Woensdag 17/07/2019

Interview Huis van Hiele

Schrijfster Lize Spit: ‘Mijn schrijverschap staat op het spel’

Lize Spit: ‘‘Dat getob van mij stopt eigenlijk nooit. Toen ik aan mijn nieuwe boek begon, hoorde ik de mensen al zeggen: ‘Het is slecht, Spit, je kunt het niet’.’ Beeld Bob Van Mol

Lize Spit (30) heeft er een woelig jaar opzitten.  Ze  worstelde een tijdje met de opvolger van Het smelt en brak onlangs met haar grote jeugdliefde. Maar voor u haar een pakketje medelijden stuurt: ze redt zich wel. ‘Ik moet aan mezelf bewijzen dat ik het nog kan.’

Een zwoele zomeravond op een zonovergoten terras, in het gezelschap van krekels die net zo lang gaan opblijven als wij”, had ik Lize Spit beloofd. Maar wanneer we midden juni op het landgoed van Willem Hiele staan, is de realiteit toch juist even anders: het thermometerkwik is naast het twaalfgradenstreepje in slaap gesukkeld, de wind speelt Mikado met gesneuvelde boomtakken en de regenwolken tonen zich nog onverzettelijker dan Colombiaanse syndicalisten.

We verschuilen ons dan maar in het als restaurant gereïncarneerde vissershuisje, waar herfstige gezelligheid – vertegenwoordigd door een houtvuur, een piano en behaagzieke lampen – het gebrek aan zomerse warmte compenseert. Lize Spit vindt het allemaal best: een zomermens is ze toch niet. “In de zomer kun je je niet induffelen, je moet je tonen. Eind september denk ik vaak: ‘Het is nu wel goed geweest met die zomer. Ik wil me opnieuw in mijn cocon nestelen.’”

BIO • geboren in 1988 • groeide op in Viersel • behaalde een master Scenario aan het RITCS • is gastdocent Schrijven aan de LUCA School of Arts In Brussel • debuteerde in 2016 met Het smelt, bij uitgeverij Das Mag • won in 2016 de Bronzen Uil • woont in Brussel

Het is een hele tijd geleden dat ze nog een interview gaf. En dat is eraan te horen. Al na een minuut zegt ze: “Ik ben een beetje zenuwachtig. Ik vraag me af of ik wel interessant genoeg zal zijn.” Tien minuten later meldt ze: “Ik geneer mij een beetje omdat ik voortdurend aan het woord ben. Zullen we de rollen eens omdraaien? Ik wil jou ook weleens wat vragen stellen.”

Na een uur vraagt ze: “Vind je het niet vervelend dat ik je als mijn psychiater behandel? Als je je aan me ergert, moet je het zeggen, oké?” En wanneer ik haar halverwege ons gesprek vraag of ze al wat minder zenuwachtig is, antwoordt ze: “Ja. Al ben ik nu weer bang dat ik te openhartig ben. (lacht) Ik hoop maar dat je lezers niet gaan denken: ‘Die Lize Spit zouden ze toch wat beter tegen zichzelf mogen beschermen’.”

Mocht u er nog aan twijfelen: Lize Spit – auteur van het overal bejubelde, meermaals bekroonde en aan talloze kassa’s ingescande Het smelt – is een fervent piekeraar. “Vraag me niet waarom, maar toen ik van mijn B&B naar hier wandelde, was ik bang dat mijn ring in een rioolput zou vallen. Ik beeldde mij al in wat ik dan zou doen: ik zou eerst een omgevingsanalyse maken om te onthouden in welke rioolput mijn ring precies is terechtgekomen en vervolgens zou ik in Koksijde iemand zoeken die mij kan helpen om de put open te maken en mijn ring eruit te vissen. (lacht)

“Dat getob van mij stopt eigenlijk nooit. Ik pieker zelfs tijdens het schrijven. Toen ik aan mijn nieuwe boek begon, zag ik de gezichten voor me van mensen en recensenten die me zeiden: ‘Het is slecht, Spit. Je kunt het niet.’

“Ik anticipeerde ook al op de interviews die ik over mijn tweede boek zal moeten geven. Ik vroeg mij af: ‘Als ik straks zeg dat ik tijdens het schrijven een moeilijke periode heb gehad, zullen de mensen dan niet denken dat ik het succes niet aankan?’ Tijdens het schrijven van Het smelt voelde ik me veel vrijer. Ik was onzichtbaar toen. Nu zijn er zoveel blikken om rekening mee te houden.”

Je kunt ook voor een J.D. Salinger-bestaan kiezen: nog wel publiceren, maar niet meer in de openbaarheid komen.

Lize Spit: “Nee, dat is niks voor mij. Ik wil gezien worden, tonen wat ik in mij heb. Maar dat neemt niet weg dat ik het soms moeilijk heb met mijn status van bekend figuur. Op Twitter schreef iemand ooit: ‘Telkens als Lize Spit in Van Gils & gasten zit, sterft er een goeie schrijver’. Als ik zoiets lees, word ik misselijk. Die publieke reacties, en de occasionele hardheid ervan, raken mij. Toen ik na mijn meest recente tv-optreden een taxi naar huis nam, schoof de taxichauffeur mij een suikerwafel toe. Uit medelijden, omdat hij zag hoe ontredderd ik was. Ik moet nog leren dat ik niet door iedereen leuk gevonden kan worden.”

Lize Spit: ‘Wat minder vaak herkend worden, mag ook. Een tijd geleden zat ik in Japan naakt in een sauna. Waren daar toch wel drie mensen die ‘Het smelt’ gelezen hadden, zeker?’ Beeld Bob Van Mol

Heeft chronisch gepieker ook voordelen?

“Natuurlijk, het is een essentieel onderdeel van mijn schrijverschap. Al dat nadenken en twijfelen maakt me tot de schrijfster die ik ben. Het is in mijn branche geen nadeel om alles op twintig verschillende manieren te bekijken en jezelf in andere mensen en situaties te verplaatsen.”

Kun je niet met jezelf afspreken dat je alleen nog piekert uit literaire overwegingen?

“Dat probeer ik ook: ik ga regelmatig naar een gedragstherapeut om mijn geprakkiseer een beetje in te dijken. Ik ben ook al eens in psychoanalyse geweest, maar dat werkte niet voor mij: ik probeerde de psycholoog voortdurend te imponeren met mijn vermogen tot zelfanalyse. (lacht) Bij mijn gedrags­therapeut hoef ik niet eens te proberen om te tonen hoe slim ik ben. De eerste keer dat ik hem bezocht, onderbrak hij mij al tijdens mijn eerste zin.”

Het léf.

(lacht) “Ik werd van mijn podium gehaald, ja. Maar dat was het beste wat mij kon overkomen. Ik heb geen psychoanalyse nodig, ik heb iemand nodig die mij nieuwe inzichten geeft. Iemand die mij leert om wat milder te zijn voor mezelf.”

Van Het smelt zijn ondertussen 200.000 exemplaren verkocht. Ben je soms bang dat je debuut - althans in verkoopcijfers - meteen ook het hoogtepunt van je carrière zal blijken te zijn?

“Ja. Al ben ik er nog niet helemaal uit of ik dat nu een beangstigende dan wel een bevrijdende gedachte vind. Ik denk wel dat ik het jammer zou vinden mocht mijn tweede boek minder graag gezien worden dan mijn eerste. Maar dan toch voornamelijk voor het boek zelf. Voor mij, als persoon, zou het geen ramp zijn om eens wat minder aandacht te krijgen. Wat minder vaak herkend worden, mag ook. Een tijd geleden zat ik in Japan naakt in een sauna. Waren daar toch wel drie mensen die Het smelt gelezen hadden, zeker? Dan laat ik mij eens gaan, word ik meteen tot de orde geroepen. (lacht) Maar voor alle duidelijkheid: ik klaag niet.”

Beeld Bob Van Mol

Heb je je weleens afgevraagd of je je succes wel verdient?

“Absoluut. Ik zie mijn doorbraak nog altijd niet als iets wat ik zelf verwezenlijkt heb, maar als het gevolg van een samenloop van omstandigheden. Succes is nooit alleen aan talent te danken. Mensen die ongegeneerd succesvol zijn – die in het middelpunt van de belangstelling staan en zeggen: ‘Laat maar komen die bewondering, ik heb dit dubbel en dik verdiend’ – vertrouw ik niet. Je mag je eigen aandeel in je succes nooit overschatten.”

Je debuteerde op je 27ste. Heb je met Het smelt al helemaal je eigen stem gevonden? Of verwacht je dat je stijl de komende jaren nog gaat evolueren?

“Ik hoop vooral dat ik nog beter ga worden. Maar los daarvan: de stem van Eva in Het smelt ligt heel dicht bij de mijne. Die zal wellicht ook in mijn volgende boeken nog weerklinken.”

Willem Hiele serveert noordzeegarnalen die hij in zijn begeleidend praatje promoveert tot ‘de kaviaar van de Noordzee’. De smaakpapillen van Lize Spit geven hem geen ongelijk. “Ik heb nog nooit zo lekker gegeten”, zal ze later op de avond in het beduimelde Het smelt-exemplaar van gastvrouw Shannah schrijven.

‘Wil je mijn boek signeren?’, was een tijdlang de vraag die haar het vaakst gesteld werd. Tegenwoordig is dat: ‘Wanneer verschijnt je tweede boek?’ Het antwoord op die vraag is nog niet verkrijgbaar. De enige stukjes informatie die wél al voorhanden zijn, is dat de nieuwe Spit vermoedelijk ‘in de eerste helft van volgend jaar’ op de markt komt en dat de auteur ervan momenteel niet één, maar twee boeken aan het schrijven is.

“Mijn tweede boek was op een gegeven moment tot zo’n kluwen uitgegroeid dat ik besloten heb om er twee boeken van te maken. Een van die twee boeken ben ik nu aan het polijsten. Maar het is nog niet helemaal zeker dat dat boek ook de opvolger van Het smelt wordt. Misschien werk ik eerst ook nog het derde boek af en beslis ik pas nadien welk boek ik als tweede uitbreng. Die keuze is niet onbelangrijk: met je tweede boek leg je je publiek vast.”

Word je door Das Mag niet aangepord om zo snel mogelijk met nieuw materiaal te komen?

“Ik denk dat ze stilaan wel iets terug willen zien van hun voorschot, ja. (lacht) Maar ze tonen veel begrip voor het feit dat ik niet overhaast te werk wil gaan. Na het succes van Het smelt heb ik wat tijd nodig gehad om mij opnieuw van de buitenwereld af te sluiten. Toen ik twee jaar geleden weer achter mijn laptop kroop, schreef ik te krampachtig. Bij elke zin dacht ik: ‘Mm, niet goed genoeg’. Alsof ik plots niet meer interessant durfde te zijn. Alsof heel Vlaanderen over mijn schouders meelas. Ondertussen heb ik de lezers en recensenten opnieuw van me afgeschud. En dat was nodig. Ik moet met de deur dicht kunnen schrijven. Zeker omdat het boek waaraan ik nu werk een vrij persoonlijk boek is.”

Bij Das Mag verschijnen wel vaker persoonlijke verhalen. Zijn boeken die diep geworteld zijn in het leven van de auteur bétere boeken?

“Ik denk dat schrijvers alles welbeschouwd het liefst over zichzelf schrijven. Dan hoeven ze al niet meer te twijfelen aan het bestaansrecht van het universum dat ze creëren. En ik vermoed dat de lezers – en zeker die van vandaag – ook graag wroeten in het leven van een auteur.

“Al weet ik wel zeker dat ze onderschatten hoeveel fictie er ook in zogenaamd persoonlijke boeken sluipt. Mijn redactrice schrok er altijd van hoeveel passages uit Het smelt ik volledig verzonnen bleek te hebben. Maar eigenlijk doet het er niet toe of iets waar is of niet. Wat telt, is dat je als lezer voelt dat schrijvers met hun boeken iets op het spel zetten. Dat ze niet voor de veiligste weg kiezen.”

Wat zet jij met je nieuwe boek op het spel?

“Mijn eigen schrijverschap. Ik moet aan mezelf bewijzen dat ik het nog kan, een boek schrijven. Op dit moment hoor ik heel vaak een stemmetje dat zegt: ‘Niemand gaat je tweede boek willen lezen, Lize’. Af en toe lees ik mijn vriend wat fragmenten voor uit mijn nieuwe roman. Dan vraag ik al na een halve minuut: ‘Mag ik nog verder lezen?’ Ik heb weleens moeite om te geloven dat iemand uit vrije wil naar mijn zinnen wil luisteren.’”

Lize Spit: ‘Ik gun het mezelf nog niet om níét te treuren om mijn ex. Mijn nieuwe appartement is eigenlijk een soort van strafkamp waarin ik mezelf verplicht om te rouwen.’ Beeld Bob Van Mol

Als fenomenale verkoopcijfers en lovende recensies je zelfvertrouwen geen boost geven, wat dan wel?

“Dat vraag ik mij soms ook af. (lacht) Ik wéét dat die lovende recensies bestaan. Maar het is net alsof ik ze niet helemaal vertrouw. Plus: ze hebben betrekking op een boek dat ik in het verleden geschreven heb, niet op het boek dat ik nú aan het schrijven ben.”

Vorig jaar schreef je op Facebook dat je tweede boek ‘een te beklimmen berg’ was, ‘met een voorlopig nog onzichtbare top’. De Standaard publiceerde prompt een stuk over jou met als titel ‘De ondraaglijke druk van het succesvolle debuut’. Daar was je niet blij mee. ‘Alsof het een zwakte is wanneer schrijvers de tijd nemen om met iets nieuws te komen’, reageerde je op Twitter.

“Op de sociale media van De Standaard luidde de titel van het stuk: ‘Lize Spit zit vast’. En de teneur van de rest van de tekst was: ‘Jonge schrijfster kan succes niet aan’. Dat was een wel heel sensatiebeluste benadering van een op zich vrij normaal gegeven: dat ik na mijn eerste boek wat tijd nodig had om mij te heroriënteren. Ik weet wel dat mensen dol zijn op rise and fall-verhalen, maar ik vond het toch jammer dat De Standaard mij tot een personage reduceerde. Onlangs was Peter Buwalda een gelijkaardig lot beschoren. Hoe vaak er in de media niet werd benadrukt dat hij acht jaar gewerkt heeft aan zijn nieuwe roman (‘Otmars zonen’, red.)! Terwijl ik soms denk: iederéén zou beter tien jaar wachten om een nieuw boek uit te brengen. Er wordt zo veel geschreven.”

Misschien was het wel de uitgeverij die ermee uitpakte dat Buwalda acht jaar gezwoegd heeft. Het is een niet te versmaden verkoopargument.

“Dat zou ook kunnen, natuurlijk. Ik krimp soms nog altijd in elkaar als ik denk aan hoe Het smelt destijds in de markt werd gezet. ‘Zo dik als een wetboek en zo genadeloos als een beul’, stond er in de aanbiedingsfolder. Dat was wel érg pompeus.” (lacht)

De zon prikt even door de wolken, Lize Spit en fotograaf Bob Van Mol haasten zich naar het strand om te doen alsof het zomer is. Wanneer de schrijfster drie kwartier later in verkleumde staat opnieuw het restaurant binnendwarrelt, vraag ik haar of ze nog even wil acclimatiseren voor we de conversatie weer aanzwengelen. “Nee hoor”, zegt ze. “We zijn tijdens de fotosessie eigenlijk niet gestopt met praten.” Handig, een fotograaf die de stembanden gesmeerd en de harten warm houdt.

Bij wijze van voorlopige conclusie noteren we dat het voorbije jaar voor Lize Spit behoorlijk onstuimig is geweest. Er was niet alleen een writer’s block die geen writer’s block was, er was ook relationele turbulentie: na twaalf jaar nam ze afscheid van haar grote jeugdliefde en ging ze alleen wonen in de Brusselse Zelfbestuursstraat. Straatnamen kunnen levens samenvatten.

“Mijn hersenen zijn moe”, zegt ze, nadat ze aan haar glas Bulgaarse wijn heeft genipt. Het is al wat later, de spitante schrijfster maakt steeds meer plaats voor de melancholische ziel. “Ik zit de laatste tijd ontzettend vaak te treuren. Om een mooie periode die voorbij is, maar ook om een toekomst die nooit meer gaat komen. Op weg naar hier had ik het gevoel dat mijn hersenen uit mijn schedel aan het barsten waren. Dat ik ze aan het overbelasten was.”

Schrijver Frederik Willem Daem zei drie jaar geleden in een dubbelinterview met jou: ‘Negentig procent van de debutanten gaat uit elkaar’. En kijk.

“Toen ik twee jaar na het verschijnen van Het smelt nog altijd samen was met Sam, dacht ik: ‘Zie je wel dat het kan. Debuteren en toch bij je lief blijven.’ Het is triest dat ik op die woorden moet terugkomen. Ook al ben ik degene die besloot te vertrekken: ik ben in rouw. Sam is nog altijd de belangrijkste persoon in mijn leven.”

Beeld Bob Van Mol

In het interview met Daem zei jij: ‘Wie debuteert, wordt ineens voor van alles en nog wat gevraagd. Als dat bij de andere persoon níét gebeurt, raken de verhoudingen uit evenwicht.’ Voelde je toen al wat er in je relatie te gebeuren stond?

“Nee, want mijn breuk met Sam heeft eigenlijk niets te maken met mijn debuut. Integendeel: onze relatie is na het verschijnen van Het smelt altijd mijn veilige haven én lanceerplatform geweest. Sam herinnerde mij aan wie ik was voor ik bekend werd. Ik vond het heerlijk om thuis te komen bij iemand die wist dat ik ooit zwart stekelhaar heb gehad, die mij al tien keer over de wc-pot had zien hangen en die in zijn telefoon foto’s bewaarde waarop ik een onnozele theemuts op mijn hoofd draag. Als je succes krijgt, heb je de neiging jezelf te idealiseren. Dan is het fijn als je iemand hebt die je met de voeten op de grond houdt. Ik denk niet dat Sam en ik elkaar zijn ontgroeid. Integendeel, ik denk dat we na twaalf jaar zo hecht verstrengeld waren, dat we niet meer konden groeien.”

In Drift, de recente roman van je vriendin Bregje Hofstede, gaat het hoofdpersonage ook bij haar jeugdliefde weg. Herkende je jezelf in het boek?

“Deels wel, natuurlijk. Maar het is niet zo dat ik bij Sam ben weggegaan omdat ik terug wilde naar de oerversie van mezelf. Voor ik Sam leerde kennen, wás er namelijk geen oerversie van mezelf. Ik heb een vrij ontregelende jeugd gehad, Sam heeft mijn identiteit in belangrijke mate mee gevormd. (na een stilte:) Kijk, na twaalf jaar beëindig je geen relatie enkel en alleen omdat je zelf iets anders wilt. Wel omdat je je afvraagt of de relatie voor béíde partners nog wel klopt. Als je zelf ongelukkig bent, maar je partner niet, kun je een relatie nog lang volhouden. Maar als je je ook afvraagt of je partner bij jou wel de beste versie van zichzelf kan zijn, lukt dat niet meer.”

‘De vanzelfsprekendheid van de liefde moet regelmatig ter discussie worden gesteld’, beweerde je ooit. Hoe doe je dat zonder het fundament ervan weg te schoppen?

“Goeie vraag. Ik ben in mijn relatie met Sam de trouwste partner geweest die je je maar kunt inbeelden. En toch stelde ik ons elke dag in vraag. ‘Halen we wel het beste in elkaar naar boven? Ben ik wel goed voor jou? Ben jij wel goed voor mij?’ Dat ligt gewoon in mijn karakter. Ik twijfel over alles. Over mijn werk, maar ook over de liefde.”

In Charlie Magazine zei je twee jaar geleden: ‘Mijn vriend en ik zijn zo vergroeid met elkaar dat ik me niet goed kan voorstellen wie ik zou zijn zonder hem’. Weet je dat ondertussen wél?

“Nee. (stilte) Ik weet alleen dat ik niet goed voor mezelf kan zorgen. Het is gênant, maar als ik alleen ben, eet ik soms drie keer per dag popcorn. Terwijl ik in het gezelschap van een ander altijd lekker kook. Blijkbaar vind ik mezelf niet belangrijk genoeg. Heb ik toch de aanwezigheid van iemand anders nodig om voluit te leven.”

Je bent ondertussen al een paar maanden samen met Rob van Essen (de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2019). Rob is 55, jij 30. Ben jij de oude ziel in het jonge lichaam of is Rob de jonge ziel in het – relatief – oudere lichaam?

“Ik denk dat wij elkaar ergens in het midden tegenkomen. Haal onze lichamen weg en je ziet twee gelijkaardige zielen. Zo hebben we geen van beiden een rijbewijs, wat erop wijst dat we de volwassenheid allebei nog even uitstellen. Het is toch pas als je achter het stuur van een auto hebt gezeten, dat je kunt zeggen: ‘Nu ben ik volwassen’. (lacht) Al doe ik mijn best om in het bijzijn van Rob toch een béétje een mature uitstraling te hebben. Ik droeg vroeger altijd pins met dieren op. Daar ben ik mee gestopt. Een vijftiger die samen is met een meisje dat dieren op haar kleren speldt, dat slaat nergens op.” (glimlacht)

Lize Spit: ‘Ondertussen weet ik dat schrijvers ontgoochelend veel op elkaar lijken. Iedereen worstelt met dezelfde, banale problemen. En alle mannen schrijven moederboeken.’ Beeld Bob Van Mol

Het verdriet om een relatie die eindigt, kan de vreugde om een relatie die begint soms overschaduwen. Hoe vaak schakel je van verliefdheid naar hartzeer en weer terug?

“Heel vaak. Ik gun het mezelf nog niet om níét te treuren om Sam. Ik heb het gevoel dat ik hem dan oneer zou aandoen. Mijn nieuwe appartement is eigenlijk een soort van strafkamp waarin ik mezelf verplicht om te rouwen. Om diep in onze gemeenschappelijke herinneringen te duiken en mijn tranen de vrije loop te laten. Er is thuis niemand die mij zegt: ‘Lize, ben jij vandaag al wel verdrietig geweest?’ En toch moet ik van mezelf treuren. Noem het gerust een vorm van zelfgeseling. (na een stilte:) Door het zelf moeilijk te hebben, heb ik wel meer respect gekregen voor andermans miserie. Als iemand mij vroeger zei: ‘Ik heb liefdesverdriet’, dacht ik altijd: ‘Het zal wel’. Niet dat ik het niet geloofde, ik kon er mij gewoon weinig bij voorstellen. Maar nu ik ouder ben en al meer heb meegemaakt, zou ik sommige mensen met terugwerkende kracht alsnog willen troosten. Ik kan soms om mij heen kijken en denken: wat zijn wij toch allemaal dapper.”

En dan is er een mooi gevalletje van synchroniciteit. Terwijl Tom Barman op de achtergrond met vermoeide stem ‘Nothing Really Ends’ zingt, zegt Lize Spit: “Alles herhaalt zich. Dat zie ik op mijn dertigste steeds scherper. Er is een reden waarom clichés clichés zijn: ze worden gewoon keer op keer bevestigd. Jammer, eigenlijk.”

Het overkoepelende thema van de avond ligt plots samenvattend voor ons op tafel: de onttovering van het leven. Zomerdagen zijn niet altijd warm. Succes is niet altijd zaligmakend. Jeugdliefdes zijn niet altijd voor de eeuwigheid. En – zo blijkt even later – schrijvers zijn niet altijd toonbeelden van beschaving.

“Zoals wel meer debutanten heb ik de literaire wereld een tijdlang geromantiseerd. Maar ondertussen weet ik dat schrijvers ontgoochelend veel op elkaar lijken. Iedereen worstelt met dezelfde, banale problemen. En alle mannen schrijven moederboeken. (glimlacht) Ik begin steeds beter te begrijpen hoe het wereldje waartoe ik behoor precies werkt en dat vind ik soms spijtig.”

“Das Mag is voor mij nog altijd de best denkbare uitgeverij. Maar de magische eigenschappen die ik mijn literaire nest in de beginjaren toedichtte, zijn toch een beetje vervaagd. Ik was een tijdlang zo naïef – of zo arrogant – om te denken dat mijn boeken voor iedereen bij Das Mag even belangrijk waren als voor mij. Die ballon is doorgeprikt. Redacteurs hebben gezinnen. En die krijgen voorrang op mijn boeken, punt. Ik wíl het tegendeel zelfs niet meer geloven. (lacht)

“De meeste mensen die in het boekenvak werken, zien hun job gewoon als een manier om de huur te betalen. Er zijn zelfs schríjvers voor wie schrijven geen prioriteit is. Gelukkig zijn er uitzonderingen. Voor Bregje Hofstede en Marieke Lucas Rijneveld, mijn beste vrienden, is schrijven – net als voor mij – het belangrijkste wat er is. En ze doen niet de minste moeite om die vaststelling onder een laag ironie of cynisme te bedekken. Dat vind ik mooi.”

Hoever ga je in het verliteraturen van persoonlijke ervaringen? Vraag je je nooit af of je andermans leven – al dan niet gecamoufleerd – wel mág gebruiken voor een boek?

“Ik ben niet onverbiddelijk. Als mensen mij zeggen: ‘Hier mag je echt niet over schrijven’, zal ik dat niet doen. Maar als ik iedereen moet sparen, kan ik natuurlijk geen boeken meer schrijven.”

Ben je altijd een schrijfster? Of zijn er ook momenten waarop je met vrienden op café zit en niks anders dan een vriendin bent?

“Dat hangt ervan af. Als ik bij mijn zussen ben, ben ik een zus, geen schrijfster. Maar dat komt vooral omdat ik op dit moment geen boek over zussen aan het schrijven ben. Mocht ik dat wél doen, zou ik zelfs in het gezelschap van mijn eigen zussen een schrijfster zijn. Ik ben toch altijd materiaal aan het verzamelen.”

(Fotograaf Bob Van Mol:) Komen er in je nieuwe boek een fotograaf en een journalist voor?

(lacht) “Nee. Mijn schrijversradar staat op dit moment niet aan.”

Lize Spit: ‘Ik ben geen intellectueel. Ik weet weinig, lees weinig en ben behoorlijk wereldvreemd. Het enige wat ik kan, is mensen observeren en daar iets moois over schrijven.’ Beeld Bob Van Mol

In Charlie Magazine zei je: ‘Was ik met een schrijver getrouwd, ik zou eisen dat hij een contract tekent waarin staat dat het in zijn boeken niet over mij mag gaan’. Heeft Rob dat contract inmiddels ondertekend?

(lacht) “Nee, maar hij heeft me wel beloofd dat hij me gevoelig materiaal op voorhand zal laten lezen. In een van zijn vroegere boeken beschrijft hij een vrouw met dikke billen. Ik ben blij dat hij dat boek geschreven heeft vóór hij mij kende, anders zou ik denken dat hij míjn billen beschreven had.” (lacht)

Er wordt koffie en thee op tafel gezet, we laten ons langzaam terugzakken. “Heb je hier nu wat aan?”, vraagt ze. “Had je niet gehoopt op een aantal scherp geformuleerde opinies over wereldproblemen? Het is je wellicht opgevallen dat ik geen intellectueel ben. Ik weet weinig, lees weinig en ben behoorlijk wereldvreemd. Het enige wat ik kan, is mensen observeren en daar iets moois over schrijven.”

Dat is nog altijd beter dan met een terminal in de hand door de straten sluipen en parkeerboetes uitschrijven, hoor ik mezelf denken. Maar ik vraag gewoon of ze nog reisplannen heeft. “Nee. Ik heb een paar maanden rondgezworven en ben nog maar pas in mijn nieuwe appartement getrokken. Deze zomer zal thuiskomen aanvoelen als op reis gaan.”

Ze verlaat het Hiele-territorium en keert al wandelend terug naar haar B&B. ‘Blijf uit de buurt van de rioolputten!’, wil ik nog roepen. Maar de zomernacht heeft haar al meegenomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden