Maandag 21/10/2019

Interview

Schilder Sam Dillemans: "We gaan kapot aan braafheid"

'Ypres' van Sam Dillemans. Beeld stad Ieper

In de luwte van zijn atelier werkt Sam Dillemans momenteel aan een compleet nieuw hoofdstuk in zijn oeuvre. Omdat je kunstenaars moet bezoeken wanneer ze nog naar terpentijn ruiken: een gesprek. Over technisch meesterschap en chronische ontevredenheid. En over de Hollandse klompenindustrie.

Je kunt kunstenaars gaan interviewen wanneer hun harde labeur erop zit. Wanneer ze de verf van hun vingers hebben geschrobd, hun nieuwe werken aan witgekalkte galeriemuren hebben gehangen en het vernissage-applaus in ontvangst hebben genomen. Of je kunt ze gaan interviewen wanneer ze hun dagen nog slijten in zelfgekozen eenzaamheid. Wanneer hun zoektocht naar nieuwe vormen nog volop aan de gang is, het witte doek hen soms nog onbegrijpend aanstaart en de ­genialiteit van het verleden tijdelijk van geen tel meer is.

Ik kies voor het laatste en bezoek Sam Dillemans tussen twee exploten door: Ypres, zijn aangrijpende WO I-schilderij, hangt alweer even in het In Flanders Fields Museum in Ieper en een tentoonstelling met nieuw werk komt er pas in het ­voorjaar van 2018. De schilder leeft momenteel quasi voltijds in zijn ­atelier, waar de adrenaline op momenten van genade net zo ­rijkelijk vloeit als de verf.

Beeld Wouter Van Vooren

Aanvankelijk zou ook dit gesprek in zijn werkruimte in Borgerhout plaatsvinden. Maar uiteindelijk belanden we toch in zijn tentoonstellingsruimte 300 meter verderop. “Mijn atelier is een zootje”, zegt hij. “Je vindt er nauwelijks een onbenutte vierkante meter. En vooral: mijn nieuwe werken liggen nog te sudderen in ontevredenheid. Ik krijg het bij nader inzien niet over mijn hart om ze nu al te tonen.”

Erover praten wil hij gelukkig wel, en dat mag tijd kosten: maar liefst drie uur heeft hij voor me ­uitgetrokken. Drie uur waarin er geschilderd noch getekend zal ­worden: in de wereld van Sam Dillemans is dat véél.

Hij verdwijnt in de keuken om koffie te zetten en laat mij in mijn eentje in zijn prachtige expositieruimte rondslenteren. Ik kijk naar de geschilderde boksers, schrijvers en modellen en hap bij momenten zowaar even naar adem: zo waanzinnig intens zijn de werken van Dillemans. Soms heb ik het gevoel dat zijn schilderijen naar míj kijken in plaats van ik naar hen. Er luchtig voorbij flaneren, is moeilijk. Er met net niet opengesperde mond naar staren, lukt beter. Ik devalueer op slag de vele momenten waarop ik thuis naar de onlineversies van kunstwerken kijk. Geen thumbnail of jpeg, zo blijkt alweer, kan het technisch vernuft van een schilderij blootleggen. Laat staan je hart doen trillen.

“Chocolaatje?” De kunstenaar zet een pak mignonettes en twee koppen koffie op een geïmproviseerde tafel. Ik vervolledig het stilleven met mijn bandopnemer. Bij wijze van verbale voorstudie vraag ik of hij ongeveer weet hoeveel werken hij de voorbije 35 jaar al gemaakt heeft. “Geen idee”, zegt hij. “Maar het zijn er duizenden. Ik ben zeer gretig – om niet te zeggen: monsterlijk gulzig – van aard.”

Toch staat er tegenwoordig een rem op zijn productiviteit. Hij zoekt volop naar een nieuwe, plastische taal en die ontdekkingsreis gaat gepaard met talloze rondjes ijsberen voor het witte doek. “Ik wil de ­evidenties in mijn werk doorbreken. Ging ik vroeger naar rechts, dan wil ik nu naar links. Dat klinkt ­eenvoudig, maar er komt heel wat denkwerk bij kijken. Hoe teken ik de bek van een paard op een totaal andere manier dan ik gewend ben? Hoe teken ik een Duitse helm ­zonder dat het weer een klassieke punthelm wordt?

“Vroeger dacht ik over dat soort dingen minder na. Ik werkte snel, bevlogen, intuïtief. Nu gaat het ­trager. Ik stal mijn technische bagage voor me uit en overschouw beredeneerd alle mogelijkheden die ik heb. Ik kan op vijftig verschillende manieren een hand tekenen. Maar welke van die vijftig is de beste? Daarover mijmeren, is soms behoorlijk afmattend. Maar ik klaag niet. Mijn technische bagage is álles.”

Wil uw verbeelding uw vakmanschap nooit overboord kieperen?

“Integendeel: mijn verbeelding is mijn metier dankbaar. Stel: ik wil een abnormaal dikke vinger ­tekenen. Als ik niet weet hoe ik de inplanting van een vingernagel moet tekenen, heb ik een probleem. Want dan is de kans groot dat mijn dikke vinger niet op een vinger, maar op een gezwel zal lijken. Maar omdat ik wél weet hoe ik de inplanting van een nagel moet tekenen, kan ik van mijn vinger een heel atypische vinger maken: zelfs in niet-realistische uitvoering zal het nog altijd een vinger zijn in plaats van een gezwel. Mijn technische bagage geeft mij dus meer vrijheid.”

Uw nieuwe werk is een stijlbreuk met uw vroegere werk, zegt u. Betekent dat dat u meer voor­studies maakt dan gebruikelijk?

“Ik beperk mij altijd tot ruwe, haast primitieve schetsen: met een bic, op de achterkant van een pizzadoos, bij wijze van spreken. Als je voor­studies al heel gedetailleerd zijn, kun je ze op het doek alleen nog maar overtekenen. Dan is het ­avontuur van het schilderen al voor de helft om zeep. Je moet ruimte laten voor magie. Het moment van gratie nog een beetje uitstellen.”

"Het is niet omdat ik weinig buitenkom dat ik geen wereldbeeld heb." Beeld Wouter Van Vooren

Doet uw nieuwe werk u anders ­kijken naar uw oude werk? Michaël Borremans zei in De Tijd dat hij zijn vroegere werk beu is. Dat hij zin heeft om het te ­vernietigen.

“Ik vergeet mijn vroegere werk ­volledig als ik met iets nieuws bezig ben. Maar ik blijf er wél achter staan. Ik zou mijn boksers niet beter kunnen schilderen dan ik een paar jaar geleden al gedaan heb.”

Het thema van uw nieuwe ­schilderijen is de gruwel van de Eerste Wereldoorlog.

“Vooral om vormelijke redenen. Ik hou van de contrastrijke beelden die bij veldslagen horen: de gewelddadige confrontatie in het onschuldige landschap, de metalen bajonetten die een lichaam van vlees en bloed doorklieven, de uniformen die besmeurd worden met modder... Maar dat neemt niet weg dat de ­horreur van de oorlog wel degelijk onder mijn huid kruipt. Slagvelden zijn slachtvelden. Het overkomt me dat ik al schilderend een krop in de keel krijg.”

Ypres maakt het lijden van de ­soldaten veel tastbaarder dan de doorsneedocumentaire over WO I. Blijkbaar hebben we kunst nodig om naar de essentie van de ­realiteit te gaan.

Ypres mocht noch anekdotisch, noch heroïsch zijn. Oorlog, dat is bloed, stank, modder, ratten en ­luizen. Uit respect voor de pijn van de soldaten romantiseer ik dat niet. Noem het mijn engagement met hun lijden.”

U werkt ’s nachts. Valt u bij het krieken van de dag makkelijk in slaap?

“Ja. Af en toe ben ik niet tevreden over wat ik gepresteerd heb. Maar ik ben getraind in ontevredenheid. Ik kan omgaan met de onrust die ik voel wanneer een werk nog niet op punt staat. Ik schilder al veertig jaar: ik wéét dat de oplossing zich op een bepaald moment zal aandienen.”

‘Sam Dillemans voelt een koortsige urgentie om iets van waarde achter te laten’, schreef David Van Reybrouck in het voorwoord van het boek Tentoonstellingsruimte Sam Dillemans. ‘Hij voert een niet-aflatende strijd voor technisch meesterschap.’

Precies die schilderkundige bedrevenheid mist Dillemans bij veel van zijn collega’s. ‘Een dictatoriaal regime van wansmaak’, noemt hij de hedendaagse kunstwereld. ‘Een sekte waarin het idee primeert op het metier en waarin goed ­kunnen lobbyen belangrijker is dan goed kunnen schilderen.’ Dat hij zichzelf met zulke uitspraken ­vrijwillig isoleert, deert hem niet. “Ik lijd geen seconde onder dat isolement. En ik voel mij ook niet eenzaam: ik word omringd door de oude meesters. Hun werk is voor mij veel eigentijdser dan het werk van kunstenaars die met fallussen smijten in de hoop om erbij te horen.”

“Sinds de jaren 60 gaat het barslecht met de kunst. Of toch met de kunst die in the picture staat. Alle aandacht gaat naar de blaaskaken, de marketeers. Van Andy Warhol tot Jeff Koons: de totale willekeur regeert. Het zal niet lang meer duren voor iemand het in zijn hoofd haalt om bij wijze van performance het werk van Veronese (Italiaanse schilder uit de 16de eeuw, red.) te bekladden.

“Salvador Dalí heeft in een tv-programma ooit Piet Mondriaan op zijn plaats gezet. Hij stond naast een werk van Mondriaan en zei: ‘Dames en heren, hier ziet u Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan’. Hij wachtte even en voegde er sarcastisch aan toe: ‘Piet. Pjet. Njet’.” (lacht)

U zei ooit: ‘Wat iedereen kan, is voor mij geen kunst.’ Als een ­kritiek op het werk van heel wat hedendaagse kunstenaars. Maar het idee achter Smoking Machine bedenken (de door Kristoffer Myskja bedachte machine die op eigen kracht sigaretten paft, rook uitblaast en as verwijdert), kan ook niet iedereen. En dus is het ...

“Ik moet je onderbreken, Stef. Het idee achter Smoking Machine bedenken, kan wél iedereen. Dat ís helemaal geen inventief idee. Maar nu dwing je mij om iets te zeggen over het werk van een kolderkunstenaar. En daar heb ik geen zin in. Voor je het weet, beland ik na dit interview in een zinloos debat dat mij alleen maar van mijn werk afleidt.”

Het gaat mij niet om Myskja, maar om de rekbaarheid van het begrip kunst. Ik heb zowel bewondering voor Smoking Machine als voor uw ...

“Bewondering? Voor de wetenschappers die Smoking Machine gemaakt hebben, bedoel je dan toch? Want die machine heeft niks met kunst te maken. Het is een wetenschappelijke prestatie. En dan nog. Ik heb meer bewondering voor de wetenschappers die de Kanaal­tunnel gebouwd hebben dan voor degenen die Smoking Machine in elkaar geknutseld hebben. Als we dan toch over wetenschap gaan ­praten, laten we het dan over de Kanaaltunnel hebben. “

Het is voor u ondenkbaar dat ik zowel van Sam Dillemans als van Kristoffer Myskja hou?

“Laat ik het zo zeggen: het lijkt mij moeilijk om én van het fietswiel van Duchamp te houden én van Las meninas van Velázquez. Als je dat kunt, heb je in mijn ogen een behoorlijk verwrongen kijk op kunst. Of wil je krampachtig bewijzen dat je ruimdenkend bent. Dat je het begrijpt. Maar er valt helemaal niks te begrijpen. Het werk van Duchamp is de totale leegte. Zelfs zijn kuisvrouw wilde zijn fietswiel weggooien.

“Ik hoop dat ik je ideeën over kunst wat kan bijstellen, Stef. Want je bent misleid. Zullen we samen eens een experiment doen? We spreken hier morgen opnieuw af. We nodigen een paar tv-zenders uit, eten allebei vijftig horloges op, wachten tot ze er langs onze sluit­spieren weer uitkomen, boetseren er een beeldhouwwerkje mee en noemen het vervolgens feces art. Wedden dat we luid applaus zullen krijgen? In de hedendaagse kunst is de psychiatrie nooit veraf.”

"‘Slagvelden zijn slachtvelden. Het gebeurt dat ik al schilderend een krop in de keel krijg." Beeld Wouter Van Vooren

Hij drinkt nog een slok koffie en neemt een sanitaire pauze. Wanneer hij weer terug is, zegt hij: ‘Onlangs vroeg een journalist aan een Nederlandse kunstenaar die in Zuid-Afrika woont: ‘Wat vindt u van de apartheid?’De kunstenaar antwoordde met een wedervraag: ‘Wat vindt ú van de Hollandse klompenindustrie?’ Om duidelijk te maken dat hij het een belachelijke vraag vond. Wel, als journalisten mij in de toekomst nog eens vragen wat ik van Kristoffer Myskja vind – of van Marina Abramović of om het even wélke performancekunstenaar – zal dát mijn antwoord zijn: ‘Wat vindt ú van de Hollandse klompenindustrie?’” (lacht)

Ik vroeg u niet wat u van Myskja vindt. Ik was oprecht ­geïnteresseerd in uw definitie van kunst.

“Je bedoelt het goed, dat voel ik. Maar sommige journalisten zetten kunstenaars graag tegen elkaar op. En daar doe ik niet aan mee. Ik focus liever op mijn eigen werk.

“Mijn punt over hedendaagse kunst is: ­vernieuwing moet geworteld zijn in traditie. In de erfenis van de grote meesters. De Europese culturele beschaving ontwikkelt zich al sinds 1400. En toch kijken veel ­kunstenaars nooit achterom. Ze zijn zo arrogant om te denken dat zij de kunst hebben uitgevonden. Maar je moet je verleden kennen om het achter je te kunnen laten.

“Soit. Passons. Ik ben nu al tien minuten aan het afgeven op hedendaagse kunst, maar deep down ben ik een bewonderaar. Ik kan huilen om Mozart. Knielen voor Oscar Wilde. Het hoofd buigen voor Eddy Merckx. Weet je wat ik doe als ik niet kan slapen? De overwinningen van Merckx tellen. Het zijn er 525. Dat zijn véél schapen in een wei.” (lacht)

In zowat elk interview verzet Sam Dillemans zich tegen zijn imago van worstelende kunstenaar. “Ik worstel niet met verf, ik kom er van klaar”, liet hij ooit optekenen. Blijft de vraag: waarom worden kunstenaars altijd voorgesteld als getormenteerde zielen?

“Ernst verkoopt, zeker? Sinds Van Gogh moeten kunstenaars blijkbaar lijden aan het leven. Maar wie ziet er af? Ik, die elke dag ontspannen naar mijn atelier trek? Of de mensen die, op weg naar hun werk, elke dag hun kas opvreten in de files op de Antwerpse ring?”

Op persfoto’s kijkt hij meestal ­herculisch voor zich uit. Het verhult dat hij graag en vaak lacht. “Zeker in de literatuur vind ik humor essentieel. The Catcher in the Rye van J.D. Salinger, Bekentenissen van Barney van Mordecai Richler, Bartleby van Herman Melville: die boeken redden mij uit het leven. Ze zorgen ervoor dat ik niet aan het sterven ben. En daar heeft hun humor veel mee te maken.”

Dat schilderkunst en humor beduidend minder goed samengaan, wijt hij aan het medium. “Veel meer dan schilderijen richten boeken zich rechtstreeks tot ons brein, waar we ontvankelijk zijn voor humor. Maar ik kan wel degelijk naar een schilderij van Van Eyck ­kijken en luidop in de lach schieten. Gewoon omdat het zo goddelijk goed geschilderd is.”

Een ander beeld dat vaak van hem geborsteld wordt, is dat van de wereldvreemde kluizenaar. ‘Dillemans komt te weinig buiten’, zeggen sommige critici. ‘Terwijl kunstenaars toch zouden moeten weten wat er in de wereld gebeurt.’ Hij haalt de schouders op. “Om het met Einstein te zeggen: een eentonig bestaan bevordert de creativiteit. Ik hoef van mezelf niet spectaculair te leven. Ik vind vrijheid in de routine en inspiratie in de eenzaamheid. En het is niet omdat ik weinig buiten kom dat ik geen wereldbeeld heb.”

Hij begint te vertellen over een boek dat hij onlangs zag: De wereld gaat aan deugd ten onder, van de Nederlandse filosoof Bernard Mandeville. “Dat boek is in de 17de eeuw geschreven, maar de titel ervan beschrijft perfect onze ­huidige tijd. We gaan kapot aan braafheid. Onlangs zag ik een kolos van een vent – hij had ook nog eens een baard van twintig centimeter – op café een wortelsapje bestellen. Een wortelsapje, begot. Ik dacht: zijn er ook nog échte mannen? Want Brad Pitt en George Clooney kun je geen venten noemen. Dat zijn moraal­ridders die vanuit hun privéjet ­protesteren tegen de opwarming van de aarde.

“In de jaren 80 had je in Antwerpen bordelen tot aan de kaaien. Vandaag zie je hier zelfs geen zatlap meer rondwaggelen. En als het toch eens gebeurt, kijken de mensen er met grote schrikogen naar. Alsof ze de duivel in hoogst­eigen persoon zien. Onlangs strompelde hier bij wijze van uitzondering nog eens een dronkaard voorbij. Ik heb hem vastgepakt en hem in het oor gefluisterd: ‘Volhouden, jongen. Gij zijt ne survivor.’

“Iedereen wil krampachtig ‘een zo goed mogelijk mens’ zijn. Maar het is net des mensen dat we níét voortdurend goed kunnen zijn. We moeten ook onze slechte kanten kunnen tonen. Nu bedriegen we onszelf. We onderdrukken onze verlangens en verbergen onze afkeer. Het is één grote parade van geveinsde goedheid.

Beeld Wouter Van Vooren

“En toch moeten we in Europa onze zegeningen tellen. In 1900 ­werden we gemiddeld 45 jaar, tegenwoordig 84. Zie mij hier roken. Maar toch kan ik met een beetje geluk nog een hele tijd mee. Met dank aan een paar briljante medische wetenschappers: Alexander Fleming, die de penicilline ontdekte; Joseph Lister, de vader van de antiseptische chirurgie; Florence Nightingale, de grondlegger van de moderne verpleegkunde... Dát zijn voor mij de helden van de 20ste eeuw. Meer nog dan kunstenaars. Een van mijn broers is chirurg. Telkens als ik hem zie, neem ik ­deemoedig mijn hoed voor hem af.”

Voor ik in Borgerhout aankwam, belde hij mij. Dat het hem speet, maar dat hij tien minuten later ging zijn. Ik dacht dat hij een grapje maakte. De meeste mensen bellen nog niet als ze een halfuur te laat zijn. Laat staan dat ze er sorry voor zeggen. Maar de verontschuldigingen van Dillemans waren gemeend. ‘Dat zal wel het gevolg zijn van zijn ordentelijke, burgerlijke opvoeding’, dacht ik. ‘Hij is per slot van rekening de zoon van Roger Dillemans, de ex-rector van de KU Leuven.’ Maar ik dwaalde.

“Mijn ouders waren verlichte bohemiens. Ik moest van hen niet braaf, beleefd en volgzaam zijn. Ze gaven mij en mijn broers alle vrijheid, ze stimuleerden ons om onze eigen weg te kiezen. Een andere optie hadden ze ook niet, vrees ik. We waren allevier nogal vrijgevochten. Zelf lijk ik het meest op mijn moeder. Dat ik zo hevig ben, heb ik van haar. Zij was net als ik van het type ‘eerst praten en dan nadenken’.”

Op uw 14de hebt u een tijdlang bij uw grootmoeder gewoond. Waarom?

“Bij mijn grootmoeder was er rust en regelmaat. Ik kon er elke dag op hetzelfde tijdstip eten en in alle rust boeken lezen. Dat was op het chaotische thuisfront, met drie oudere broers, niet altijd mogelijk. Plus: bij mijn grootouders kon ik ’s nachts ongestoord tekenen. Mijn ouders zouden mij daar toch op aangesproken hebben. Hoe relaxed ze verder ook waren.”

Uw moeder gaf u op uw 12de een boek over Van Gogh dat de ­kunstenaar in u wakker maakte. Welke rol speelde uw vader in uw artistieke coming of age?

“Zijn belangrijkste wapenfeit was dat hij mij gewoon liet doen. Onderschat dat niet: een ander laten doen, is een teken van ware liefde. Al zal er in zijn geval ook wel wat berusting meegespeeld hebben. Mijn vader heeft al vroeg moeten aanvaarden dat hij mij maar beter kon loslaten. Híj moest mij niet begeleiden, dat deden Van Gogh en Tolstoj wel.”

Tolstoj? Op uw 12de al?

“En niet alleen Tolstoj, maar ook Dostojevski, Flaubert, Céline... Ik sloot me volledig op in hun wereld. En het ergste van al: ik begreep wat ze schreven. (lacht) Ze hebben mij veel inzichten bijgebracht, maar achteraf bekeken was ik toen nog veel te jong om al met de ­psychologische complexiteit van de mens geconfronteerd te worden. Ik heb mijn jeugd ­grotendeels overgeslagen.”

U noemt uw tienerjaren rebelse jaren. Waartegen moest er in uw allesbehalve ­verknechtende omgeving dan gerebelleerd ­worden?

“Tegen de kunstscholen, tiens. Ik had verwacht dat ik er een gedegen technische opleiding zou krijgen. Maar dat was helemaal niet het geval. Er werd zelfs meewarig over Rembrandt gesproken. Daar moest je bij mij niet mee afkomen.

“Het probleem was dat ik op artistiek gebied een heel andere richting uit wilde dan mijn docenten. Ik spiegelde mij aan de oude meesters en wou me bekwamen in mijn ambacht. Maar mijn leraren hadden het over ‘culturele ontvoogding’ en noemden ook ‘happenings’ kunstwerken.

“Ik voelde mij op de kunstschool een dinosauraus in een kwekerij vol debiele kikkers. Een beetje zoals ik mij vandaag voel in de hedendaagse kunstwereld. Maar daar hebben we het al over gehad.” (lacht)

We keuvelen nog wat na. De koffie is inmiddels lauw, de voorraad mignonettes stevig geslonken. Maar de bandopnemer blijft draaien. Het zou niet de eerste keer zijn dat in de naweën van een gesprek nog een mooie gedachte wordt uitgesproken. Of de zin die alles samenvat. En ja, hoor. “Ik heb vannacht een prachtig gedicht van Baudelaire gelezen”, zegt Dillemans plots. Om er vervolgens uit het blote hoofd een fragment uit te citeren. “Wees altijd dronken! Aan wijn, aan poëzie of aan deugdzaamheid, net wat je wilt. Maar bedrink je. En mocht je merken dat de dronkenschap al verminderd of verdwenen is, vraag dan aan de wind, de golven, de sterren, de vogels en de klok hoe laat het is; en ze zullen je antwoorden: het is tijd om dronken te worden! Aan wijn, aan poëzie of aan deugdzaamheid, net wat je wilt.”

De rokende machine van Kristoffer Myskja is plots ver weg.

SAM DILLEMANS

* geboren op 17 januari 1965 in Leuven

* woont en werkt in Borgerhout

* begint in 1979 te schilderen, ­geïnspireerd door Van Gogh

* studeert in 1989 af aan de kunst­academie van Tourcoing (Frankrijk)

* geeft van ’93 tot ’96 tekenles aan de Academie in Antwerpen

* wordt in 2002 amateurbokser, wat resulteert in een reeks boksportretten en boksscènes (2003-2007)

* de Woestijnvis-docu over hem, De waanzin van het detail, krijgt in 2008 in Biarritz een FIPA d’Or

* schildert van 2010 tot 2012 meer dan 300 portretten, meestal van schrijvers

* opent in 2016 een eigen tentoonstellingsruimte in Borgerhout

* zijn werk Ypres krijgt eind juli 2017 een ereplaats in het Ieperse In Flanders Fields Museum

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234