Zaterdag 19/10/2019

Interview

"Sepultura, Rammstein, Metallica. Hoe harder, hoe beter": Adeline Dieudonné, de Franstalige Lize Spit

Adeline Dieudonné: “Ik had een artiestenstatuut, maar dat komt gewoon neer op stempelen en af en toe tijdelijke opdrachten doen.” Beeld Jef Boes

Werkloze single mama van twee schrijft prijzenwinnende bestseller. De doorbraak van de Brusselse Adeline Dieudonné (36) lijkt op een sprookje, haar roman zelf is dat níét. “Als jonge moeder werd ik overspoeld door angsten. Merde, wat heb ik gedaan? Die paniek was de motor achter dit boek.”

‘In het huis waren vier kamers. De mijne, die van mijn kleine broer Gilles, die van mijn ouders, en die van de kadavers.’ Met deze zinnen start de roman La vraie vie, en zo start het schrijversleven van Adeline Dieudonné. Een ‘mislukte actrice’ – het zijn haar eigen woorden – die met haar debuutroman al een paar maanden brokken maakt in Frankrijk en Wallonië.

Op de Nederlandse versie is het nog even wachten; er volgen dit jaar nog vertalingen in minstens zeventien talen, van Pools tot Japans. En daarna: een verfilming en een toneelstuk.

Een onverwachte literaire sensatie dus, die referenties oproept aan het succes van Lize Spits debuut Het smelt. Het is geen toeval dat de twee schrijfsters straks samen zullen aantreden op Passa Porta Festival.

We ontmoeten elkaar in Bar du Matin in Vorst, haar vaste koffiebar waar Dieudonné precies een jaar geleden aan een tafeltje achter haar laptop haar boek zat af te werken. Bill Withers zingt zachtjes ‘Ain’t No Sunshine’ op de achtergrond, maar dat is niet de soundtrack waarmee Dieudonnés boek tot stand kwam. Wanneer ze aan het schrijven is, zit ze hier met een hoofdtelefoon op, en luistert ze naar loeiharde metal. “Sepultura, Rammstein, Metallica. Hoe harder, hoe beter. Die energie heb ik nodig om iets op papier te krijgen.”

De ik-persoon in La vraie vie – we komen haar naam nooit te weten – is bij het begin van het boek een tienjarig meisje. We volgen haar zes zomers lang, tot ze een prille puber van vijftien is. Alles rond haar is lelijk en leeg en dood. Ze woont in een troosteloos woonproject uit de jaren 70, haar speelplaats is een autokerkhof, papa is een bruut die houdt van televisie, whisky en jagen. En mama... is niks, ‘een amoebe’, volgens haar dochter.

In het eerste hoofdstuk is de vertelster samen met haar kleine broertje getuige van een bizar ongeluk, en neemt het tienjarige meisje zich voor om het tij te keren en koste wat kost samen met haar broertje het hier en nu te ontvluchten. Een intens en macaber sprookje van 260 pagina’s dat een antwoord zoekt op de vraag: kun je wel ontsnappen aan je omgeving? Kun je andere mensen redden of enkel jezelf?

De jonge ‘heldin’ van La vraie vie neemt haar lot in eigen handen en legt zichzelf erg hoge ambities op. Bij uzelf heeft het best lang geduurd voor u dat deed.

Adeline Dieudonné: “Ik was afgestudeerd als actrice en had me er al bij neergelegd dat ik gewoon niet genoeg talent had om ‘het’ te maken. Ik had een artiestenstatuut, maar dat komt gewoon neer op stempelen en af en toe tijdelijke opdrachten doen. Ik werkte soms als productieassistente, deed wat binnenhuisinrichting, was serveerster in een restaurant. Ik heb nooit iets tegen mijn zin gedaan, maar als ik eerlijk ben zat er natuurlijk een beetje frustratie in. Veel mensen rondom mij waren creatief wél goed bezig.”

Uw leven voor La vraie vie beschreef u zelf als – achtereenvolgens – PlayStation spelen, joints roken, castings aflopen, pampers verversen. Komt iets van die ervaringen u van pas als schrijfster?

“Ik gebruik alles wat ik beleef, ik zie die jaren niet als verloren tijd. Ik heb veel in de horeca gewerkt, en daar leer je mensen op een heel specifieke manier kennen. Je ziet hoe gasten zich aan tafel gedragen tegen hun familie of vrienden, en dat staat vaak in sterk contrast met de manier waarop ze jou als personeel behandelen. Het is fascinerend om die twee gezichten van een mens te zien. En qua feministisch ontwaken was het niet min. De denigrerende commentaren, opmerkingen over mijn borsten, een klets op mijn achterste, dat was... interessant.” (lacht)

U hebt ook even vibrators verkocht. Hebt u in die periode eveneens iets zinnigs geleerd over de condition humaine?

“Ik heb alleen geleerd dat ik nooit meer vibrators wil verkopen. (lacht)

“Het was de enige job die ik vreselijk vond. Het leek me een leuk idee, bij vrouwen thuis seksspeeltjes verkopen op een feestje onder vriendinnen. Maar er was niets leuks aan, ik had evengoed Tupperware-potten kunnen verkopen. Vaak kwam ik terecht op een vrijgezellenavond of een verjaardag, maar ik voelde bij die vrouwen alleen eenzaamheid en tristesse. En vooral: de huiskamers waar ik terechtkwam waren zo lelijk. Ik heb een obsessie met huizen en interieurs – dat merk je ook wel in het boek – en ik word droevig van al die wansmaak.”

Iedereen merkt op dat u een duister boek geschreven hebt met veel gruwel en geweld, maar ik vond het uiteindelijk bijna een naïef en optimistisch verhaal. De vertelster blijkt wel degelijk in staat tot liefde, intelligentie, hoop. Terwijl ze niets van die dingen rond zich vindt. Als een bloem in de woestijn.

“Ik ben blij dat je dat zo ziet, ik bén ook optimistisch. En wanhopig en ontmoedigd, dat ook, soms. Het gezin in La vraie vie toont in miniatuurvorm wat wij allemaal in deze wereld beleven. Die twee kinderen groeien op in een gezin waar nauwelijks naar hen wordt omgekeken, waar niemand hen een beter perspectief biedt. Voor mij is dat de wereld vandaag. We zijn een planeet aan het vernietigen, we zorgen niet voor elkaar. Mijn enige antwoord is dat je moet blijven geloven in de veerkracht van mensen. Ik hoop dat de jeugd in zichzelf de kracht zal vinden om een andere toekomst te bouwen. Ik moet wel hoopvol zijn, ik heb kinderen. Anders had ik vast nog minder illusies.

‘Toen de roman klaar was, werd ik heel emotioneel, het was moeilijk om mijn personage te lossen.’ Beeld Jef Boes

“Als jonge moeder werd ik plots overspoeld door angsten. Merde, wat heb ik gedaan? Op wat voor wereld heb ik die twee kinderen gezet? Die paniek was de motor achter dit boek.”

In uw roman sust de grote zus haar kleine broer met de woorden: ‘Het zijn maar verhaaltjes, we stoppen daar alles in wat ons bang kan maken, zodat het ons in het echte leven níét zal overkomen.’ Geldt dat ook voor u en uw werk?

“O absoluut, ik heb al mijn demonen losgelaten in dit boek.

“We leven in een heel gewelddadige wereld, ook op sociaal en economisch vlak. Kijk naar de manier waarop wij de vluchtelingencrisis benaderen, of het klimaatprobleem. De vader in La vraie vie zegt letterlijk: ‘Het is eten of gegeten worden.’ Dat is het ultraliberalisme voor mij, iedereen is of jager of prooi. Er is weinig empathie en menselijkheid, ik mis mededogen voor degenen die kwetsbaar zijn. Het kleine broertje in La vraie vie is getraumatiseerd, hij is aan het lijden. Als iemand zoals hij nooit aandacht en zorg krijgt, dan zal hij zelf gevaarlijk worden. Daarom wil zijn grote zus zijn wonden genezen.”

Het hoofdpersonage blijkt een gave te hebben voor wetenschappelijke vakken op school. Het is haar intelligentie die haar uit dat miserabele gezin zal redden. Zit daar een moderne girlpower-boodschap in?

“Ik had daar niet eens zo bij stilgestaan toen ik het schreef, maar het is geen toeval dat ze alle hoop vestigt op de wetenschap om haar leven beter te maken. Ik geloof sterk dat onze enige verlossing zal komen via onderwijs en kennis. Dat is waar we in moeten investeren.

“Maar pas op, het is niet alleen haar intellect dat haar zal redden. Ze ontdekt haar seksualiteit, het plezier en de kracht die voortkomt uit sensualiteit. Het is hoofd én lijf, en de connectie tussen die twee.”

Haar grote voorbeeld is Marie Curie. Wie was uw Marie Curie, toen u kind was?

“Goeie vraag. Ik had er meerdere. Als kind reed ik paard. De uitbaatster van de manege was een grote blonde vrouw, altijd een sigaret in de mond, rubberlaarzen vol modder. Ik vond haar enorm cool.

“Mijn mama is ondernemer, ook geen vrouw die zich door haar man liet onderhouden.

“Ik was zelf een kwajongen; ik heb heel snel mijn mannelijke, stoere kant onderkend.”

In uw boek lijkt het een straf om een meisje te zijn. Alle mannen zijn sterk en hard, de vrouwen fragiel en emotioneel.

“De wereld is moeilijker voor vrouwen dan voor mannen, dat is gewoon zo. Ik herinner me dat ik als meisje begon door te hebben wat er allemaal niet mocht. Zonder dat het me expliciet verboden werd, kon ik niet zomaar wat gaan ravotten.”

Zijn we niet op weg om die genderstereotypes te doorbreken?

“Dat besef begint te groeien, maar ga eens een kledingzaak of een speelgoedwinkel binnen: de jongens- en meisjesspullen staan er strikt gescheiden.”

Dwingt u uw dochters om met een vrachtwagen te spelen?

(lacht) “Nee, de jongste zit heel erg in een prinsessen-barbie-periode. Ik probeer uit te leggen dat meisjes alles mogen wat jongens mogen en vice versa, maar als ouder moet je al snel de illusie laten varen dat jij de enige opvoeder bent. Er zijn vriendjes, de crèche, televisie. Daar heb ik geen vat op.

“We hadden een cd gekregen met sprookjes. De jongste is er dol op. Het verhaal van Roodkapje begon met: ‘Er was eens een meisje dat zo lief en zo mooi was dat iedereen van haar hield.’ ‘Ah nee’, zei ik, ‘wat klopt er niet in deze zin?’ Een verhaal over een jongen zou het hebben over iemand die stoer en sterk en slim is. Dat is toch erg? Mijn oudste is tien, zij is al helemaal mee.” (lacht)

De beschrijvingen van de mama in La vraie vie zijn behoorlijk hard. Haar dochter noemt haar ‘een lege envelop’. Wat vindt uw moeder daarvan?

“Ze is al wat gewend. Ik speel een monoloog, Bonobo Moussaka, waarin ik een avond lang vertel over mijn mama die nymfomane is. Dat vond ze best grappig. Voor de duidelijkheid moet ik nu dus steeds benadrukken dat ik heel lieve ouders heb, die in niets lijken op mijn personages. Als ik ooit een papa opvoer die autocoureur is, dan zal ik natuurlijk andere vragen krijgen.” (Pierre Dieudonné was een succesvolle coureur in de jaren 70 en 80, hij won onder meer de 24 Uren van Le Mans, en is nog altijd actief in de autosport, red.).

We zouden beter moeten weten, maar het is best confronterend om vast te stellen dat de gewelddadige scènes in La vraie vie werden opgeschreven door een leuke, blonde vrouw die van yoga houdt.

“Ja, die reactie krijg ik vaker. Misschien hebben ze ons zo vaak gezegd dat we lief en mooi en charmant moeten zijn, dat we onze lelijke emoties goed kunnen verstoppen. Maar als ik schrijf, kijk ik naar mijn voorbeelden, en dat zijn toevallig eerder mannen. Ik hou van Stephen King, en van Thomas Gunzig (Franstalig-Belgische auteur, schreef ook mee aan het scenario van de film ‘Le tout nouveau testament’, red.) Gunzig is een goede vriend die ik trouwens hier in deze bar heb leren kennen. Die gitzwarte wereld wilde ik ook ontdekken.

“Voor mijn omgeving was dat even wennen, omdat ze nooit hadden gemerkt dat die gevoelens in mij zaten. Maar het doet deugd om alles eruit te gooien, ik kan het iedereen aanraden. Ik loop niet als een gek op straat naar mensen te brullen, ik heb het in een boek gegoten. En ik merk ook dat mensen om mij heen zich nu makkelijker blootgeven, omdat er minder gêne is om onze slechte kanten te tonen.”

U won met uw boek verschillende literaire prijzen. U kreeg lovende recensies, en die andere Franstalige schrijfster, Amélie Nothomb, prees uw boek de hemel in. Maar ik lees her en der ook vernietigende commentaren. Het is liefde of haat, blijkbaar, en niets daar tussenin.

“Sommige mensen willen enkel realistische verhalen lezen, en vinden het niet ‘geloofwaardig’. Maar dat is niet mijn ding. Als ik schrijf wil ik een beetje boven de werkelijkheid zweven, maar sommige lezers hebben blijkbaar moeite met die toets van absurditeit en surrealisme.

“Ik heb ook enkele reacties gekregen die zo heftig en persoonlijk waren, dat het niet meer echt over het boek lijkt te gaan. Er is nog steeds veel snobisme in de literaire wereld, en een wantrouwen jegens alles wat populair is. Als je veel boeken verkoopt, dan moet het wel minderwaardig zijn.”

De taal van uw boek is heel toegankelijk. ‘Ze gebruikt een kind als verteller omdat ze schrijft als een kind’, las ik ergens.

“Ik heb ook helemaal niet de ambitie om heel moeilijk of geforceerd intellectueel te schrijven. Toen ik eens op een school was gaan spreken, vertelden enkele leerlingen me dat La vraie vie het eerste boek was dat ze hadden uitgelezen. Dat is toch prachtig? Het is veel moeilijker om de aandacht en spanning vast te houden met eenvoudige taal.

“Ik ben oprecht in wat ik maak. Ik ga niet simpeler schrijven om een breed publiek aan te trekken, en ik ga niet expres moeilijk schrijven om een goeie recensie te krijgen in een nicheblad. Je m’en fous.”

U hebt een stijl die eerder Nederlands en Angelsaksisch is, uitgepuurd en sober. Uw boek is een kadaver, geen doorvoed beestje.

“Dat vind ik een mooi compliment. Ik hou zelf ook meer van Angelsaksische literatuur dan van Franse. Ik ben fan van David Vann, ik heb net Into the Forest gelezen van Jean Hegland, dat vond ik fantastisch. En mijn favoriete roman aller tijden is We Need To Talk About Kevin van Lionel Shriver.”

Op Passa Porta gaat u in gesprek met uw Vlaamse collega Lize Spit. Ziet u zelf waarom er vaak parallellen worden gezien tussen jullie?

“Tuurlijk, we zijn twee jonge vrouwen die haast uit het niets succes hebben met een debuutroman. En we hebben beiden een donker, brutaal boek geschreven waarin een jonge vrouw haar jeugdherinneringen vertelt. Ik ben net begonnen aan Débâcle, de Franse vertaling van Het smelt, en dat komt behoorlijk hard binnen.

“Lize is heel erg lief, ik vind het fijn om ervaringen uit te wisselen met iemand die hetzelfde heeft meegemaakt als ik nu. Maar we blijken op een heel andere manier te schrijven. Ik werk heel intuïtief. Ik heb veel improvisatietheater gedaan, en zo probeer ik ook te schrijven. Als schrijfster ontdek ik het verhaal samen met de personages. Ik had bij het begin van dit boek geen enkel idee waar het naartoe zou gaan.”

Het smelt wordt op dit ogenblik verfilmd. Er zijn ook plannen voor een adaptatie van La vraie vie.

“Ja, in primeur: die zijn helemaal rond, het contract is net getekend. Het boek was nog maar net uit toen ik gecontacteerd werd door Marie Monge, een jonge scenarist en regisseur die met Les joueurs net furore had gemaakt in Cannes. Het bleek al snel dat zij mijn boek begrepen had zoals niemand anders. Ze stuurde me een koffertje, met daarin haar voorstel en zelfs een concreet plan voor financiering. Het zat in een mapje met dierenprint, met daarbij nog allerlei spullen die verwijzen naar het verhaal: een walkman, een beha voor een jong meisje. Het was als een prachtige liefdesverklaring voor mijn boek. Zo cool.”

‘C’était un homme immense, avec des épaules larges, une carrure d’equarrisseur. Des mains de géant. Des mains qui auraient pu décapiter un poussin comme on décapsule une bouteille de Coca. En dehors de la chasse, mon père avait deux passions dans la vie: la télé en le whisky. Et quand il n’était pas en train de chercher des animaux à tuer aux quatre coins de la planète, il branchait le télé sur des enceintes qui avaient coûté le prix d’une petite voiture, une bouteille de Glenfiddich à la main. Il faisait celui qui parlait à ma mère, mais en réalité, on pourrait pu la remplacer par un ficus, il n’aurait pas vu la différence.’

Passage uit La vraie vie over de vader met zijn peperdure speakers.

En welke rol wilt u spelen?

“Geen enkele. Film zegt me niet zo veel. Maar er komt ook een toneelstuk, en dan zal ik mee op de scène staan, als een volwassen verteller die terugblikt op het verhaal.”

En hoe zit het met die moeilijke tweede roman na dit succesdebuut?

“Ik zou graag eind 2020 een nieuwe roman uit hebben, maar ik ben nu nog veel te druk bezig met de promotie van dit boek. Deze maand ga ik nog naar Italië, daar is het boek al in vertaling uit, en dan volgen Japan, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Polen, Griekenland.

“Het klinkt cliché, maar het voelt als een kind afgeven. Je maakt geen kinderen om hen een leven lang bij je te houden, je wilt dat ze de wereld ontdekken, zich verder ontwikkelen, door andere mensen graag gezien worden. Zodra de oudste haar plan kan trekken, kan ik alle aandacht op een nieuwe baby vestigen.

“Toen de roman klaar was, werd ik heel emotioneel, het was moeilijk om mijn personage te lossen. Enkel mijn mama, papa en beste vriendin hadden het manuscript gelezen, en nu zijn er duizenden mensen die van haar houden, ze bestaat echt.”

Uw dertigerscrisis en het prille moederschap hebben deze roman voortgebracht. Is het nu wachten op een veertigerscrisis om een tweede boek te schrijven?

“Ik had vreselijk veel liefdesverdriet toen ik La vraie vie schreef, en soms vraag ik me af of ik dat verdriet nu weer moet oproepen om iets nieuws te creëren. Maar ik ben er gerust in dat er wel nieuwe pijn zal komen. (lacht) Je hoeft de televisie maar aan te zetten, en je ziet pijn en verontwaardiging en woede genoeg. Die bron raakt nooit uitgeput.”

Adeline Dieudonné staat op Passa Porta Festival op zaterdag 30 maart om 14u en om 18u30 samen met Lize Spit.

Adeline Dieudonné, ‘La vraie vie’, Éditions de L’Iconoclaste, 260 p., 19,40 euro. De Nederlandse vertaling wordt verwacht tegen eind mei. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234