Het zijn nu veelal vrouwelijke auteurs die de stimuleringsbeurzen binnenhalen en ook de nominaties voor debuutprijzen zijn de laatste jaren immens vervrouwelijkt. Natuurlijk is er nog die kloof tussen mannen en vrouwen als je naar het literaire verleden én de kunstgeschiedenis kijkt. En ik ben ook niet blind voor ongelijkheid. Maar ik zie wél een langzame kentering.”

Uw tweede roman is er relatief snel, een kleine drie jaar na de eerste. Hoe vond u die balans tussen privé, schrijven en werk?

“Hoe meer ik combineer, hoe beter ik functioneer. Vreemd genoeg: in periodes dat ik enkel met dit boek bezig was, loerde de lamlendigheid om de hoek. Het ging me beter af als ik er in afgebakende periodes aan werkte, tussen andere projecten door. Noord viel samen met het bouwen van ons huis, dat was natuurlijk wel heftig. Deze keer heb ik een schrijfkantoor gehuurd, in de oude bib van Gent. Ik zat er naast meubelstoffeerders en textielontwerpers, die maken best veel lawaai, maar met de koptelefoon werkte dat prima.

“Ik leef voor een groot deel in mijn hoofd, zelfs als ik met de kinderen bezig ben. Het verzinnen is het grootste werk maar je kunt het overal doen, onderweg, op de trein… Daarna moet je uren maken aan je schrijftafel. Hoe zei Dorothy Parker dat nu weer? ‘Writing is the art of applying the ass to the seat.’ Dat is zo juist!”

Sien Volders, Oogst, Hollands Diep, 220 p., 22,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234