Zaterdag 19/09/2020

InterviewBoeken

Schrijfster Gaea Schoeters: ‘Begraaf me maar als dramaqueen’

Gaea Schoeters: ‘Ik heb een hekel aan veel begrafenissen vanwege de hypocrisie. Niemand wil toch alleen goed zijn – hoe karakterloos kun je zijn?’ Beeld Joris Casaer

Haar koppigheid heeft haar al werk gekost en aan valse bescheidenheid doet ze niet. Gaea Schoeters (44) schrijft voor de eeuwigheid, punt uit. Haar nieuwe boek is een collectie  interviews over de dood. ‘Ik zou niet met mezelf willen leven.’

“De dood is de realiteit en de realiteit ligt mij niet altijd. Als ik kan kiezen, vind ik fictie een aangenamere omgeving.” Toch interviewde Gaea Schoeters, samen met Katrien Steyaert, drie jaar lang meer dan honderd schrijvers over de dood. Die reeks gesprekken resulteerde in het boek Het einde – en hoe het te overleven. Af en toe confronterend, over de eigen sterfelijkheid en gemiste kansen, want waar gaat de dood anders over dan hetgeen geweest is of nooit zal zijn?

BIO • geboren in 1976 • studeert voor vertaler-tolk en gaat aan de slag als journalist bij de dan nog kleine zender VT4 • reist door de jaren door allerlei moslim- en Balkanlanden, en schrijft er een boek en reportages over • schrijft ook romans, korte verhalen, theaterteksten en opera’s • voerde voor De Standaard drie jaar lang gesprekken over de dood, die nu resulteren in het boek Het einde

“Ik heb het onsterfelijke willen benadrukken in alle gesprekken”, vertelt Schoeters. “Ik wilde van iedereen weten hoe zij tegenover sterfelijkheid en onsterfelijkheid stonden. Scheppende kunstenaars worden gedreven door een verlangen iets achter te laten, of ze dat nu benoemen of niet. Je kunt dat een soort arrogantie noemen, maar als je geen urgentie voelt om iets te vertellen aan de wereld, schrijf je niet.

“Terwijl Yves Petry denkt dat er plek voor hem is in de canon, hoopt Bart Van Loo dat zijn verre achterkleinkinderen hem in zijn boeken kunnen vinden. Wat ik echt een vreemde gedachte vind, is: via je kinderen iets achterlaten – die kun je nog minder sturen dan je boeken.

“Bij veel collega’s viel een soort schroom op om te zeggen dat ze voor de eeuwigheid schrijven. Natuurlijk is de kans dat je over 200 jaar nog gelezen wordt kleiner geworden, want er is veel meer concurrentie, ook uit het buitenland. Piet Van Aken (1920-1984) vertelde ooit hoe zijn generatie veel geluk had gehad in hoe ze ontvangen werd. We waren allemaal topauteurs, zei hij, er was niets anders, net na de oorlog.” (lacht)

Het coronavirus maakt Het einde bijna actueler dan ooit. Door de dood die nu zo aanwezig is. Ook in haar leven, zij het niet van dichtbij. Ze is enig kind. Als haar ouders gaan, houdt het op. Kinderen heeft ze niet. “Plots stond mijn Facebook-wall vol berichten van vrienden die hun ouders verloren”, zegt ze. “Ik was bezorgd om de mijne en waarschuwde hen voorzichtig te zijn, terwijl zij er veel losser mee omgingen. ‘Als ik moet gaan, moet ik gaan’, zei mijn moeder. ‘Mag ik intussen wel naar de goede viswinkel alsjeblieft?’”

Nog nooit stelde ik iemand zo veel vragen over de dood en sterfelijkheid. Hoe wil ze zelf doodgaan? “Liever onverwacht. Ik ben slecht in afscheid nemen. Elke relatie die eindigt, is al zo’n oefening in afscheid.” Sterven ze jong in haar familie? “Nee, al ben ik blijkbaar van een slecht bouwjaar. Altijd versleten, nooit echt kapot.” Heeft ze ooit al een dier gedood? “Ik ben het type dat een huisjesslak redt van de verdrinkingsdood. En twee jaar geleden heb ik per ongeluk een katje doodgereden – een trauma!” Hoe vaak keek zij de dood al in de ogen? “Een keer, op reis in Tadzjikistan. Ik was rond de dertig en zat in de middle of nowhere, op 4.000 meter hoogte, met 42 graden koorts; de dorpsdokter kon niets voor me doen. Ik voelde berusting, al vond ik het jammer, zo’n kort leven. Mijn eerste boek moest nog uitkomen.

“Ik denk nu veel meer dat ik niet mag sterven, ik moet nog zoveel doen. Zonder titel is een trilogie en ik heb er nog maar een geschreven. Ik wil absoluut nog een opera maken en voor die er is, zal er geen rust zijn. Daarom ben ik nu banger om dood te gaan. Mijn volgende roman Trofee is een zijsprong: ik móést die schrijven. Over trofee­jagers, over status en mannelijkheid en hoe we daarnaar kijken. In Tadzjikistan was ik aan het doen wat ik het liefste deed, verre reizen maken – mogelijk leefde ik toen meer in het nu dan nu. Scheppen is projectie in de toekomst. De urgentie om te schrijven had ik altijd, maar dankzij Het einde heb ik beseft hoe belangrijk mijn werk is.”

Waarvoor zou u sterven?

Gaea Schoeters: “Twintig jaar geleden had ik zonder twijfel gezegd: de liefde. Vroeger was ik ervan overtuigd dat je één allesomvattende liefde tegenkwam in je leven. Maar als er één grote liefde is, zijn alle andere dan gesukkel? Je ontdekt dat het anders in elkaar zit. Als je bij me weggaat, ga ik dood: dat voel ik niet meer. Tenzij je beslist er actief een einde aan te maken, overleef je het wél. Je helemaal verliezen in iemand doe je als je twintig bent. Of dertig. Ik kan nu zeggen: je bent mijn alles, maar daarnaast heb ik dit en dit om voor te leven.”

Hebt u ooit aan zelfmoord gedacht?

“De eerste keer in je leven dat je iemand verliest van wie je echt houdt, denk je dat alles stopt. Mijn eerste lief zei altijd: als je er echt een eind aan wil maken, ga dan eerst een ijsje kopen. Daarna kan het altijd nog. Zoiets absurds als een ijsje kopen kan je uit die zwarte gedachtestroom halen. Dat ben ik nooit vergeten. Al heb ik vanaf mijn veertiende gedacht: als je het echt wil, moet je het zelf doen en moet het iets pijnlijks en bloederigs zijn. Misschien omdat ik jong Mishima (Yukio Mishima, Japans schrijver, bekend om zijn nietsontziende naoorlogse geschriften en de omstandigheden rondom zijn zelfmoord, red.) las of omdat ik jarenlang Japanse krijgskunst heb gedaan, maar ik vond: maak er een moment van. Ga eens zitten met zo’n zwaard tegen je buik: dat doe je niet zomaar. Ik wilde niet per ongeluk de dood in struikelen omdat ik het even niet zag zitten.”

U was niet het type voor een overdosis slaappillen.

“Qua theatraliteit is dat nogal minnetjes, dat wil je niet in je biografie. (lacht) Je wil toch op zijn minst iets als: ze stak haar hoofd in de gasoven. Iets met ampleur. Voor mij is alles een scène. Doodgaan is de laatste scène.”

Gaea Schoeters zocht van jongs af een manier om verhalen te vertellen. Onlangs vond ze een koffer terug van toen ze acht of negen jaar was, met schriftjes vol verhalen. “Ik was het meisje dat op de speelplaats alleen op een muurtje zat te lezen. Ik vond geen aansluiting. Ik was jonger dan de rest, ik heb de tweede kleuterklas overgeslagen en was net geen vijf toen ik in het eerste leerjaar terechtkwam, waar de groep al gevormd was. Ik ben enorm zwaar gepest geweest. Mijn ouders werkten allebei op die school, dat hielp niet. Ik ben vandaag nog altijd geen groepsmens.

“Het middelbaar betekende een nieuw begin: ik kwam vanuit een ander zelfbewustzijn binnen. Ik ben misschien anders, maar dit is wie ik ben en dit is de ruimte die ik neem. Het was toen dat ik begon met Japanse krijgskunst. Ook als tiener was ik op school altijd met andere dingen bezig. Dat had te maken met mijn geaardheid, maar evengoed met een soort kunstenaarschap dat maakt dat je anders naar de wereld kijkt.

‘Ik heb het moeilijk gehad met mijn geaardheid. Ik wist het al rond mijn elfde en had het gevoel dat ik de mensen rond me teleurstelde.’Beeld Joris Casaer

“Het idee van schrijver worden begon rond mijn dertiende met de dagboeken van Anaïs Nin en het werk van Henry Miller. Wat een romantisch bestaan, dacht ik, naar de wereld kijken en die proberen te begrijpen. Je leven doorbrengen met converseren en discussiëren, in het gezelschap van mooie vrouwen – enkel omdat je schrijver bent. Maar hoe ik moest beginnen? Ik volgde Latijn-wiskunde maar was enkel echt geïnteresseerd in schilderkunst, muziek en literatuur. Alleen kon ik daar niks mee. Naar de kunsthumaniora ging je enkel als je niet goed was in wetenschappen. Als ik de helft dommer ben, mag ik naar de kunstafdeling, heb ik lang gedacht. Maar ik was een brave student en bleef waar ik zat. Ik heb rond mijn twintigste een jeugdboek geschreven en opgestuurd naar Lemniscaat. ‘Interessant’, antwoordden ze, ‘maar er is nog werk aan’. Waarna ik me beledigd voelde en het voor mij ophield. (lacht)

“Mijn ouders wilden dat ik eerst iets deftigs zou studeren. Studio Herman Teirlinck was uitgesloten, net als psychologie. Achteraf gezien lag ik te veel in de knoop met mezelf voor Studio. Ik heb het heel moeilijk gehad met het aanvaarden van mijn geaardheid. Ik wist het al rond mijn elfde en had het gevoel dat ik de mensen rond me teleurstelde. Ik ben er in stukjes mee naar buitengekomen, mijn vrienden en ouders reageerden er lauwtjes op. Ik denk dat mijn moeder me vooral wilde beschermen, omdat ze dacht dat ik een moeilijk leven tegemoet ging. ‘Denk nog eens na.’ Pas toen ze zag dat alles goedkwam, was ze gerust.”

Het werd een lange weg naar het schrijverschap, via vertaler-tolk en journalistiek. “Ik neem niemand iets kwalijk en ben dankbaar voor mijn jeugd. Voor de bagage die ik meekreeg, de liefde voor kunst en complexiteit, en mijn nieuwsgierigheid die werd aangewakkerd. Mijn ouders zagen me allebei ontzettend graag. Al mijn omwegen zijn interessant geweest. Ik heb tien jaar tv gemaakt, ook de meest bizarre programma’s – de helft wil je niet hardop vernoemen.”

O jawel. Wat was het raarste tv-programma?

“Ik heb Patrouille gemaakt, een realityprogramma, waarbij je meegaat met de politie. Geweldig om te maken, maar het had nooit uitgezonden moeten zijn. Je komt alle mogelijke maatschappelijke situaties tegen. Je ziet conflicten tussen mensen escaleren of niet. Veel hangt af van met welke energie mensen ergens binnenstappen. Er waren agenten met wie je binnenkwam in een rustig café en binnen de vijf minuten vlogen de stoelen in het rond. Omgekeerd had je agenten met wie je ergens binnenstapte waar de stoelen rondvlogen en iedereen na vijf minuten gekalmeerd was.

“Ik heb ook Beautiful gemaakt, dat mensen een plastische ingreep cadeau deed. Zo heb ik veel geleerd over wat mensen belangrijk vinden en hoever ze ervoor gaan. Als reporter-regisseur deed ik interviews en regie. Hoe ga je een scène binnen, hoe schrijf je vanuit een ruimer perspectief? Ook dat komt nog van pas.”

Bent u ooit over uw grenzen moeten gaan bij tv?

“Er gebeuren veel dingen in dergelijke programma’s die er voor mij over zijn, maar ik bepaalde altijd zelf waar de grens lag. Als ik iets niet vond kunnen, paste ik er een mouw aan. Soms moet je mensen tegen zichzelf beschermen. Stel, je komt binnen in een situatie van huiselijk geweld: een vrouw heeft net een pak rammel gekregen. ‘Film het maar!’, roept ze. ‘Iedereen mag het weten!’ Zelfs al krijg je haar toestemming om het uit te zenden, weet je dat je dat best niet doet. Waarschijnlijk woont haar man een week later weer bij haar en wat gebeurt er als het wordt uitgezonden? (afgemeten) Een mens verliest al eens een tape. In het ergste geval verlies je je job. Het zij zo.”

Sterk.

“Mijn koppigheid heeft me al werk gekost. Ik ben in sommige dingen absurd principieel. Ik ben bereid ontzettend hard te werken, maar ik wil respect. Als dat er niet is, vertrek ik. Gelukkig ben ik nooit gehecht geweest aan een bepaald inkomen of sociale status. Dat is een luxe. Ik heb het geluk niet te moeten verhongeren. Maar soms praat ik met mensen die tien jaar van hun leven iets doen dat hen ongelukkig maakt. Anders kom ik er niet, zeggen ze. Natuurlijk wel! Ze hebben tien keer meer overschot dan ik. Het kan beangstigend zijn en soms is het krap, maar meestal komt er iets anders en beters. Toen ik 25 jaar geleden begon te werken, heb ik beslist alleen dingen te doen die ik of graag deed, of interessant vond, of die zo goed verdienden dat ik daarna lange tijd kon doen wat ik graag deed. Die balans heb ik altijd bewaard.”

Al is het zwaar. Schoeters schreef eind vorig jaar een open brief als protest tegen de vermindering van de cultuursubsidies en gaf daarbij prijs hoe weinig ze verdiende – zo’n 1.000 euro per maand. “Ik denk dat de schroom over geld iets heel Vlaams is. Ik ging voltijds schrijven in 2011, om niet heel mijn leven een amateur-weekendschrijver te blijven. Tot 2020 was ik bezig met het professionaliseren van het schrijverschap. Artistiek rendeert het. Intussen bracht ik twee boeken uit, ik heb geschreven voor het theater en maakte twee opera’s die in het buitenland op tournee zijn gegaan. Maar na negen jaar moest ik weer een ‘job’ zoeken omdat het financieel niet haalbaar was.

“Stel dat een stagiair-arts na tien jaar opklimt tot hartchirurg en zegt: sorry, ik opereer alleen nog in het weekend want in de week moet ik bij de bakker werken. Van zulke dingen kan ik heel boos worden. Ik werk vaak met kunstenaars en als je hoort hoe het eraan toe gaat... Het is een sweat­shop. Mensen durven hun mond niet open te doen, want als er maar vijf opdrachtgevers zijn en je zegt hoe weinig ze betalen, is het rap afgelopen. Maar ook daarin ben ik principieel. Op een gegeven moment trek je een lijn: dit is niet meer acceptabel.”

Het rendabiliteitsdenken dwingt cultuur om almaar breder te gaan, zegt Schoeters. “Als je mensen steeds simpelere dingen voorschotelt, verlaag je hun kritisch denkvermogen en gaan ze makkelijker mee in oneliner-redeneringen. Zo wordt je politieke tegenstand kleiner. Dat is gevaarlijk, de middenveldpartijen beseffen te weinig wat de waarde van cultuur is voor de democratie.

Tegelijk is cultuur een zingever. Zeker met het wegvallen van geloof zie je mensen dat gemeenschapsvormende zoeken in cultuur, bijvoorbeeld door samen naar een concert te luisteren. Soms heeft het bijna iets mystieks. Die sociale waarde moet je ondersteunen, ook economisch.”

Tegelijk zag ze vrouwen steevast aan het kortste eind trekken wanneer er beurzen uitgedeeld werden. “Bij Literatuur Vlaanderen (voorheen bekend als het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL), red.) hadden we net zo’n discussie over werkbeurzen. Mannen krijgen er systematisch hogere. Er wordt op een andere manier naar hun werk gekeken. Van vrouwelijke auteurs wordt verwacht dat ze zich houden aan een aantal gendertyperingen. Als vrouw schrijf je eerder autobiografisch, het kleinere verhaal, terwijl je wegblijft van ‘mannelijke’ genres zoals ideeënromans en essays. Vrouwen worden anders gerecenseerd. Daar is onderzoek naar gedaan, op basis van de woordenschat die in recensies wordt gebruikt. Hoe vaak het uiterlijk van vrouwen niet wordt beoordeeld. (blaast) Ik heb al gedacht een boek uit te brengen onder een mannelijk pseudoniem. Maar uitgevers hebben dat niet graag. Je hebt nu iets opgebouwd, ga je weer van nul beginnen.

‘Hoe vaak het uiterlijk van een vrouw niet wordt beoordeeld in recensies! ik dacht er al aan een boek uit te brengen onder een mannelijk pseudoniem.’Beeld Joris Casaer

“De afgelopen jaren heb ik wel heel mooie dingen mogen maken die voor mij belangrijk zijn. Het gaat me niet om een groot publiek, ik wil resonantie in de diepte. Toen ik een nieuwe uitgever zocht, ging ik met vier uitgeverijen praten. Bij Querido zei Annette (Portegies, uitgever, red.): ‘Als jij het niet erg vindt dat je boeken niet verkopen, ik ook niet. Je weet goed wat je wil en dat moet je doen.’ Dat stelde me gerust, bij andere uitgeverijen zeiden ze dat ik een commerciëlere richting op moest.”

Waarom bent u nooit bang om uw mond open te trekken?

“Het is sterker dan mezelf. Ik kan dingen niet gewoon zo laten. Met die cultuurprotesten weet ik dat ik mezelf heel vaak miserie op de hals haal. Maar ik kan het niet helpen dat ik niet met onrechtvaardigheid overweg kan. Ik probeer conflicten altijd op te lossen, hoewel het soms averechts werkt. Heel vermoeiend. En vaak onverstandig.

“Ik ben altijd voor de confrontatie gegaan. Zelfs toen ik vroeger gepest werd, ja. Ik heb gevochten op de lagere school. Mijn vader zei altijd: ‘Als het je niet bevalt: links dreigen, rechts slaan.’ In mijn klas werd nog een jongen gepest. Ik heb er niet aan meegedaan, maar deed niets om het te stoppen. Ik kon dat er niet bij nemen. Dat heb ik mezelf altijd kwalijk genomen. Ik heb het nooit kunnen goedmaken, want hij is op zijn achttiende verongelukt. Dat is blijven hangen. Ik vind het een plicht je nek uit te steken voor wie zwakker is. Ach, ik lijd aan een soort riddercomplex. Ik was altijd al zot op middeleeuwse films waarin de code van de Ridders van de Ronde Tafel werd uitgelegd.”

Daar heb je dat zwaard weer.

(lacht) “En dat eergevoel uit de boeken van Mishima. Eer is een heel ouderwets begrip.”

Schrijfster Diane Broeckhoven vertelt in Het einde hoe ze rustig kan ‘oversteken naar de andere kant’ als alle strijden gestreden zijn en alle trauma’s verwerkt.

“Meer dan een voorwaarde om te sterven vind ik dat een voorwaarde om te leven.”

‘Officiële lieven, ex-lieven, maîtresses, niemand mag onzichtbaar zijn, ik wil dat ze allemaal een plaats krijgen op mijn rouwkaartje’, schrijft u over uw einde.

“Omdat ik het vreemd vind hoe belangrijk de bloedband is op begrafenissen. Je gaat de rij af en schudt handjes met de familie, zelfs al spraken sommigen al jaren niet meer met de overledene. Tenzij ik vroeger doodga dan mijn ouders, zal mijn gekozen familie, mijn clan, daar staan. Het is toch niet vreemd dat veel mensen uit je roedel degenen zijn met wie je ooit een relatie had.”

Maar maîtresses? Het lijkt mij niet leuk te ontdekken dat mijn geliefde er een had.

“Het is in ieder geval te laat om er nog ruzie over te maken. Ik heb de afgelopen 25 jaar verschillende vormen van relaties gehad. Ik had lang een relatie waarin er daarbuiten nog iemand was. Mocht er iets ernstigs gebeurd zijn, dan wil je toch niet iemands verdriet afpakken? Ik ben wel een romantische utopist. Maar op het moment van een gedeeld verlies is je conflict kleiner. Nadien kun je nog ruzie maken, dat lucht misschien op. (lacht)

“Iemand met wie ik lang een relatie had, belde de eerste week van de lockdown. Ze zei: ‘Zeg, ik zie u graag, hè.’ Ik snapte waar dat telefoontje vandaan kwam, in die periode van onzekerheid. Uit relaties die goed zijn geweest, hou je dit soort dingen over.”

Hoe moet uw begrafenis eruitzien?

“Ik ben in veel opzichten een dramaqueen, dus een bescheiden uitvaart is niets voor mij. Het mag iets met grandeur zijn, in een mooi gebouw, met livemuziek – klassieke zangers, want niets is directer dan muziek die rechtstreeks van het ene lichaam naar het andere gaat, zelfs zonder instrument ertussen. Voorts moet het oprecht zijn, ik heb een hekel aan veel begrafenissen vanwege de hypocrisie. Ik moet er niet aan denken dat ze uitsluitend positieve dingen over mij vertellen. Niemand wil toch alleen goed zijn – hoe karakterloos kun je zijn? Elke karaktereigenschap heeft consequenties. Als ik het belangrijk vind direct te zijn, weet ik dat ik mensen kwets die liever willen dat ik dingen zachter verpak. Ga ik heel mijn leven voor mijn ding? Ja. Is dat voor anderen soms ambetant? Ongetwijfeld. Ben ik gemakkelijk om mee te leven? God, nee. Ik zou niet met mezelf willen leven. Voorts hoop ik dat mensen mij herkennen in mijn begrafenis. En in het operateske ervan. En dan lachen, zo van: ‘Daar gaat ze weer, de dramaqueen.’ Voor die rollende ogen wil ik het doen.”

Gaea Schoeters en Katrien Steyaert, Het einde  – en hoe het te overleven, Polis, 336 p., 24,50 euro. Trofee komt later dit jaar uit bij Querido.

Wie met vragen zit over zelfdoding kan terecht bij de Zelfmoordlijn (1813) en op zelfmoord1813.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234