Woensdag 08/02/2023

InterviewBoeken

Schrijver David Grossman: ‘Ik zie een wereld die verscheurd is. En er zijn mensen die het willen vernietigen’

David Grossman, thuis in Mevaseret Zion, Israël. ‘Als IsraëliërsPalestijnen gaan zien met al hun complexiteiten, zullen ze een zeer dringende morele eis het hoofd moeten bieden: de bezetting van een medemens.’ Beeld Corinna Kern/laif
David Grossman, thuis in Mevaseret Zion, Israël. ‘Als IsraëliërsPalestijnen gaan zien met al hun complexiteiten, zullen ze een zeer dringende morele eis het hoofd moeten bieden: de bezetting van een medemens.’Beeld Corinna Kern/laif

Hij verloor een zoon in de oorlog en zijn werk heeft een diep-Joodse ziel, maar David Grossman (68) laat zich niet voor de politieke kar spannen. Liever kijkt hij empathisch naar alle personages die zich, ook in het echt, aan hem openbaren. ‘Het boek heeft mij gered.’

Simone Korkus

Zijn woonkamerraam in Mevaseret Zion, een plaatsje ten noordwesten van Jeruzalem, biedt een spectaculair uitzicht op het Judea­gebergte, met de contouren van de nieuwbouwwijken van Jeruzalem en erachter de ommuurde Westelijke Jordaanoever. Het is ook het landschap van een jarenlange realiteit van een voortdurende staat van oorlog, van een politiek, militair en religieus conflict waarin de wereld steeds enger en kleiner wordt. De angst om gewond te raken of gedood te worden of ondraaglijk verlies te lijden heeft het Beloofde Land in zijn greep en de taal van zijn bewoners verwordt tot een aaneenschakeling van clichés en slogans om zichzelf en de vijand te beschrijven.

Het is juist in dit problematische landschap dat David Grossman, die eind vorige maand de Erasmusprijs ontving, schrijft over intimiteit tussen mensen: over de jaloezie van een man ten opzichte van zijn vrouw, over dakloze kinderen in Jeruzalem, over de eenzaamheid van de Bijbelse Samson en over hoe de wreedheid van de oorlog een familie binnendringt en verscheurt. Hij schrijft over het leven van zijn land, Israël, en beroert de oneindige mogelijkheden van humaniteit die ons mensen verbindt.

Wat als eerste opvalt, nu hij op deze nazomerdag tegenover mij zit, is hoe nederig hij is, broos bijna, met bescheiden gebaren en een zachte stem. Als een literaire E.T., alsof ze hem van een andere planeet hebben gestuurd, iemand die extra gevoelig is, bijna zonder huid, om alle fragmenten van de menselijke samenleving waarin hij leeft te ontdekken. Hij kijkt me recht in de ogen, dan even op zijn horloge, niet om ons gesprek te timen, maar hij heeft straks opa­dienst. Zodra hij begint te spreken, begrijp je de innerlijke kracht en emotionele betrokkenheid die hem tekent.

BIO

geboren in 1954 in Jeruzalem • schrijft zowel kinderboeken, romans als essays • brak internationaal door met zijn roman Zie: liefde (1990) • kreeg in 2017 de International Booker Prize voor zijn boek A Horse Walks into a Bar, in het Nederlands vertaald als Komt een paard de kroeg binnen • spreekt zich regelmatig uit voor vrede in het Midden-Oosten

“Ik zie een wereld die niet alleen verscheurd is”, zegt Grossman. “Er zijn mensen die hem aanhoudend verder proberen te vernietigen. Ik geef toe dat het steeds moeilijker wordt om te geloven dat er nog een mogelijkheid is om iets te herstellen, en toch blijf ik het proberen. Als we het opgeven, dan hebben we deze oorlog verloren, dan zijn we verslagen. We kunnen ons de luxe van totale wanhoop niet veroorloven, want dan laten we de wereld in een helse situatie achter.

“Ik geloof dat wij, schrijvers, samen een ongrijpbaar spinnenweb kunnen weven, dat een enorme kracht heeft, een wereldveranderende en wereldscheppende kracht, de kracht om de stommen te laten spreken en de kracht van wat de joden tikkun ha olam noemen: het herstel van de wereld, in de diepe betekenis die het heeft in de kabbala.”

Liberale zionist

De levensloop van David Grossman valt samen met de ontwikkeling van de staat Israël. Hij is een tzabar, een in Israël geboren jood, en kwam zes jaar na de geboorte van de staat, in 1954, in Jeruzalem ter wereld. Zijn moeder, nog onder het Britse mandaat in het toenmalige Palestina geboren, was huisvrouw en zijn vader, een jonge joodse immigrant uit de Poolse provincie Galicië, werkte als buschauffeur om zijn gezin te onderhouden. Hij liet zijn achtjarige zoon de boeken van Sjolem Alejchem lezen om het oude leven in de diaspora, in de sjtetls, niet te vergeten. Een jaar later won Grossman een radio­quiz over Sjolem Alejchem en werd hij als acteur en kinderverslaggever ingehuurd bij Kol Israel, de Israëlische staatsradio.

Tijdens de verplichte legerdienst van drie jaar en kort na de Jom Kippoer-oorlog, in 1973, ontmoette hij een nieuwe dienstplichtige soldate, Michal Eshel, die later zijn vrouw en de moeder van zijn kinderen zou worden. In die tijd waren zijn politieke opvattingen conventioneel: Israël, omringd door vijanden, was voorbestemd om een eeuwige oorlog te voeren en overleven was noodzaak. Maar door Michal ging hij op een andere manier naar de werkelijkheid kijken en werd hij een criticus van Israël, een liberale zionist.

Hij keerde terug bij de radio als journalist en nieuwslezer en ging in zijn vrije tijd fictie schrijven. Om Grossmans eigen metafoor te volgen is het alsof je een kluwen garen ontwart en langzaam uit hem trekt. Zijn romans, verhalen, kinderboeken, essays en non-fictie volgen elkaar in een snel tempo op. Het ene verhaal haalt het andere aan en alles beklijft. Maar zijn literaire carrière begon met een eenvoudig doch voor hem levensveranderend incident.

“Zo’n veertig jaar geleden reed ik in de bus naar mijn huis in Talpiot,” vertelt hij, “een wijk van Jeruzalem. Het was een Israëlische bus, modern, nieuw en goed uitgerust. Vlak naast ons reed een Palestijnse bus en die zag er verschrikkelijk uit, oud, vies en rommelig. Ik schrok van de gezichten van de Palestijnse passagiers. Die leken zo verschrikkelijk verslagen. Ik had het nooit vanuit dit oogpunt gezien.

“Israël had in 1967 de Westoever bezet. Het verschil tussen degenen die hadden gewonnen, wij Joden, en degenen die hadden verloren, de Palestijnen, was zo evident dat ik ervan schrok. Ik bedacht hoe vreselijk het moest zijn dat het leven van deze Palestijnse passagiers bij voorbaat verloren was. Wat zou het betekenen als je intimiteit zo wordt geschonden en niemand je toestemming vraagt om ’s nachts je huis binnen te vallen om je te zien vrijen met je vrouw? Wat betekende het als alles van de bezetter is: jouw tijd, jouw eer, jouw dorp en huis en je geld?”

Deze gedachten waren de aanleiding voor zijn eerste roman en bestseller uit 1983, De glimlach van het lam, die zojuist in Nederlandse herdruk is verschenen. Het verhaal is gedeeltelijk op de Westelijke Jordaanoever gesitueerd en vertelt in vier verschillende stemmen in een monologue intérieur het verhaal van een jonge soldaat, Oeri – het gelijknamige lam – die bevriend raakt en vervolgens gegijzeld wordt door Khilmi, de half blinde, bejaarde Palestijnse verhalenverteller.

Khilmi’s garen worden gesponnen in een loom en koortsig proza, een hybride vorm van stream of consciousness en de poëtische, bijna muzikale frasering van de folkloristische Arabische verhalenvertelling. In de roman schildert Grossman het janus­gezicht van de mens en van het Israëlische zelfbeeld, en schetst hij een nogal somber beeld van de wereld.

Wat dit verhaal, zoals al het werk van Grossman, zo universeel, tijdloos en nu zo urgent maakt, is dat hij kwesties van eerlijkheid en identiteitsfraude aanhaalt en de lezer vooral confronteert met zijn eigen vooroordelen en met de drang van ons, westerlingen, om in stereotypen en opposities te denken. We zien: de Jood en de Arabier, de Asjkenazische Holocaustoverlevende en Sefardische jood, vrouw en man, de oude generatie Arabieren en de gewelddadige jongeren.

De methode die Grossman hanteert doet denken aan de deconstructie van de filosoof Jacques Derrida. Die probeert de westerse wereld te ontdoen van zijn tegenstellingen van ‘goed’ en ‘fout’, positief en negatief. Net zoals de lezer het landschap en de rolverdeling heeft geaccepteerd, haalt Grossman het beeld onderuit en zien we dat de joodse Oeri en de Palestijnse Khilmi samen tegen de bezetting opkomen. Maar ook deze verdeling wordt weer aan diggelen gegooid, en dan pas begrijp je als lezer dat je de verdeling in groepen moet loslaten. Er is niet slechts één narratief, zelfs de glimlach van het lam wordt een grimas.

Herboren worden

Ik zeg tegen Grossman dat zijn boek mij erop attendeert dat ik – al werk ik al meer dan twintig jaar in Israël – soms ook nog in opposities denk en mezelf ertoe aanzet om steeds weer op een humane manier naar de acteurs van de bezetting te kijken. Hij glimlacht breed. Er is voor hem weinig aangenamer in het leven dan het loskoppelen van stereotypen, als bij iemand die eerder gevangen zat in vooroordelen de buitenkant, de uiterlijkheid begint te breken en er iets vloeibaars, menselijks tevoorschijn komt.

Kijk wat het bezoek van Egyptisch president Mohammed Anwar Sadat in 1977, de eerste Arabische leider die Israëlische bodem betrad, met de Israëliërs heeft gedaan. Toen Sadat, de bittere en gehate vijand van Israël, in Tel Aviv uit zijn vliegtuig stapte, zag de grote groep Israëliërs die zich om het vliegtuig had verzameld plotseling een mens voor zich − iets wat bevroren was, begon te smelten. Door de stereotypen te doorbreken herwonnen Israëliërs hun menselijkheid, althans voor heel even.

“Telkens als ik Palestijnen en Egyptenaren ­ontmoet”, zegt Grossman, “realiseer ik me ook dat ik geen gebruik meer kan maken van de onjuiste stereotypen die ik geleerd heb, en dat ik mezelf moet blootgeven aan die andere persoon, die zijn of haar authenticiteit uitstraalt.

“De complexiteit van de mens, de innerlijke tegenstellingen, de stroom van driften en passies en angsten, dit alles is aanwezig, maar we blokkeren het omdat we het niet onder ogen kunnen zien.

“Als Israëliërs – ik heb het hier over mijn volk omdat ik niet voor andere volkeren kan spreken, maar ik neem aan dat voor anderen hetzelfde geldt – Palestijnen gaan zien met al hun complexiteiten, zullen ze een zeer dringende morele eis het hoofd moeten bieden: de bezetting van een medemens. Op dit moment kunnen Israëliërs hun bestaan voortzetten omdat ze de Palestijnen niet zien. Wat ik probeer te doen in De glimlach van het lam, maar ook in mijn andere verhalen waarin een botsing van narratieven voorkomt – hetzij tussen een man en een vrouw, of tussen het lichaam en de ziel – is aantonen dat elke dimensie van het leven, ieder personage zijn eigen menselijke verhaal heeft. En elke keer dat ik daarover schrijf, heb ik het gevoel dat ik herboren word.”

Het verhaal van De glimlach van het lam is in wezen de botsing tussen onschuld en nuchterheid. Grossman was gefascineerd door de botsing van onschuldige mensen, het onverwoestbare en onveranderlijke van de wereld, met de brutaliteit en wreedheid ervan, en degenen die overal oorlog zien, die alles voorvoelen, die constant in oorlog zijn om te overleven en daarin zo gedreven zijn dat het leven alleen nog maar overleven wordt. De Israëlische militair Katsman kijkt naar de glimlach − een glimlach die hij zelf heeft gecreëerd omdat hij de naïeve soldaat Oeri geprogrammeerd heeft om zo nuchter, zo lelijk en agressief mogelijk te zijn − en Katsman weet dat dit zijn grootste misdaad is.

Een Israëlische luchtaanval heeft een woning­blok in Gaza vernield, mei 2021. Gross­man: ‘Wij allemaal, Palestijnen en Israëliërs, zijn potentiële slachtoffers van de situatie.’ Beeld NYT
Een Israëlische luchtaanval heeft een woning­blok in Gaza vernield, mei 2021. Gross­man: ‘Wij allemaal, Palestijnen en Israëliërs, zijn potentiële slachtoffers van de situatie.’Beeld NYT

“De nuchteren,” zegt Grossman, “zijn degenen die niet geloven dat er ooit iets goeds kan bestaan tussen de twee volkeren, de Israëliërs en de Palestijnen. Het is de botsing tussen de tmimim (onschuldigen in het Hebreeuws, red.) en de nuchteren, die universeel is.”

In de roman verwoordt Oeri Grossmans gedachte, leg ik hem voor. Ik citeer: ‘Het is net als met leugen-tikkertje: zodra je iemand onrecht doet, word je zelf door het rad meegesleurd. Alsof je een deel van jezelf aan het onrecht verpand hebt en voortaan altijd en overal zijn bode bent. Je blijft voor de rest van je leven beschadigd, ook al vertoon je geen uiterlijke symptomen.’

“Misschien,” zegt Grossman, “kan alleen iemand als Khilmi, een Palestijnse zot die het grootste deel van zijn leven in de verbeelding leeft, hopen op een situatie die tegenwoordig wel sumud genoemd wordt – standvastigheid in het Arabisch; men handhaaft zich.

“Als Khilmi Oeri gijzelt en als ultimatum stelt dat het Israëlische leger zich volledig moet terugtrekken omdat hij anders Oeri zal doden, dan is deze totale eis van gerechtigheid, wetende dat hij absurd is, zijn kracht, want hij vraagt het uiterste. Hij zal geen compromis sluiten voor halve beloften, hij wil alles omdat de bezetting die bruut is en alles en iedereen corrumpeert – zowel de bezetter als de bezette mens – al te veel heeft geëist. Er zit zelfs enige zuiverheid in die eis, terwijl je weet dat hij nooit gehonoreerd zal worden.”

Fysieke sensatie

Grossman kruipt als het ware in de huid van zijn personages, alsof hij zelf die personen wordt. Het lijkt of ze met de lezer praten om zich van een emotionele last te ontdoen, alsof ze ons hun ziel tonen, en ik vraag me af of Grossman de therapeut van zijn personages is of dat de personages zijn therapeuten zijn? Of is er een andere positie?

Grossmans lach schalt door de sober gemeubileerde ruimte. Nee, hij is geen therapeut, hoor. Dat laat hij aan zijn vrouw over, die psychologe is. Schrijvers kun je niet tot die positie beperken, dat is zelfs gevaarlijk. Terwijl hij even de ogen sluit, zegt hij dat hij zich laat verzwelgen door de personages in zijn boek. Dat gebeurt niet in ieder boek, helaas.

Grossman: “Ik loop soms maandenlang thuis te ijsberen. Mijn vrouw beklaagt zich al over de sleetse plekken in het tapijt. Maar als ik in die laatste fase kom, als ik geluk heb en genoeg moed, dan is daar ineens het moment waarop ik een ander mens word – een denkbeeldige mens natuurlijk, maar hij is nooit helemaal denkbeeldig omdat hij uit verschillende personen is opgebouwd – en luister. Het gevoel dat dan vrijkomt is zo puur en overweldigend, het is bijna een fysieke sensatie. Wie ik zelf ben? Al die personages in mijn boeken. Dit gevoel is misschien niet mijn inspiratiebron in de traditionele zin, maar ik voel dat het de oorsprong is van mijn behoefte om te schrijven.”

Zo verandert Grossman in Zie: liefde moeiteloos in een kind van de Holocaust, in Het zigzagkind in de dertienjarige criminele Nono, en in Komt een paard de kroeg binnen in een stand-upcomedian op zijn retour.

Als ik zeg dat hij als het ware als een jong kind naar de wereld kijkt, nog zonder alle aangeleerde conventies, immuun voor sarcasme en permanent op zoek naar de waarheid die hij tijdens het schrijven vindt en voelt, knikt hij bevestigend. Hij heeft ook geen vooropgezet plan; ineens is er het moment waarop hij begrijpt wat hem op deze reis heeft gezonden en wat de kern van het boek is.

“Wat voor lol zit er nu in het beheersen van een verhaal? Ik worstel al een jaar met een nieuw idee en nee, ik kan nog niet vertellen waarover het gaat. Ik zou de voortgang van het boek kunnen bepalen door te beslissen dat ik scenario A of B volg. Het zou het schrijven vergemakkelijken, maar ik verbied mezelf om die beslissing te nemen. Ik zoek steeds de plaats waar ik smelt, en niet waar ik beslis. Het is een combinatie van verliefd en kritisch zijn. Ik heb een vreemd levensritme waarin ik ’s ochtends schrijf en ’s middags schrap wat ik geschreven heb. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, want als een personage dringend contact met mij zoekt, ren ik als een kind met een schepnetje achter vlinders aan.”

Schnitzels bakken

Grossman is veranderd. Toen hij 36 jaar geleden Zie: liefde schreef, had hij geen kinderen en was schrijven bijna het enige wat hij wilde doen. Door de geboorte van zijn drie kinderen heeft hij begrepen dat schrijven pas optimaal wordt door contact met het leven zelf, en dus met je kinderen.

“Ik geef toe dat er een permanente spanning was tussen de passie om te schrijven en de drang om hun vader te zijn. Ik weet nog dat ik, als de school uitging, met moeite al mijn personages in de steek liet, mijn computer uitzette en opsteeg naar het woonkamer- en keuken­niveau om de realiteit van het spaghetti koken en schnitzels bakken te omarmen. Maar ik had die tijd voor geen goud willen missen. Het is zo’n wonder dat kinderen zonder het je te vragen hun bestaansrecht claimen. De wereld wordt gevormd door hun humeur, door hun houding ten opzichte van jou als ouder, en zo creëren ze onmiddellijk een nieuwe werkelijkheid.”

In de foto op de boekenkast lacht een van die kinderen, een twintigjarige roodharige uitvoering van Grossman, ons verlegen toe. Zijn naam, Oeri, valt in ons gesprek regelmatig. Terwijl Grossman Een vrouw op de vlucht voor een bericht schreef, brak in juli 2006 de Tweede Libanon­oorlog uit. Zoals de meeste verhalen van Grossman kwam deze nieuwe roman voort uit een gevoel van dreiging, dat hij het hoofd wilde bieden om er niet het slachtoffer van te worden. Oeri was als tankcommandant bij een militaire actie in Libanon ingezet, en de roman gaf Grossman het gevoel dat hij hem vergezelde. Net als de hoofdpersoon Ora geloofde hij in magisch denken: het schrijven van het verhaal zou een soort bescherming bieden.

Grossman was zeer gekant tegen deze zinloze oorlog en had samen met zijn vrienden Amos Oz en A.B. Yehoshua op 10 augustus 2006 tijdens een persconferentie in Tel Aviv een openbare verklaring afgelegd waarin hij een staakt-het-vuren van de Israëlische regering eiste. Maar de toenmalige premier Ehud Olmert had andere plannen en de grondoorlog werd uitgebreid. Op zondag 13 augustus werd rond drie uur ’s nachts op de voordeur van de Grossmans geklopt. Door de intercom zei een stem dat hij van het kantoor van de burgemeester kwam. Op dat moment wist Grossman dat zijn zoon gesneuveld was en dacht: dat is het, ons leven is voorbij.

Oeri’s tank was op zaterdagavond door een Hezbollah-raket getroffen. Hij overleed onmiddellijk. De cynische speling van het lot is dat het staakt-het-vuren een dag later inging. Enkele dagen geleden vond Oeri’s azkara plaats, de jaarlijkse joodse herdenking voor een overledene.

In de stilte die even tussen ons valt, spreekt nauwelijks hoorbaar de leegte van een immens gemis. Een verdriet dat heel privé is.

Grossman slikt en keert naar me terug vanuit een wereld en een herinnering die alleen hij kan zien. “Na het bericht dat Oeri gesneuveld was stonden mijn beste vrienden, de nu overleden Amos (Oz) en Boeli (A.B. Yehoshua) de volgende ochtend al om negen uur op de stoep. We omhelsden elkaar, we huilden samen.

“Amos, Boeli en ik ontmoetten elkaar regelmatig en we spraken dan over ons werk. Nu zei ik dat ik niet dacht dat ik het boek zou kunnen redden. Absurd natuurlijk, want ik bedoelde te zeggen dat ik Oeri niet had kunnen beschermen, maar Boeli antwoordde: ‘Het boek zal jou redden.’ En dat gebeurde. Na de sjiva, de zeven rouwdagen, ging ik iedere dag naar mijn werkplek. Aanvankelijk kon ik maar een halfuur schrijven, maar heel geleidelijk lukte het me toch om leven in de personages te injecteren. Er was zelfs een gevoel voor humor, seksualiteit en passie.

“Ik had gedacht dat ik de dood van mijn kind niet kon overleven, maar hier was ineens het leven en ik voelde een soort verantwoordelijkheid voor de personages. Ik trachtte de grens tussen leven en dood te overschrijden, maar er was niets. Ik ben niet gelovig, al geloof ik in de onschendbaarheid van het menselijk leven en heb ik wekelijks mijn bijbelstudiegroep, de chavroeta. Ik heb niet het comfort van het hiernamaals, maar ik heb de plaats gevonden waar ik tegelijkertijd in de uiterste vitaliteit van het leven en in de totale duisternis van het niets, de dood, kan zijn, namelijk door proza en poëzie te schrijven of muziek te maken. In totale onderwerping.”

Sinds de dood van zijn zoon lijken zijn politieke standpunten ook urgenter te zijn geworden. Hij geeft in Israël regelmatig speeches die appelleren aan een gevoel van menselijkheid. “Ik weet hoe hoog en pijnlijk de prijs is die we betalen om in deze situatie te verkeren”, zegt hij. “Voor mij maakte het verlies van een dierbare dit duidelijk. Maar wij allemaal, Palestijnen en Israëliërs, zijn potentiële slachtoffers van de situatie.”

Fiddler on the tank

Grossman geeft om Israël en straalt als hij zegt dat het eigenlijk een wonder is dat het Joodse volk drie jaar na het einde van de Shoah en alle vervolgingen die eraan voorafgingen een eigen staat heeft opgebouwd met cultuur, landbouw, veeteelt, hightech, industrie en een leger. In de diaspora verlangden de joden naar Zion en fantaseerden over Eretz Israel, over de schoonheid van dit land en hoe de vruchten groot en sappig waren en de straten geplaveid met goud.

“Goddank kregen we een eigen land”, zegt hij. “Maar Israël was niet zo mooi als in onze droom. De Joden werden experts in de verbeelding van een deel van de realiteit en negeerden de bezetting, of wisten deze uit hun geheugen. Er zijn zelfs snelwegen die de problematische bezette gebieden omzeilen. Van het romantische Fiddler on the Roof in de sjtetl in Europa werd het fiddler on the tank.”

Grossman demoniseert Israël niet en is niet pro-Palestijns of tegen het leger. Hij ziet dat de wens om een adequate vijand te zijn in zijn land de mens verteert. Israël profileert zichzelf als een democratie. Maar democratie komt voort uit een diep geloof dat mensen vanaf hun geboorte in de basis gelijk aan elkaar zijn en dat ieder mens het recht heeft om over zijn of haar lot te beslissen. Dat geloof ontbreekt na 55 jaar bezetting.

“Als je bezetter bent,” zegt hij, “begin je onvermijdelijk te geloven dat er een soort hiërarchie in de levenswaarden van de mens is. Je gelooft dat de verslagenen van nature verslagen zijn en verslagen moeten worden. Waarom zouden we ons terugtrekken, vraagt de gemiddelde Israëliër zich af. Af en toe is er een Palestijnse explosie van bitterheid en woede en worden hier en daar op veel grotere schaal mensen vermoord, maar de Israëliërs leven in een realiteit, met alle intensiteit en vitaliteit van dien, in totale ontkenning van waar deze realiteit van gemaakt is. Dat is geen democratie.”

null Beeld rv
Beeld rv

Ik wijs op de muis in Kafka’s korte verhaal Kleine fabel, die als de val sluit en de kat erachter opdoemt, zegt: ‘Ach, de wereld wordt met de dag kleiner.’ Grossman knikt. De wereld wordt dagelijks enger en iedereen die daarop wijst en de waarheid blootlegt, wordt door Israël als vijand gezien. Dat geldt ook voor hem, want hij wordt door sommigen een verrader van Israël genoemd.

In veel kennis schuilt veel verdriet, zegt Prediker 1:18. Het trieste nieuws is dat Grossmans pijn groeit naarmate het verschil groter wordt tussen wat hij voor zijn land en de wereld wenst, en de feitelijke situatie waarin het land en de wereld zich bevinden. Toch ziet hij nog steeds een alternatief. “Een samenleving in crisis,” zei hij ooit, “leert zichzelf in één verhaal te stollen en ziet de werkelijkheid door een zeer nauwe bril. Maar er is nooit maar één verhaal.”

Hij voegt daar nu aan toe dat elk land, elk volk zijn bestaansverhaal, het verhaal waarmee het de kinderen heeft opgevoed, het verhaal dat essentieel was voor zijn oprichting en waarin het zijn burgers als engelen en de anderen als duivels ziet, kan veranderen. Zoals een mens die in zijn jeugd door zijn vader geslagen is er nu vanuit een ander perspectief – misschien vanuit zijn moeder – naar kan kijken om tot nieuwe inzichten voor zichzelf te komen, zo kan een staat zijn officiële verhaal bijstellen, milder maken. “Als we het verhaal van elkaar begrijpen kunnen we ons weer verbinden, en die gedachte stemt tot hoop.”

Er klinkt gestommel achter me. Grossman kijkt op en glimlacht. De kleinkinderen zijn gearriveerd. Ze zullen hem vergezellen bij de Erasmusprijs-­uitreiking in Amsterdam. “Ze willen van jou weten of ze een buiging voor de koning moeten maken”, knipoogt hij.

David Grossman, De glimlach van het lam, Cossee, 400 p., 26,99 euro. Herdruk, vertaling Shulamith Bamberger.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234