Donderdag 17/10/2019

interview

Sien Eggers: “Als je kanker hebt, kán je niet vechten”

Beeld Jef Boes

Ze wordt de Dora van der Groen van deze eeuw genoemd en heeft sinds In de gloria en Eigen kweek een plaats in ons collectief geheugen. Toch huppelt Sien Eggers (67) niet blozend van contentement door het leven. “Als mensen mij vragen hoe mijn weekend was, antwoord ik vaak: dat wil je niet weten.”

Wel tien redenen had Sien Eggers om dit interview aan zich voorbij te laten gaan. Dat ze de neiging heeft om zichzelf in het bijzijn van journalisten in de vernieling te praten, bijvoorbeeld. “Ik vertel er maar op los en achteraf maak ik mij dagenlang zorgen over wat ik allemaal gezegd heb.” Dat gedrukte woorden zo onbeweeglijk zijn. “Op papier lijken mijn uitspraken altijd veel gewichtiger dan in een gesprek.” Dat journalisten soms met haar aan de haal gaan. “Ze doen mij volks klinken, maar zo ben ik helemaal niet.” Dat interviews geven alles goed en wel beschouwd niet nodig is. “Het is mijn job niet om over van alles en nog wat een mening te hebben.” Dat ze haar privéleven graag privé houdt. “Waarom zou je mij vragen komen stellen als ik voortdurend antwoord: daar wil ik niet over praten?”

En toch zegt ze na een nachtje bedenktijd: “Ik waag het erop.” Omdat het theaterstuk waaraan ze momenteel haar ziel en zaligheid schenkt – Den beer heeft mij gezien, een productie van Arsenaal/Lazarus – wel een paar grammetjes media-aandacht verdient. Omdat ze mijn inmiddels vergeelde Zeno-interview met Sam Dillemans mooi vond. En omdat ze er ondanks alles ook wel naar uitkijkt “om het allemaal eens te kunnen vertellen”.

Alleen tegen de fotoshoot blijft ze opzien. “De laatste keer dat ik gefotografeerd werd, heette de fotograaf van dienst Stephan Vanfleteren. Een topkerel, maar hij stond erop dat ik een grauwe, grijze muts over mijn hoofd trok. Volgens hem was dat fotogeniek. Volgens mij wat minder: ik vond dat ik op een oorlogsvluchteling leek. Moraal van het verhaal: actrices willen gewoon gefotoshopt worden.” (lacht)

Wie is Sien Eggers?

• geboren in Lier, op 24 april 1951

• is als actrice nog tot 5 februari te zien in het laatste seizoen van Eigen kweek op Eén

• schitterde in de tv-series Van vlees en bloed, Safety FirstDe Ronde, Red Sonja en In de gloria

• speelt vanaf 22 februari Den beer heeft mij gezien, gebaseerd op Drie zusters van Tsjechov

• kreeg in 1992 de Vlaamse Cultuurpijs voor het Theater en in 2014 de Vlaamse Televisie Ster voor Beste Actrice

• woont in Brussel

Broze acteurszieltjes

Een kleine week na de telefonische prelude op onze ontmoeting sta ik in de living van haar Brusselse pied-à-terre, een warm nest dat al dertig jaar zowel haar uitvalsbasis als haar schuilplaats is. Van hieruit is het zeven kilometer wandelen naar Den Daringman, het café waar ze vroeger hele nachten wegkeuvelde met Jan Decorte. “Ik ben een tijdlang bang geweest van Jan. Tot ik eens naar een voorstelling van hem ging kijken. Hij zag mij in de zaal zitten en zei – nota bene terwijl hij nog aan het spelen was – ‘Dag Sien!’ Sindsdien vind ik hem een schat van een vent.”

Op haar boekenkast prijkt de Vlaamse Televisie Ster voor Beste Actrice die ze in 2014 won. Ik vraag of ­niemand haar ooit verteld heeft dat je zo’n prijs ­onverschillig op je zolder hoort te dumpen. “Ik moffel die ster niet weg, ik ben er blij mee”, zegt ze. “Ik wou dat iederéén nu en dan een prijs kreeg. Aangemoedigd ­worden, geeft een mens vleugels. Toen ik nog dictie­lerares was, gaf ik mijn leerlingen altijd te veel punten. Ik dacht: als ik ze een acht geef in plaats van een zes, ­krijgen ze meer zelfvertrouwen en verdienen ze die acht volgend jaar écht. En zo ging het ook.”

Behalve een Televisie Ster won ze ook de Vlaamse Cultuurprijs voor het Theater en de liefde van het grote publiek. Is publieke erkenning een afdoende remedie tegen zelftwijfel? Ze schudt het hoofd. “Een acteur die stopt met twijfelen, stopt met acteren. Dé vraag die je als acteur altijd zal blijven kwellen, is: gaan de mensen je wel begríjpen? Gaan ze wel zíén dat je reddeloos bent? Sommige mensen denken dat ik mijn rollen thuis voor de spiegel oefen. Maar dat heeft geen enkele zin: als ik in de spiegel controleer of ik er wel voldoende wanhopig uitzie, valt mijn gezicht altijd weer in een vriendelijke plooi. Alsof het wil vermijden dat ik schrik van mezelf.” (lacht)

Ze looft de manier waarop Jan Eelen met broze acteurszieltjes omgaat. “Tijdens een opname voor
Het eiland ben ik eens volledig stilgevallen. Ik kon geen woord meer uitbrengen, ik dacht alleen maar: ik ben ­niemand, ik kan niks, ik ga wenen, ik wil hier weg. Jan is toen stilletjes naast mij komen staan. Hij heeft mijn tekst bekeken en me zin voor zin ingefluisterd wat ik moest doen. Comme un ange qui passe. Niemand had in de gaten wat er gebeurde. Het is een van de liefste dingen die een regisseur ooit voor mij heeft gedaan.”

Sien Eggers: “Ik zou graag nog eens op een trottinette het podium opkomen.” Beeld Jef Boes

Op haar 67ste ontsnapt ze niet aan routine: ze schat dat ze elke rol ondertussen al drie keer gespeeld heeft. En toch heeft ze nog plannen. “Ik zou graag nog eens op een trottinette het podium opkomen. Of op rolschaatsen. Voor ik van de wereld val, wil ik nog zoveel mogelijk zotte dingen doen. Ik denk dat dat geen kwaad kan. Een totale mislukking kan mijn carrière toch al niet meer worden.”

Lieve Gilberte

Sien Eggers groeide op in Herent, als jongste dochter van een diamantslijper en een huisvrouw. Ze heeft drie ­zussen en een broer. “Twéé broers, eigenlijk”, zegt ze. “Maar een van hen is gestorven nog voor ik geboren was. Mijn vader zei tegen mijn moeder: ‘Gij krijgt van mij een nieuw zoneke’. Helaas voor hem werden het drie ­dochters op een rij, van wie ik de laatste was. Na mijn geboorte zei mijn vader tegen mijn moeder: ‘En nu krijgt ge niks meer’. Maar dat laatste moet je maar niet schrijven. Het klinkt zo hard. Terwijl mijn vader net lief was: hij heeft echt zijn best gedaan om mijn moeder nog een zoontje te schenken.”

Wanneer ik vraag of ze met plezier dan wel met tegenzin aan haar jeugd terugdenkt, antwoordt ze dat haar kinderjaren enkel toegankelijk zijn voor bevoegden. “Tijdens interviews over familie praten, ligt altijd gevoelig. Ik heb een journalist ooit verteld dat ik een nieuwe poes had die ik Gilberte genoemd had, naar mijn oudste zus. Na het verschijnen van dat interview belde Gilberte – mijn zus dan – me half in paniek op: ‘Zeg Sien, die Gilberte, is dat een lieve poes?’ ‘De liefste ter wereld’, antwoordde ik. Toen was het goed.” (lacht)

Haar ouders hadden liever niet dat ze ging acteren. In het Herent van de vroege jaren zeventig werd een aspirant-actrice nog zonder pardon gecatalogeerd als een verwaand nest. Maar Sien – toen nog Francine – Eggers kon niet loochenen dat haar hart tijdens schoolvoordrachten en bonte Chiro-avonden altijd twee keer zo snel klopte. En dus trok ze na haar middelbareschooltijd met een zorgvuldig bij elkaar gespaard kapitaaltje naar het Conservatorium in Antwerpen. Elke drie maanden ­werden de minst goeie studenten naar huis gestuurd. De volgende keer is het aan mij, dacht ze telkens. Maar er werd hardnekkig in haar geloofd. Tot ze dat zelf ook maar is beginnen doen.

Na twee jaar aan het Conservatorium wilde ze haar opleiding verderzetten aan het wildere Studio Herman Teirlinck. Daar zeiden ze: “Je moet je eerste jaar opnieuw doen. En de kans bestaat dat we je voor Kerstmis al ­dumpen.” Omdat ze geen zin had om terug naar start te gaan en een tweede keer voor haar studies te betalen, bleef ze in het Conservatorium. Maar nog altijd denkt ze dat ze in de Studio een nóg betere actrice had kunnen worden. “In het Conservatorium leerde ik: bewegen is de kunst van het stilstaan. In de Studio was theater veel ­lijfelijker en beweeglijker. Ik ben er zeker van dat ik me daar veel sneller had kunnen bevrijden van mijn onwennigheid ten opzichte van mijn eigen lichaam.”

Madammeke Modaal

Drieënveertig jaar later kan ze terugblikken op een palmares waar veel actrices een arm, een been en desgewenst ook nog een niet onmisbaar orgaan voor over zouden hebben. Ze schitterde in producties van de KVS, hetpaleis, Compagnie De Koe en Het Toneelhuis. Ze speelde Irina in Tsjechovs Drie zusters en Claudia Capuletti in Shakespeares Romeo en Julia. Maar écht bekend werd ze met haar tv-rollen: Ria Goudezeune in Eigen kweek, ­moeder Porrez in Safety First, de slagersvrouw in Van vlees en bloed, mevrouw ‘In mijn poep’ in In de gloria.

Het valt op, zeg ik, dat ze meer madammekes Modaal heeft vertolkt dan Joe Pesci Italiaanse maffiatypes. Zou het kunnen dat ze wat te gretig is geweest met het spelen van volkse vrouwen die een irrationele angst hebben voor alles wat niet op voorhand in het parochieblad wordt aangekondigd? Ze verdedigt zich. “Die madammekes Modaal verschillen allemaal van elkaar. Ze hebben in hun leven totaal andere dingen meegemaakt. En dat verwerk ik ook in de manier waarop ik hen speel.”

Maar ze geeft toe dat ik een teer punt raak. “Ik zou inderdaad nog eens iemand willen spelen die het tegenovergestelde is van een gewone vrouw. De hoofdredactrice van een modeblad, bijvoorbeeld. Of een wufte kasteeleigenares. Het probleem is alleen dat de budgetten in Vlaanderen zo klein zijn. Er is nauwelijks geld voor accessoires. En als je geen dure designerkleren krijgt, is het moeilijk om een chique madam te spelen.

“Omdat er voor Vlaamse producties zo weinig geld is, is het aantal draaidagen vaak beperkt. En wil niemand het risico nemen om acteurs een rol te geven die ze misschien niet aankunnen. Dat verklaart waarom wij soms gelijkaardige personages spelen: we worden gevraagd om bewezen talenten te demonstreren, niet om onontgonnen terrein in onszelf te ontdekken. En als acteur is het moeilijk om kieskeurig te zijn. Je moet je brood verdienen. Bewijzen dat je je artiestenstatuut waard bent.”

Ze leunt achterover, denkt na, en nuanceert. “En toch wordt er hier fantastisch theater en geweldige fictie gemaakt. Een gebrek aan middelen heeft namelijk ook een voordeel: het stimuleert je verbeelding. Als je in een kartonnen doos zit en je wil de mensen wijsmaken dat ze naar een kasteel zitten te kijken, móét je wel creatief uit de hoek komen.”

Een lach en een traan

Toen ik vrienden, familieleden en toevallige voorbijgangers vertelde dat ik Sien Eggers ging interviewen, luidde de reactie vaak: ‘Dát wordt lachen, jongen. Volgens mij is die Sien Eggers precies zoals de personages die ze speelt.’ Dat mensen denken dat je niet eens acteert: is dat voor een actrice de ultieme belediging? Of het ultieme compliment?

“Het is vooral de ultieme zever”, lacht Sien Eggers. “Mensen weten toch niet wie ik ben? Waar halen ze het dan vandaan om te zeggen: ‘Sien Eggers speelt zichzelf?’ Wat wél klopt, is dat ik als actrice praat zoals ik denk. In dat theatrale (spreekt plots overdreven mooi) héél erg beschaafde Nederlands dat we vroeger hoorden te ­praten, kon ik mijn gevoelens niet kwijt. En dus heb ik mezelf toegestaan om mijn eigen stem te gebruiken. Maar zelfs los daarvan: het is onvermijdelijk dat je jezelf in je rollen legt. Ik kan mijn instrument – mezelf dus – niet aan de kant zetten zoals een viool.”

Is acteren dan niet: je telkens opnieuw in de huid van iemand anders katapulteren? “Nee. Wat je doet, is steeds andere facetten van jezelf gebruiken. Wanneer je een wrokkige kunstenares speelt, gebruik je andere stukjes van je karakter dan wanneer je een gezellig omaatje ­vertolkt. Maar uiteindelijk leg je in al je rollen, hoezeer ze ook van elkaar verschillen, iets van je eigen persoonlijkheid.

Sien Eggers: “Humor werkt beter als het niet de bedoeling is dat er gelachen wordt.” Beeld Jef Boes

“Vergeet niet: de meeste moordenaars zijn heel vriendelijke mensen, bij wie je je perfect op je gemak voelt voor ze een mes in je hals ploffen. Moet je dan ‘iemand anders worden’ als je een moordenaar speelt? Nee, je moet de moordenaar in jezelf vinden. Alles wat je als acteur nodig hebt, zit in jezelf. Je moet het alleen naar boven halen.”

In Humo zei ze streng: “Voorstellingen zonder enige vorm van humor wil ik niet maken”. Ik vraag waarom theater per se mensen aan het lachen moet brengen. “De meeste theaterstukken gaan over ernstige, ellendige gebeurtenissen. Die zwaarte moet je counteren met humor, anders is je stuk niet te verteren. Maar voor alle duidelijkheid: het is niet omdat ik vind dat mensen in het theater moeten kunnen lachen, dat ik ook vind dat een theaterstuk om te lachen moet zijn. Als je te uitdrukkelijk plezant wil zijn, ben je zoals de zelfverklaarde grapjas aan de toog: allesbehálve grappig. Humor werkt beter als het niet de bedoeling is dat er gelachen wordt.

“Onlangs was ik op een begrafenis. Op een gegeven moment wilde een vrouw een plaat draaien. Alleen: de platenspeler stond nogal hoog, ze kon niet zien waar de naald zou neerkomen. Je zag haar denken: hoe moet ik dat hier nu oplossen? Ze aarzelde even en besloot vervolgens te gokken: ze legde de naald neer op de plaats waar volgens haar het juiste nummer zou beginnen. Jammer genoeg gokte ze verkeerd: plots weergalmde door de kerk een feestelijk nummer in plaats van een ingetogen liedje. Ik kwam niet meer bij. (lacht) Een goed theaterstuk bevindt zich precies op die fragiele scheidslijn tussen ernst en humor. Toots Thielemans zei ooit: ‘Ik voel me het best in de kleine ruimte tussen een lach en een traan.’ Dat geldt ook voor mij.”

Rampzalig leven

We lopen naar de keuken om verse koffie te maken en nog wat speculooskoeken te zoeken. Op haar eettafel ­liggen tientallen onbeschreven kerstkaartjes. “Voor januari voorbij is, moeten ze geschreven en verstuurd zijn”, commandeert ze zichzelf. Ze noemt vriendschap een onderschatte vorm van liefde die regelmatig gefêteerd moet worden met baldadige biefstuk-frietavonden. Maar ze hoeft niet zeven dagen op zeven door buddy’s omringd te worden. “Ik kan ook heel goed alleen zijn. Behalve op vakantie. En dus blijf ik thuis.”

Wanneer ik vraag of haar vrijgezellenstatus vrijwillig of onbedoeld is, kijkt ze me bezorgd aan. “Moet ik nu ­uitleggen waarom ik geen man en kinderen heb? Ann Petersen heeft dat toch ook nooit gedaan? Ik vind het vreemd dat mij gevraagd wordt waarom ik nog altijd ­vrijgezel ben, maar dat getrouwde vrouwen nooit gevraagd wordt waarom ze nog altijd getrouwd zijn.”

(Na een korte stilte) “Laat ik het hierop houden: als ik iemand graag zie, dan gebeurt er iets met mij. Dan word ik zó blij dat ik mezelf moet toespreken: ‘Stillekes, Sien. Niet te hard van stapel lopen. Stap voor stap verliefd ­worden.’ Alleen lukt het me niet altijd om die woorden ook in de praktijk te brengen.”

Ze zegt dat ze vaak een overtreffende trap van emoties voelt. “Ik kan heel blij zijn, maar ook heel kwaad. Heel enthousiast, maar ook heel droevig. Vroeger ging ik op kerstavond weleens soep uitdelen aan daklozen. Maar daar ben ik mee gestopt: ik trok mij het lot van de daklozen zo hard aan dat ik die avond nauwelijks overleefde.”

“Ik heb het ook een hele tijd moeilijk gehad om na een productie afscheid te nemen van de mensen met wie ik had samengewerkt. Ik viel dan echt in een zwart gat. Maar sinds ik ben beginnen freelancen, ben ik daar toch wat rationeler in geworden. Ik moet wel. Ik kan toch niet om de drie weken in de put zitten?”

Ze vermoedt dat ze over het hoofd gezien is toen de gebruiksaanwijzingen van het leven werden uitgedeeld. En dat ze misschien wel daarom actrice is geworden.

“Het leven spélen, gaat mij beter af dan het leiden. Mijn echte leven heb ik niet onder controle. Wat er op het podium gebeurt wel. Over een theaterstuk kan ik ­zeggen: het is niet echt. Maar in mijn eigen leven hebben mijn daden reële gevolgen.

“Het moeilijkste vind ik: begrepen worden. Ik denk vaak in andere vakjes dan de mensen om me heen. Daarom ben ik altijd bang dat mijn naasten mij niet gaan begrijpen. En heb ik de neiging om mezelf heel fel en nadrukkelijk te verklaren. ‘Maar enfin, verstaat dat nu toch!’, roep ik soms. Mensen ­denken dan dat ik kwaad op hen ben. Of dat ik hen wil domineren. Maar dat is niet zo. Ik probeer mezelf alleen maar toe te lichten. Weliswaar met een zekere wanhoop in mijn ogen.” (
glimlacht)

Sien Eggers: “Ik moet me vooral goed blijven verzorgen. Want willen of niet: ik ben sneller moe dan vroeger.” Beeld Jef Boes

“Maar zijn niet alle levens tot op zekere hoogte rampzalig? We knoeien er toch allemaal maar op los, nee? En al bij al valt het bij mij nog mee, vind ik. Ik overleef dit leven nu al 67 jaar. Ik heb nog nooit gedacht: ik kan niet meer, laat ik er maar een eind aan maken. Maar ik vind het wel ­moeilijk, volwassen worden. Mijn leven is vaak zo... intens. Ik prijs mij gelukkig dat ik dit huis heb. In de buitenwereld ben ik vaak onrustig. Hier kan ik bedaren.”

Ze duikt even in haar ­gedachten en zegt dan: “Er zit niks anders op dan er het beste van te maken. Deze week bezocht ik een vriendin die op sterven ligt. Na een tijdje zag ik dat ze moe was en besloot ik haar te laten rusten. Aan de manier waarop ze haar ogen dichtdeed, zag ik: ze is aan het wegzakken in het heelal. ’s Namiddags, op de repetitie, heb ik gezegd: ‘Mannekes, we moeten het leven vieren’.”

Kankermythe

In oktober vertelde ze in Van Gils & gasten wat ze nog niet eerder in de media had geventileerd: dat ze de voorbije twee jaar tegen borstkanker heeft gevochten. Althans: dat waren de woorden die na haar verhaal in de pers gebruikt werden. Zelf vindt ze dat het woord ‘vechten’ niet thuishoort in het kankervocabularium. “Als je ­kanker hebt, kán je niet vechten. Je doet gewoon wat van jou gevraagd wordt. Je laat in je vel prikken, gaat aan de baxter hangen, keert terug naar huis en lijdt in stilte. Kanker onderga je.”

Ook toen ze de diagnose kreeg, voelde ze geen onvermoede heroïek in zich opwellen. “Het was alsof mijn lichaam de woorden van de oncoloog terugkaatste nog voor ze mijn geest konden ­bereiken. Dat is ‘in shock zijn’, denk ik: je lichaam probeert je geest te vrijwaren van slecht nieuws. Nu, twee jaar later, besef ik heel goed dat ik nooit meer zal zijn wie ik was vóór ik borstkanker kreeg. Als ik vroeger een verkoudheid had, dacht ik: och, een vallingske. Vandaag denk ik: oeioei, snel de oncoloog bellen.

“Sinds ik kanker heb gehad, heb ik trouwens een nieuwe hobby: de woorden van de dokters onder de microscoop leggen. Deze namiddag ben ik nog bij hen op controle gegaan. Ze zeiden niet: er is niks aan de hand. Ze zeiden: we hebben niks gezien. Het verschil tussen die twee zinnen is me niet ontgaan. Ik zit qua genezing goed op schema, maar het kan nog altijd fout gaan.

“Ik moet me dus vooral goed blijven verzorgen. Want willen of niet: ik ben sneller moe dan vroeger. In de namiddag begint mijn energiepeil al serieus te zakken. Gelukkig mag ik van Jessa en Sofie (Wildemeersch en Palmers, de actrices met wie ze ‘Den beer heeft mij gezien’ maakt, red.) naar huis gaan als ik te moe ben. Een ­duidelijker bewijs van het feit dat ik het gemaakt heb, is er niet.” (lacht)

Op een zucht van middernacht besluiten we dat alles gezegd is wat gezegd kon worden. Ze is blij dat mijn bandopnemer – die haar op subliminale wijze voort­durend “Verklaar u nader, Eggers!” heeft toegeroepen – eindelijk uit haar gezichtsveld verdwijnt. Al dat praten, fluisteren, roepen, lachen, nadenken, door haar living stuiteren, weer gaan zitten, stil worden en opnieuw ­opveren, heeft haar duidelijk vermoeid. Maar Sien Eggers is een menselijke fopkaars: net wanneer je denkt dat ze uitdooft, flikkert ze in alle hevigheid weer op.

“Wil je me een groot plezier doen en mijn huidige theaterpartners in crime een liefdevolle vermelding geven?”, vraagt ze plots. “Jessa en Sofie natuurlijk, maar ook Saskia Louwaard, die het decor maakt? Abel Bos, onze assistent-stagiair? Joëlle Meerbergen, onze ­costumière? Dieter Lambrechts, de technieker? Jan Eelen, onze coach? Ze ­verdienen het allemaal zo hard om bewierookt te worden. Eigenlijk had je hen moeten ­interviewen in plaats van mij, dat meen ik.”

Ik beloof dat ik van het einde van mijn stuk voor één keer een dankwoord zal maken, geef haar een ­welgemeende kus en stap de druilerige nacht in.

Voor ik in mijn auto kruip, kijk ik nog even achterom. Het licht ten huize Eggers gaat uit. Het is tijd om te ­bedaren. 

Volg De Morgen op Instagram

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234