Maandag 18/11/2019

Interview

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Feestjes waren een prima excuus om heel snel, heel veel te drinken’

Beeld Tim Dirven

Ooit was hij een exhibitionistische alcoholist wiens literair oeuvre doortrokken was van ironie. Nu komt Ilja Leonard Pfeijffer (51) met een ontnuchterend essay waarin hij een herontdekking van de ernst bepleit. Gaan we saai worden? Wij zochten de schrijver van Grand Hotel Europa op in Genua, waar hij samenhokt met zijn twee geliefdes: Stella en La Superba.

In een film over zijn leven zou de geloofwaardigheid van deze scène in twijfel worden getrokken. Uitgerekend op het moment dat hij begint te vertellen over zijn tijd als alcoholicus, die hier zijn hoogtij kende én zijn eindpunt bereikte, worden op de Piazza delle Erbe de glasbakken geledigd. Drie arbeiders halen in alle hoeken van het plein de blauwe containers met leeggoed op bij de bars en de eethuizen, en rollen die in de richting van een kleine vrachtwagen met open laadbak. Die heeft zich naast het terras van Café Latino geparkeerd, waar wij net zijn neergestreken. Eén na één worden de containers vastgeklikt in het laadmechanisme, opgetild en uitgestort. Het uiteenspatten van het glas op het metaal van de laadbak veroorzaakt een kabaal waarbij horen en zien vergaan.

Ilja Leonard Pfeijffer probeert zijn cool te bewaren, maar kan een glimlach met moeite onderdrukken. “Ik geef het toe,” grijnst hij, eens de rust is wedergekeerd, “er is een tijd geweest dat ik een groot persoonlijk aandeel had in de ­totstandkoming van leeggoed op dit plein. Die heb ik achter me gelaten. Maar mijn voormalige drinkebroers duidelijk nog niet.”

Op deze plek produceerde hij, aanvankelijk tussen de ­drinkgelagen door, zo’n vijfentwintig boeken, gelegenheidsteksten en bloemlezingen inbegrepen. Waaronder La Superba, zijn ode aan Genua die tevens zijn doorbraak naar het zogeheten brede publiek betekende. Waaronder Brieven uit Genua, het brievenboek waarin hij de drank publiekelijk afzwoer. En waaronder Peachez, een romance, de #MeToo-roman die fijntjes naar het iconische Lolita van Nabokov verwijst. Hier componeerde hij, geïnspireerder en gedrevener dan ooit, Grand Hotel Europa, zijn grote literaire symfonie over de opkomst van het massatoerisme en de teloorgang van de oude Europese cultuur. Kortom: hier ontpopte hij zich als een van de beste, meest oorspronkelijke en met niemand vergelijkbare Nederlandse schrijvers van het eerste kwart van de 21ste eeuw.

En hier woont hij nog steeds, vierhoog in een palazzo op een hoek. Aan een ander tafeltje op ditzelfde terras leerde hij bijna vijf jaar geleden Stella kennen, zijn buurmeisje van éénhoog dat sindsdien zijn geliefde is. Hier is hij inmiddels een bekend figuur, ook al had tot voor kort niemand in deze stad een ­letter van ’m gelezen. Als je in om het even welke bar in het centro storico van Genua informeert naar lo scrittore, weet iedereen dat je Ilja Leonard Pfeijffer zoekt.

Vandaag draagt hij een licht, jeanskleurig pak met een gestreepte das. Op z’n neus staat een blitse Ray-Ban. Zijn huid is mooi gebronzeerd van een lange, hete zomer in Ligurië. Hij ziet er patenter uit dan ooit. Hij slurpt ­achtereenvolgens van een kop koffie en een glas water.

Beeld Tim Dirven

Een jaar geleden kwam La Superba uit in Italiaanse vertaling. Hoe is het boek hier ontvangen?

“Boven verwachting goed, er is al een derde druk. Het zijn kleine oplages, hoor, van telkens zo’n 2.000 exemplaren. Dat lijkt weinig in een land met meer dan 60 miljoen inwoners, maar vreemd genoeg is de markt voor boeken hier niet veel groter dan in ons taalgebied. Italianen zijn geen verwoede lezers. In het Zuiden, waar analfabetisme nog een reëel probleem is, al helemaal niet.

“Maar goed, drie drukken, dat is me nooit eerder ­overkomen met een vertaling. Bijna tien jaar lang heb ik hier rondgelopen met een vage reputatie van ‘schrijver uit het Noorden’. Sommige mensen waren zo aardig om te geloven dat ik hele goeie boeken schreef, maar de proef op de som konden ze niet nemen. Nu wel.”

Krijgt u hier andere reacties dan in Nederland en Vlaanderen?

“Ja, want het boek wordt hier gelezen als een roman over Genua. Terwijl het dat strikt genomen niet is. La Superba is een boek over migratie en identiteit, met Genua als decor. Een decor dat zeer aanwezig is, maar toch: een decor. Genuezen vragen mij ook steevast hoe het boek in Nederland is ontvangen. Ze kunnen zich haast niet voorstellen dat in Nederland of Vlaanderen ook maar iemand geïnteresseerd is in hun stad. (lacht) Dus dan antwoord ik altijd dat ik hen moet teleurstellen, maar dat La Superba helemaal niet over Genua gaat.”

U zou hen niet hoeven teleurstellen. Dankzij La Superba hebben niet weinig Nederlanders en Vlamingen Genua ontdekt.

“Ja, dat is ook waar. Ik zie met vreugde een stadspenning tegemoet. Ach, ze zijn hier best wel trots, hoor. Wat zeker heeft meegespeeld, is dat het boek verscheen net nadat de Ponte Morandi was ingestort. (lacht) Dat was natuurlijk op geen enkele manier zo gepland. Noch dat we het boek snel-snel hebben laten uitkomen na de instorting, noch dat we de brug hebben laten instorten omdat het boek op het punt stond te verschijnen. Maar dat was een moment waarop Genua behoefte had aan iets positiefs. Meerdere mensen zijn me komen bedanken voor mijn liefdesverklaring aan hun stad. (lacht)

“En verder zijn er volop mensen die zich herkennen in de personages uit La Superba. Er zijn zelfs meer mensen die zich herkennen in personages, dan er personages zijn in het boek. Ik kan dat alleen maar opvatten als een compliment.”

Beeld Tim Dirven

Hoe gaat het inmiddels tussen u en Italië? In een column schreef u onlangs dat sommige van uw Italiaanse vrienden zich afvragen wanneer u uw koffers pakt en het land verlaat.

“Dat was in augustus, toen de extreemrechtse vice-premier Matteo Salvini zijn regeringscoalitie met de Vijfsterren­beweging opblies en er vervroegde verkiezingen leken aan te komen die Salvini volgens de peilingen met glans zou winnen. Veel Italianen begonnen zich op dat moment zorgen te maken. Het perspectief van een neofascist als premier van Italië boezemde hen diepe angst in. Terecht, denk ik. Ik vond het zelf ook behoorlijk schokkend. Ik begon een beetje te begrijpen hoe sommige mensen zich moeten hebben gevoeld in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, toen de fascisten van Mussolini aan de macht kwamen.”

Maar uw koffers hebt u nog niet gepakt?

“Nee. En zelfs al zou dat nachtmerriescenario zich voltrekken, dan nog betwijfel ik of het mijn eerste instinct zou zijn om gauw mijn biezen te pakken en mijn Italiaanse vrienden in de steek te laten. Wegvluchten als het slecht begint te gaan, dat zou ik maar slapjes en laf vinden van mezelf. Juist om de mensen te steunen die bang zijn, moet ik blijven.

“Bovendien is het zo dat ik mij hier thuis voel, steeds meer eigenlijk. Na bijna tien jaar ben ik nog steeds niet uitgekeken op deze stad. En ik woon hier nu met Stella, mijn geliefde en mijn toekomst. We hebben net samen een huis gekocht in de buurt van de kathedraal. (denkt na) Kijk, als ik hier ben, mis ik Nederland nooit. Maar als ik in Nederland ben, mis ik Genua altijd. Zo simpel en zo duidelijk is het.”

Dezer dagen verschijnt er een essay van uw hand onder de plechtige titel Ondraaglijke lichtheid – over het nut en nadeel van ironie voor het leven. Daarin concludeert u, een beetje tot uw eigen verrassing, dat de wereld gebaat zou zijn bij een herontdekking van de ernst.

“Dat klopt, tijdens het werken aan dat essay ben ik van mening veranderd.”

Vreemd, want uw oeuvre is zowat gebouwd op ironie, elke zin die u ooit schreef is ervan doortrokken.

“En ik wil mijn lezers meteen geruststellen: dat zal ook in mijn toekomstige boeken zo zijn. Ik maak in dat essay een, volgens mij vrij cruciaal, onderscheid tussen ironie als stijlmiddel en ironie als levensstijl. Ik ben gaan twijfelen aan het nut van dat laatste.

“Sinds ik hier in Genua ben komen wonen, is er meer uit de werkelijke wereld mijn oeuvre binnengedruppeld en ben ik een meer geëngageerde schrijver geworden. La Superba en Grand Hotel Europa zijn boeken waarin de ironie veelvuldig wordt gehanteerd als stijlmiddel, maar het zijn geen ironische romans. Ze stellen integendeel prangende vragen bij prangende kwesties: migratie, het massatoerisme, de ­toekomst van Europa… Ik zou nu niet meer zo gauw een boek schrijven als Het ware leven, een roman, waarin het ware leven wel heel erg weggestopt zat onder een dikke laag ironie.”

Is Genua het keerpunt geweest? Zat u aanvankelijk maar een beetje rond uw eigen intellectuele navel te draaien en is uw wereld in Genua opengegaan, groter geworden, werkelijker, echter?

“Dat zijn dingen die je zelf vaak pas na een tijd beseft, maar dat is zo. (denkt na) Ik heb een groot deel van mijn leven in Leiden gewoond, en met veel plezier. Ik had er een comfortabel en rustig leven. Er is ook niks dat mij uit Nederland heeft weggejaagd. Maar toen ik een tijdje in Genua was, realiseerde ik me dat dat misschien juist het probleem was: dat er geen probleem was, dat mijn leven in Leiden en in Nederland te rustig en te comfortabel was.

“Er was op den duur niets meer dat mij nog kon ­verbazen. Nederland is ook een land zonder problemen. Sommige mensen doen wel alsof er problemen zijn, maar dat zijn aanstellers. (lacht) Ik ging eens op tournee met het Nederlands blazersensemble. Voor de goede orde: ik droeg een tekst voor, zij speelden muziek. We traden op in allerlei theaters in de provincie. Om het ook voor mezelf draaglijk te houden, zadelde ik mezelf op met de opdracht op zoek te gaan naar problemen in al die provincienesten. Wel, ik heb niks gevonden. Niet één stoeptegel die loszat, niet één tuinhekje dat misschien een likje verf kon gebruiken, he-le-maal niks. Voor een schrijver is dat natuurlijk geen ideale situatie. Als je een roman schrijft heb je een probleem nodig, anders heb je geen verhaal.

Beeld Tim Dirven

“Toen ik nog in Nederland woonde, moest ik die problemen dus zelf verzinnen. Dat verklaart meteen waarom ik toen schreef zoals ik schreef: meer op mezelf betrokken, fictiever, intellectualistischer. Hier hoef ik ’s ochtends maar de deur uit te gaan of een overvloed van reëel bestaande problemen komt me spontaan tegemoet. In 2008, toen ik in Genua arriveerde, was migratie in onze verwende Rijndelta nog een non-existent onderwerp. Ja, heel af en toe las je op pagina acht van de krant dat er een bootje was gezonken, ver weg in de Middellandse Zee. Maar hier was migratie een zichtbaar, tastbaar probleem. Ook al omdat de migranten hier in de steegjes in het centrum van de stad terechtkomen, en niet in een of andere buitenwijk of banlieu.”

De ironie is een wapen dat in handen is gevallen van alt-right en extreemrechts, stelt u vast. Moet de weldenkende linkse intelligentsia dan maar capituleren en angstig vluchten in de ernst, op het gevaar af nog saaier te worden?

(bloedserieus) “Ik denk dat we trots moeten zijn op onze ernst. Ik denk dat we duidelijk moeten maken dat er ­onderwerpen zijn – noem het universele waarden – die we belangrijk vinden, waar we om geven, en waar we liever geen grappen over maken.

“Kijk, de ironie is in de loop van de geschiedenis altijd het wapen geweest van de rebel tegen de gevestigde orde. Het punt is dat wij weldenkende, tolerante, beschaafde mensen de gevestigde orde zijn geworden, althans in onze contreien. En gelukkig maar! Dus ik vrees dat we er maar weinig kunnen aan doen dat de ironie nu ook een wapen is waarmee populisten en regelrechte fascisten de democratische orde bestrijden; waarmee ze ageren tegen politieke correctheid, tegen feminisme, tegen gelijke rechten voor verschillende rassen, tegen de beschaving en de cultuur. Maar ik denk niet dat het helpt om daar nu op onze beurt ironisch over te gaan doen. Als we onze verworvenheden willen verdedigen tegen de ironische ondergraving ervan, moeten we dat in alle ernst doen.”

Linkse mensen staan al te boek als betuttelaars en moralisten die menen te weten wat goed voor je is…

“Ik weet het, goed voor onze pr zal het niet zijn. (lacht) Maar als ik nadenk over waar echt behoefte aan is in de wereld van vandaag, dan is mijn antwoord: alvast niét aan nog meer grappen en grollen onder het mom van ironie. Je hoeft de televisie maar aan te zetten of je krijgt op alle kanalen de volle lading iro-fucking-nie. Gebakken luchtigheid alom, of toch minstens een toontje van we-gaan-toch-zeker-niet-moeilijk-doen? Dus af en toe, zeker als het over levensbelangrijke zaken gaat, graag een stevige portie ernst.”

U neemt dit hoog op, hè? U noemt de ironische levenshouding, die volgens u neerkomt op nihilisme, het grootste probleem van deze tijd.

“Doordat we in feite allemaal nihilisten zijn geworden, is er ruimte ontstaan voor alternatieve waarheden, alternatieve feiten en zogeheten nepnieuws. De algemeen aanvaarde, wetenschappelijk onderbouwde waarheid bestaat niet meer, alles is een mening geworden. We beleven de teloorgang van de feiten. Donald Trump, Boris Johnson: de wereld wordt geregeerd door leugenaars en nihilisten, geïnteresseerd in niks, bekommerd om niks, behalve om macht en cash voor zichzelf. Dat is gewoon niet om te lachen. Zoals ik schrijf in dat essay: ik zou zo langzamerhand nog wel eens iemand willen tegenkomen die meent wat hij zegt.”

Vindt u dat uw fictie meer dan ooit moet gaan over de werkelijkheid?

“Volmondig: ja. Ik las laatst een interview met Margaret Atwood, waarin haar ongeveer dezelfde vraag werd gesteld: of ze het als schrijfster haar taak vond om geëngageerd te zijn, bezig met de problemen van vandaag. Ik vond haar antwoord erg goed, dus ik herhaal het even. ‘Nee,’ zei ze, ‘dat is niet mijn taak als schrijfster, dat is mijn taak als mens. Mijn taak als schrijfster is ervoor te zorgen dat jij de bladzijde omslaat’.

“Deze tijd is niet alleen zorgwekkend, maar ook razend interessant. De wereld verandert in ijltempo. Het is gewoon ondenkbaar dat ik die buiten mijn boeken zou houden. Dat zou ik pas kunstmatig vinden.”

Bent u een ernstiger mens geworden sinds u niet meer drinkt?

“Nee hoor, ik was vroeger ook al zo. Op feestjes bijvoorbeeld heb ik me nooit op m’n gemak gevoeld. Maar ik ging er wel naartoe, want het was een prima excuus om heel snel heel veel te drinken. Sterker nog: ik zette al een fles wodka aan m’n mond als iemand het woord ‘feest’ nog maar in de mond nam. Maar eigenlijk hield ik van dit soort gelegenheden: gesprekken met een gezelschap dat aan één tafeltje past.

“Het verschil tussen de boeken die ik schreef toen ik nog dronk en die van nu, is veel minder groot dan je zou denken. Vroeger schreef ik ook nooit als ik dronken was. Ja, wat aantekeningen in m’n opschrijfboekje, maar meer ook niet. Alles, elke pagina, elke zin die ik heb gepubliceerd, heb ik in nuchtere staat opgeschreven en daarna nog vele keren in nuchtere staat herschreven. Ik schreef niet wanneer ik dronk, en ik dronk niet terwijl ik schreef.”

Beeld Tim Dirven

En de katers?

“Ik had geen katers meer. Katers zijn voor amateurs. (grijnst) Ik kon er vrij goed tegen, misschien wel te goed. Ik had mijn leven ook om de drank heen ingericht… (Op dat moment explodeert de eerste glasbak.) Ik begon te drinken om vijf uur ’s avonds. Tot zolang kon ik het uitstellen. Maar als het vijf over vijf werd, was ik al heel chagrijnig. Van één glas ben je natuurlijk niet dronken, dus ik kon meestal wel nog even doorwerken, met mijn opschrijfboekje in een bar of op een terras. Maar op een gegeven moment stopte ik het weg en dan… vergleed de avond.”

Waar zit het verschil met nu, qua werkwijze en dagindeling?

“Vroeger sliep ik mijn roes uit in de ochtend, nu sta ik vroeg op en werk ik. En ’s avonds ga ik al eens naar de bioscoop of naar het theater met Stella. Verder is het verschil niet zo groot.

“Mijn dagindeling is heel, euh, regulier. ’s Ochtends breng ik Stella naar de kunstgalerie in Via Garibaldi waar ze werkt. Onderweg ontbijten we in de bar. ’s Middags nemen we samen een lunchpauze. En ’s avonds ga ik haar om ­halfacht weer afhalen. Zondag en maandag zijn haar vrije dagen, dus ook de mijne. Als ik tenminste niet in de flow van een nieuw boek zit, of tegen een deadline aanhik. (lacht) Een bohemien kun je mij niet meer noemen.”

Heeft het afkicken van de drank pijn en moeite gekost?

“Het was wel zwaar, ja. Veruit het moeilijkste wat ik ooit heb gedaan. Het is een keiharde verslaving, hè. Ik had weliswaar geen fysieke afkickverschijnselen, tremoren en zo… (denkt na) Het lastigste was nog dat ik mezelf helemaal moest ­heruitvinden. Ik was mijn identiteit kwijt. Het drinken was zo verknoopt geraakt met wie ik was, of met wie ik dacht dat ik was, dus toen dat wegviel...”

U was inderdaad een exhibitionistische drinker. U liep te koop met uw drankverslaving, uw publieke persona was er helemaal op gebaseerd.

“Ik was er trots op, ja. Niemand kon zo veel drinken als ik! Ik was de grootste drinker van mijn generatie! Toen ik net gestopt was, ging ik hier af en toe op een terrasje zitten met een kopje koffie. Ik herinner me dat ik mij daarvoor scháámde. Ik schaamde me omdat ik geen alcohol dronk. Ik wilde liever niet dat de mensen mij zo zagen. Met dat armzalig kopje koffie voor m’n neus. Zoals ik zei: ik moest mezelf helemaal opnieuw opbouwen, van de grond af.”

En uiteraard waren er volop mensen die zeiden: komaan Ilja, eentje zal wel geen kwaad kunnen.

“Ja, vooral in Nederland. En in België, nog erger!”

Is het soms nog moeilijk?

“Nu niet meer, maar in het begin was het een gevecht. Toen was ik echt voltijds bezig met niét te drinken. Ik werkte op dat moment aan mijn Brieven uit Genua. Dat was achteraf gezien een gelukkige samenloop van omstandigheden, zowel voor mezelf als voor dat boek. Ik had het opgevat als één groot zelfonderzoek, waardoor ik de mogelijkheid creëerde om te analyseren en te verwoorden wat ik meemaakte, en waardoor ik het vanaf een bepaald moment ook beter begreep en beter onder controle kreeg. Schrijven was toen echt therapeutisch. Bovendien had ik mezelf de spelregel opgelegd dat ik absoluut niks mocht verzinnen. Dus mijn afkick was ineens ook de inhoudelijke, verhalende wending die het boek nodig had. Die ogenschijnlijk losse verzameling brieven naar diverse geadresseerden ging ergens naartoe.

Ilja Leonard Pfeijffer

- geboren op 17 januari 1968 in Rijswijk (NL)

- studeerde klassieke letteren aan de Leidse Universiteit, waar hij enkele jaren werkt als onderzoeker en docent

- poëziedebuut Van de vierkante man (1998) wint de C. Buddingh-prijs

- debuutroman Rupert, een bekentenis (2002) wint de Anton Wachterprijs

- internationale doorbraak met La Superba (o.m. Libris Literatuurprijs) met een hoofdrol voor de Italiaanse havenstad stad Genua waar hij sinds 2008 woont en werkt

- bestseller Grand Hotel Europa verschijnt eind 2018, meer dan 150.000 exemplaren verkocht en vertaald in 13 talen

- columnist in HP/De Tijd, schrijft voor toneel, publiceert essays en schrijft een wekelijks sonnet voor NRC Handelsblad

“Maar wat er ook van zij: ik had het nooit gekund zonder Stella. Stoppen met drinken was in eerste instantie mijn offer voor haar, want het was haar voorwaarde om met mij een relatie aan te gaan. Ik wilde niets liever, ik wilde niets anders. Het heeft een tijdje geduurd voor ik durfde toe te geven dat ik het ook voor mezelf heb gedaan. Ik moést stoppen, want het ging niet goed met mij. (stil) Nu is het mijn overtuiging dat je een alternatief verhaal voor jezelf nodig hebt om van zo’n zware verslaving af te komen. Als je jezelf niet wijsgemaakt krijgt dat een nieuw leven mogelijk is, lukt het gewoon niet. Stella was voor mij een práchtig alternatief verhaal. Ik moest een nieuw leven zien te verzinnen voor mezelf. Met Stella was dat een plezier om te doen, zonder Stella zou het me nooit gelukt zijn. Ik zou niet eens op het idee zijn gekomen dat de drank slecht voor me was.”

Het feit dat Grand Hotel Europa niet eens werd opgenomen in de longlist van kanshebbers op de Bookspot-literatuurprijs, de opvolger van de AKO-literatuurprijs, raakt dat in het licht van wat voorafging uw kouwe kleren nog?

(ernstig) “Van Grand Hotel Europa werden inmiddels meer dan 150.000 exemplaren verkocht en er staan dertien ­vertalingen op stapel. Dus het prijzengeld heb ik niet nodig.

“Maar ik vind het wel vreemd. Als het meest succesvolle en vrij unisono de hemel in geprezen boek niet eens de longlist haalt, lijkt dat een statement. Alleen: dat is het niet, want alle andere boeken die je logischerwijze kon verwachten staan er wel in. Het is dus geen consequente keuze voor het minder commerciële maar literair des te waardevollere boek of zo. Iedereen is er bij, behalve ik. Ik ben nog ­niemand tegengekomen die me kan uitleggen waarom. (pretoogjes) Ha, daar komt Stella. Misschien weet zij het.”

Ondraaglijke lichtheid verscheen deze week bij Prometheus, 120 p’s, 12,99 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234