Woensdag 28/10/2020

Reportage

Schrijverskoppels over hun gedeelde beroep: ‘Hoofdstuk niet af? Dan geen rummikub’

Lize Spit en Rob van Essen.Beeld Thomas Sweertvaegher

Ze delen de lakens én een carrière in de letteren. Gaan ze er beter door schrijven, of werkt het verlammend? Drie auteurs­koppels vertellen. ‘Natuurlijk wil je dat de ander zegt: dit is het beste wat je ooit gemaakt hebt. Maar daar help je elkaar niet mee.’

Lize Spit & Rob van Essen

Lize Spit is auteur van ‘Het smelt’, waarvan de verfilming volgend jaar klaar is. Ze is columniste bij ‘De Morgen’ en legt de laatste hand aan haar tweede roman.

Rob van Essen mocht vorig jaar de Libris Literatuurprijs in ontvangst nemen voor zijn roman ‘De goede zoon’. Hij is recensent voor ‘NRC Handelsblad’.

Sinds een jaar zijn Rob van Essen en Lize Spit niet alleen collega’s, maar ook geliefden. De schrijvers ontmoetten elkaar twee jaar geleden voor het eerst op een zomerkamp van de Nederlandse uitgeverij Das Mag, en wonen sinds maart samen – dankzij een duwtje in de rug van een venijnig virus.

Toen het land in maart op slot ging, liet Van Essen zijn flat in Amsterdam tijdelijk achter om samen met Spit de quarantaine uit te zitten in Brussel. Hun dagelijkse schrijflabeur gebeurt sindsdien aan de keukentafel, recht tegenover elkaar. Het is een ordelijke tafel. Er staan twee dichtgeklapte laptops op, er liggen enkele losse papieren en twee kleine stapels boeken. Weinig dat zegt: hier worden elke dag nieuwe werelden geboetseerd.

Of het niet gaat vervelen om de hele dag recht tegenover je geliefde te zitten, wil ik weten.

Rob van Essen: “Als ik hier vroeger een week of twee verbleef, zaten we ook al samen te schrijven. Het enige verschil was dat we nu meer op het appartement aangewezen waren; de koffiezaakjes waar we anders werkten, waren lang gesloten. Lize werkt heel gefocust, met een koptelefoon op, dus we zitten toch nog steeds in onze eigen wereld. Maar het is ook gezellig dat een van ons kan opstaan om koffie voor de ander te zetten, dat breekt de dag een beetje.

Spit: “Soms kijk ik op van mijn laptop, en realiseer ik me: juist, Rob zit hier ook. (lacht) Maar als het schrijven niet goed wil vlotten en ik hem ondertussen als een bezetene hoor tikken, dan móét ik die koptelefoon soms wel opzetten om me niet te veel te laten opjagen.”

Door je eigen hoofd wroeten in de hoop er enkele bruikbare zinnen terug te vinden, blijft in de eerste plaats een eenzaam ambacht. Praten schrijvers die samen zijn over de onzekerheden en twijfels die bij hun vak komen kijken?

Spit: “Ik doe dat heel vaak. Rob wat minder, maar hij heeft natuurlijk meer ervaring en heeft mij dus minder nodig tijdens het schrijfproces. Bij mij is dat anders: ik lees tijdens het schrijven af en toe een zin voor waarover ik zijn mening wil weten, of vraag naar welk synoniem zijn voorkeur uitgaat. En als we samen wandelen, zit ik toch vaak tegen hem te zeuren dat ik het niet meer zie zitten, of dat ik twijfel: moet ik niet helemaal opnieuw beginnen?”

Van Essen: “Ik laat mijn teksten wel altijd nalezen door Lize. Er gaat geen recensie de deur uit zonder dat Lize die gelezen heeft en opmerkingen heeft gegeven. We vertrouwen elkaar volledig, omdat we weten dat we allebei het beste voorhebben met elkaars werk.”

Spit: “Op het einde van de lockdown moest ik de eerste versie van mijn nieuwe roman indienen. Die heb ik in drie delen uitgeprint en aan Rob voorgelegd. Hij bracht telkens opmerkingen aan in dat manuscript, en zo hebben we in twee maanden tijd de hele roman geredigeerd. Rob weet wanneer hij moet schrappen, ik heb niet het gevoel dat we te mild zijn voor elkaar.”

Van Essen: “Natuurlijk wil je dat iemand zegt: ‘Dit is het beste wat je ooit gemaakt hebt’, maar daar help je de ander niet mee.”

Spit: “Ik vind het wel fijn om een relatie te hebben met iemand die ook schrijft. Ik heb altijd gedacht dat mijn wereld zou verkleinen als ik samen was met een schrijver, maar ik vind het wel prettig dat mijn binnenwereld vergroot omdat ik nu kan delen waarmee ik bezig ben. Ik ben lang samen geweest met iemand die niet schreef, en toen hadden we het thuis nooit over lezingen of het schrijven.”

Van Essen: “Lize en ik hebben afgesproken: schrijven is hier heilig. Als er een hoofdstuk afgewerkt moet worden of je krijgt een nieuw idee, dan heeft dat altijd voorrang op onze andere plannen. Dan rummikuppen of aperitieven we wel een halfuurtje later.”

Lize Spit: ‘Ik ben jaloers als ik over zijn vorige liefdes lees. Dan wil ik altijd meer weten over die vrouwen’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Zij zit al jaren bij Das Mag, hij laat zijn boeken bij Atlas Contact publiceren. Het lijkt de ideale formule voor smeuïge gesprekken tijdens het avondeten. Van Essen grinnikt: “Natuurlijk praten wij over hoe het er bij onze uitgevers aan toegaat. Er passeren hier ook heel wat literaire roddels over tafel, hoor. (lacht) Het zou een stuk lastiger zijn als we bij dezelfde uitgeverij zaten, denk ik, en al helemaal als we dezelfde redacteur hadden. Die beschouw je toch een beetje als exclusief bezit.”

Spit: “Maar ik gun Rob zijn succes echt van harte. Zelfs al wij in hetzelfde jaar een boek zouden uitbrengen, zou ik daar geen problemen mee hebben.”

Van Essen: “Wij hebben het trouwens niet de hele tijd over schrijven hoor, wij praten ook heel vaak over de series waar we naar kijken, onze vrienden, familie… We hebben tot nu toe nog nooit een punt bereikt waarop we zeiden: ‘Nu gaan we het eens even níét over dat schrijven hebben.’”

Van Essen kan, na meer dan twee decennia schrijverschap, twaalf van zijn eigen romans in de boekenkast kwijt. Lize legt nu de laatste hand aan haar tweede boek. Alle romans van Rob heeft ze nog niet gelezen, geeft ze toe, en daarom vullen ze hun avonden nu met de meest vertederende activiteit: hij leest haar voor uit zijn oud werk.

Spit: “Het jaar waarin mijn vader stierf en Troje heeft hij me al voorgelezen, en De goede zoon heb ik alleen gelezen. Soms merk ik dat hij stiller gaat praten om bepaalde delen van de tekst die hij niet meer goed vindt, te camoufleren. ’Wat duidelijker praten’, zeg ik dan. (lacht) Al ben ik vooral jaloers als ik over zijn vroegere liefdes lees. Dan wil ik altijd meer weten over die vrouwen.

“Ik ben ook wel voor Rob gevallen door De goede zoon te lezen, omdat het zo’n intelligent en grappig boek is. Ik voelde meteen een soort zielsverwantschap. Ik heb dat boek sindsdien ook niet meer herlezen, uit angst dat er iets van de magie zou verdwijnen nu ik hem ook echt ken.”

Van Essen: “Nadat ik Lize voor het eerst had ontmoet op het zomerkamp van Das Mag, heb ik meteen Het smelt vastgepakt. Het werk van een schrijver lezen blijft toch een van de intiemste manieren om die persoon beter te leren kennen. Zowel De goede zoon als Het smelt zijn semi-autobiografische romans, en Het smelt is een bijzonder heftig boek. Ondertussen weet ik welke delen ervan gebaseerd zijn op de werkelijkheid. Ik zou het om die reden ook niet opnieuw kunnen lezen. Nu ik Lize ken, zou dat me te erg aangrijpen.”

Elvis Peeters en Nicole van Bael: ‘Soms moet je de ander zeggen: dit is bullshit’

Beeld Thomas Sweertvaegher

Elvis Peeters en zijn echtgenote Nicole van Bael publiceren al bijna dertig jaar samen. In 1992 brachten ze hun eerste verhalenbundel uit, ‘Het uur van de aap’.

Elvis Peeters en Nicole van Bael werken samen aan romans, theaterteksten en kinderboeken. Eerder dit jaar stond hun recentste worp, de roman De ommelanden, nog op de longlist van de Libris Literatuur Prijs. “Later dit jaar volgt nog een poëziebundel”, vertelt Peeters. “Dichtbundels en songteksten schrijf ik alleen, voor alle andere projecten werken Nicole en ik altijd samen. Maar zelfs voor die soloprojecten is zij mijn eerste lezer. De ergste dingen vist ze er dan toch nog uit. Ik vond poëzie lang het summum van literatuur, en Nicole heeft daar gewoon minder mee.”

Van Bael: “Ik mag dan commentaar geven, maar bij die teksten houdt Elvis het eindverdict in handen. Dat is anders dan wanneer we samen aan een roman werken; dan zoeken we naar een consensus die door ons allebei gedragen wordt.”

Peeters: “Ik was vroeger zanger van de band Aroma di Amore. Onze lichtman was net afgestudeerd als regisseur, en wilde graag een muziektheaterstuk brengen. Omdat ik toen al de songteksten voor onze band schreef, vroeg hij of ik ook geen theaterstuk voor hem kon maken.”

Van Bael: “Dat was in de jaren tachtig, en Elvis en ik waren toen heel actief in de antimilitaristische beweging, tegen de komst van kernwapens in België. Destijds hebben we daar samen veel persberichten en brochures voor geschreven. Toen Elvis thuiskwam met het idee om eens een langere brok tekst te maken, was het logisch dat we daar ook samen aan zouden beginnen.”

Peeters: “De reden is heel eenvoudig: wat we samen schrijven, is gewoon beter. Onze verschillende capaciteiten en gevoeligheden maken dat we samen beter zijn. Ik ben nogal barok in mijn schrijven, ik blijf maar gaan. Nicole heeft een meer analytische geest, zij regisseert onze boeken en kan met een helikopterperspectief onze boeken in elkaar puzzelen. Maar we zorgen er wel altijd voor dat het eindresultaat eruitziet alsof het door één persoon is geschreven.”

Van Bael: “Als er een slechte recensie komt, of je hebt een writer’s block, val je nooit helemáál stil. Een van de twee kan altijd nog verder. Ik kan me terugtrekken zo veel als ik wil, maar ik hoef niet eenzaam te zijn. Dat is een enorme luxe, hè.”

Als ze het niet eens raken over het idee voor de roman die ze willen gaan schrijven, doen ze soms een wedstrijdje. Hij werkt dan een maand lang het ene idee uit, zij begint vanuit een compleet andere invalshoek. “Na een maand kijken we dan welk idee ons het meest weet te overtuigen”, zegt Van Bael.

Peeters: “In de praktijk heeft Nicole al twee keer gewonnen. (lacht) Maar het idee dat we laten liggen, kan dan in een andere vorm later nog gebruikt worden.”

Van Bael: “Wij laten echt toe dat we elkaars teksten bewerken. Dat is niet gemakkelijk, maar dat er geen voorbehoud is, maakt wel dat we tot één taal kunnen komen.”

To kill your darlings is voor geen enkele schrijver een aangenaam tijdverdrijf, maar de darlings van je partner killen, is nog een heel andere vorm van zelfkastijding.

Nicole Van Bael: ‘We houden onze vergaderingen op café, dan gaan de ergernissen niet in huis hangen.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Peeters: “Wij hebben nog nooit gezegd: ‘Deze zin móét erin blijven!’ Het is een kwestie van elkaar met enthousiasme te overtuigen dat die zin er wél in moet. Echt discussiëren doen we meestal in ons vaste koffiehuis, met al onze papieren erbij. Soms moeten er moeilijke knopen worden doorgehakt, en moet je tegen de ander zeggen: ‘Wat je nu geschreven hebt, is toch maar bullshit.’ Dat is even slikken. Maar achteraf ben je dan wel dubbel zo tevreden met het resultaat. Omdat je alles uit de kast hebt moeten halen.”

Van Bael: “Door onze vergaderingen op café in te plannen, gaan de ergernissen niet in huis hangen. Je stapt op de fiets, en ze zijn uit je systeem.”

Zijn ze als levenspartners echt niet wat milder in de kritiek die ze elkaar geven? Van Bael moet erom lachen: “Wij zijn meedogenloos voor elkaar, echt waar.”

Peeters: ‘Over mijn lijk’, zeggen wij soms. (lacht)

Van Bael: “Dat een lap tekst bullshit is, dat wordt soms écht gezegd. Je hebt daar dan een week aan gewerkt, dat is niet mals. Maar wij laten niks passeren als we niet allebei overtuigd zijn.”

Van Bael: “Schrijven is ook gewoon een onderdeel van wie we zijn, dus echte onderbrekingen van ons schrijverschap nemen we nooit. Als we er écht even niet mee bezig willen zijn, gaan we fietsen. Op de fiets kun je niet schrijven, en is het niet zinvol om te discussiëren.” (lacht)

Decennialang was het enkel Elvis Peeters (pseudoniem van Jos Verlooy) die op de voorgrond trad om hun boeken aan de man te brengen; Nicole meed de spotlights halsstarrig. Pas sinds De ommelanden, hun recentste roman die in 2019 van de persen rolde, lijkt Van Bael haar plek in de luwte wat vaker te verlaten. Steekt het haar niet dat haar naam niet ook in grote letters op de omslag staat?

Van Bael: “Dat ik jarenlang geen interviews gaf, was een bewuste keuze: ik had helemaal geen zin om me bezig te houden met alles wat rond dat schrijven hing. Natuurlijk streelt al die aandacht de ijdelheid, maar de rust en de tijd die er overblijft als je daar helemaal níét mee bezig moet zijn, vond ik toch aanlokkelijker.”

Peeters: “Het is pas sinds de #MeToo-periode dat Nicole af en toe uit haar kot komt. Op lezingen begon ik steeds meer de vraag te krijgen of ik Nicole niet gewoon had uitgevonden om interessant te doen…”

Van Bael: “Of ze dachten dat ik thuis onderdrukt werd, dat was het ergste. Elvis stond daar heel weerloos in. Want hij kon zélf wel zeggen dat mijn terughoudendheid mijn eigen keuze was, maar het kwam natuurlijk niet uit mijn mond.

“Hij is een aantal keren gefrustreerd thuisgekomen. ‘Ik doe het niet meer!’, zei hij dan. Toen hebben we afgesproken dat we de volgende interviews en fotoshoots wat vaker samen zouden doen. Al kan het zijn dat ik na enkele jaren weer in mijn schulp kruip, hoor. Als een boek een goede recensie of een vertaling krijgt, ben ik óók ontzettend trots. Maar ik hoef daar gewoon niet noodzakelijk voor op een podium te staan.”

Joost Devriesere en Valerie Tack: ‘Ik was bang om veel kritiek van hem te krijgen’

Beeld Thomas Sweertvaegher

Joost Devriesere is auteur, journalist en eindredacteur bij ‘Knack’ en ‘Knack Focus’. Zijn debuutroman ‘Pest’ verscheen in 2017.

Valerie Tack is auteur en leerkracht. ‘Rauw en alsof’ (2020) is haar eersteling.

Valerie Tack wierp haar debuutroman, Rauw en alsof, in volle coronacrisis de wereld in. De boekpresentatie stond gepland op 13 maart maar moest worden afgelast. “Van een slechte timing gesproken. Ik heb me moeten troosten met goede recensies, die er gelukkig wél zijn geweest”, grijnst Valerie Tack.

Joost Devriesere schreef, samen met 23 andere Vlaamse schrijvers, de brievenbundel De afstand, over de impact van de gezondheidscrisis die de voorbije maanden heeft gebrandmerkt.

Valerie Tack: “Ik heb tijdens het schrijven enorm veel aan Joost gehad. Zodra ik een idee had dat ik wilde uitwerken, of als ik een personage had uitgedacht, ging ik meteen aan hem vragen wat hij ervan vond.

Joost Devriesere: “Op zulke momenten is er altijd de druk om meteen een volledig gevormde mening te geven, zodat ik later niet op mijn woorden hoef terug te komen. Dat gebeurt jammer genoeg af en toe tóch. Dan kom ik na een week schoorvoetend naar Valerie om te vertellen dat ik een idee, achteraf gezien, toch niet zo goed vond. Ik wil haar enthousiasme natuurlijk ook niet van tafel vegen, want anders zou ze misschien twee dagen niet schrijven. Dat wil je ook niet.”

Tack: “Achteraf zie ik soms wel dat hij een punt heeft, en als dat niet zo is, dan doe ik gewoon koppig voort. Ik was in het begin bang om te veel kritiek te krijgen of om afgewezen te worden. Maar wat Joost zegt, kan ik meestal wel goed plaatsen.”

De twee ontmoetten elkaar drie jaar geleden op een literaire avond die Tack samen met enkele vrienden had georganiseerd in Kortrijk. “Joost deed daar ook aan mee, en vond mijn werk meteen goed. Vorig jaar zijn we in april een koffie gaan drinken, en sindsdien is hij niet meer weggegaan.” (lacht)

Devriesere: “Sinds we samen zijn, heb ik alleen nog maar die brieven in De afstand geschreven, en af en toe een column of een opiniestuk. Ik heb wel al veel goede ideeën gehad, die ik telkens heb voorgelegd aan Valerie. Maar aan schrijven zelf ben ik nog niet toegekomen.”

Tack: “Dat komt omdat je niet vasthoudt aan één idee. Ik zeg altijd: ‘Interessant, begin er nu maar aan.’ Maar de volgende dag komt hij weer met een ander idee aandraven.” (lacht)

Devriesere: “Ik zet me er inderdaad niet aan. Misschien is het omdat jij net gedebuteerd bent dat ik het niet nodig vind om zelf ook te schrijven. Bij Valerie is er echt een urgentie in het schrijven, terwijl het voor mij op dit moment niet hóéft.”

Hoe vaak wordt er ten huize Devriesere-Tack over het schrijven gepraat, wil ik weten.

Devriesere: “Toen Valerie aan het schrijven was, hebben we het heel veel over haar verhaal gehad, ja. De moord speelt zich helemaal in het begin van het boek af, en in de rest van het verhaal worden alle puzzelstukken gelegd die tot die brute moord hebben geleid. De structuur is hier heel belangrijk, en daar hebben we veel over gepraat.”

Tack: “Joost raadde me vooral boeken uit de Angelsaksische literatuur aan, waarin ook gespeeld werd met de chronologie. Dat waren boeken die ik anders niet vastgenomen zou hebben, maar waar ik wel heel veel aan heb gehad. Het hielp me om mijn eigen constructie en ideeën op te bouwen.

Valerie Tack: ‘Een schrijver naast je in bed kijkt niet raar op als je midden in de nacht opstaat om nog wat te gaan schrijven.’Beeld Thomas Sweertvaegher

“Het was moeilijk geweest om dit boek zonder Joost te schrijven; hij heeft echt achter mijn veren gezeten. Sinds Joost en ik elkaar enkele jaren geleden voor het eerst ontmoetten, is hij me echt gaan aansturen. ‘Schrijf eens een kort verhaal’, zei hij dan. Of: ‘Denk eens na over een volledige roman.’”

Devriesere: “Valerie was inderdaad een beetje mijn project. Wat Valerie doet, zie je niet vaak in dit taalgebied. Ze kan ook nog eens prachtig voorlezen. Ik had meteen een enorme bewondering voor haar.”

Tack: “Als je als schrijver gaat samenwonen, heb je maar beter iemand naast je die de grillen van het vak begrijpt, die niet vreemd opkijkt als je in het midden van de nacht opstaat om te schrijven en pas in bed kruipt als de ander opstaat. Of dat je ergens niet naartoe wilt gaan omdat je zin hebt om te schrijven. Dat je nogal afwezig en soms wat kortaf bent omdat je zo bezig bent met je boek dat je ieder menselijk contact storend vindt. Als je samen bent met iemand die ook schrijft, begrijpt die persoon dat.”

Toen hij in 2017 zijn debuutroman Pest uitbracht, had zij dat manuscript al mogen volkrabbelen met feedback. Die opmerkingen waren niet altijd even constructief, vreest ze nu.

Tack: “Ik herinner me nog levendig een scène over een priester met pedofiele neigingen. In de kantlijn schreef ik dan: ‘Moet dat nu echt? Zo typisch.’ Of soms hield ik het korter, met opmerkingen als ‘stom’, ‘dwaas’, ‘saai’, zulke dingen, zonder dan verder uitleg te geven. (schaterlacht) Maar eigenlijk vond ik het vooral moeilijk. Ik dacht: wie ben ik om feedback te geven aan iemand die een roman aan het schrijven is, terwijl ik zelf al jaren aan het aanmodderen ben?”

Devriesere: “Ik ben zo blij voor haar dat het boek er ligt. Het is niet op de ideale manier gelanceerd, maar het is er. Heel wat mensen die professioneel met literatuur bezig zijn vinden het een geweldige roman. Ik heb Valerie daarvan proberen te overtuigen; soms lukte dat, soms ook niet. Maar het leuke is dat ik vanaf dag één bij het hele schrijfproces betrokken ben geweest. Er is zelfs een moment geweest toen Valerie aan haar boek aan het schrijven was, dat ik echt een beetje door haar geïntimideerd was. ‘Beter dan dit wordt het niet’, dacht ik.”

Devriesere en Tack publiceren allebei bij uitgeverij Houtekiet. Omdat alles wat bij het publiceren van een boek komt kijken hem ook fascineert, leidt hij zelfs het merendeel van het contact met de uitgeverij in goede banen, zodat zij zo weinig mogelijk van haar schrijftafel moet wijken.

Tack: “Het is een enorme luxe dat Joost het zakelijke van het schrijven op zich neemt, want ik word daar zelf nogal zenuwachtig van.”

Devriesere: “En het kan ook handig zijn om haar op die manier af te schermen van minder goed nieuws, of om goed nieuws beter te spreiden.”

Tack: “Heb je dat dan al gedaan?”

Devriesere: “Dat weet je toch! Elke schrijver beleeft moeilijkere momenten, en soms spaar ik goed nieuws wat op om het op een strategisch moment uit te spelen. Niets is saaier dan op één dag tien goednieuwsberichten te krijgen en dan wekenlang niks.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234