Maandag 30/11/2020

Interview

Schilder Michaël Borremans : ‘Ik denk eraan om uit de kunstmarkt te stappen’

Michael Borremans kunstenaar voor zeno 24/10Beeld Charlie De Keersmaecker

Michaël Borremans (57) heeft in dit corona­jaar nog niet één werk verkocht. Toch verlangt hij steeds meer naar een leven in de luwte: ‘Vergeten worden? Dat heeft als voordeel dat je opnieuw ontdekt kunt worden.’

We staan in zijn nieuwe atelier in een oud fabriekspand nabij de Dampoort in Gent. Het is een grote, kale ruimte die met verplaatsbare wanden in drie stukken is verdeeld. Aan het ene uiteinde staat een tafeltje met twee stoelen, in het midden een eenzame stoel met een gitaarkoffer ernaast, en hier en daar tegen de wanden grote canvassen die op aluminium spie­ramen zijn gespannen. De voorgevel is nu nog dichtgetimmerd, maar daar komt straks een toegangspoort waarlangs vrachtwagens tot diep in het atelier kunnen rijden.

BIO • geboren in 1963 in Geraardsbergen • brak begin jaren 2000 door met zijn tekeningen, maar vervelde snel tot volbloed schilder • is verbonden aan Zeno X Gallery in Antwerpen, David Zwirner Gallery in New York, Londen, Hongkong en Parijs, en Gallery Koyanagi in Tokio • maakte in 2010 een serie schilderijen voor het Koninklijk Paleis van Laken • Double Silence, een dubbelexpo met beeldhouwer Mark Manders, loopt nu in Kanazawa, Japan • verdienstelijk gitarist en lief­hebber van oldtimers  

Hij doet hier soms aan ‘Animal Flow’, bekent hij met enige schroom. Grondoefeningen gebaseerd op de bewegingen van dieren, aan de hand van instructievideo’s die hij op YouTube vindt. Hij geeft een korte demonstratie van de eendenpas, de laterale apenbeweging en de krab­arm. “Het ziet er bespottelijk uit”, lacht hij, terwijl hij zijn bles weer goed legt en zijn kostuumjasje in de plooi trekt, “maar het is vree goed voor je conditie. Je gebruikt spieren waarvan je niet wist dat je ze had.”

Op kousenvoeten – of in Animal Flow-termen: als een sluipende slang – is Michaël Borremans uitgegroeid tot de duurste Belgische vogel op de internationale kunstmarkt. Voor een schilderij op groot formaat van zijn hand vraagt en krijgt David Zwirner, zijn galerist in New York, nu vlotjes meer dan een miljoen dollar (840.000 euro).

Die prijzen perverteren alles. Ze zorgen ervoor dat meer mensen de kunstenaar kennen en naar zijn kunst kijken, maar ook dat sommige mensen de blik verontwaardigd afwenden. Dat meer mensen het werk waarderen en anderen het afwijzen. Dat de media hem volgen en tal van andere kunstenaars, volkomen ten onrechte, niet. Dat de kunstenaar niet meer gewoon kan genieten van de erkenning en het succes, maar zich er haast voor moet verontschuldigen. En als hij beweert dat hij zich niks aantrekt van de kunstmarkt, dat het zijn enige ambitie is zich in stilte bezig te houden met zijn werk, dan krijgt hij gegarandeerd de reactie: ‘Jij hebt makkelijk praten.’

“Soms overweeg ik om er carrément mee te stoppen”, zal Michaël Borremans op het einde van ons gesprek zeggen. “Niet met werken, niet met schilderen, maar met de kunstmarkt te bevoorraden. Ik speel met die gedachte. (grijnst) Maar ik heb natuurlijk makkelijk praten.”

In de tweede ruimte staan, achteraan tegen de wand op de vloer, elf kleine, kegelvormige, euh, dingen. Gemaakt van stof, uitgevoerd in verschillende kleuren. Kegels, je kunt ze niet anders noemen. Ze zullen het hart vormen van zijn nieuwe tentoonstelling bij Zeno X Gallery in Antwerpen, zijn eerste sinds drie jaar in België. Coloured Cones luidt de titel van de expo. Duidelijk. Bizar.

Kegels. Waar komen ze vandaan?

Michaël Borremans: “Uit het niets. Ik had staaltjes van stoffen liggen, die ik had besteld om inspiratie op te doen voor de kostuums waarin ik mijn modellen graag uitdos. Op een dag maakte ik uit één van die lapjes stof iets kegelvormigs. Ik zette het ding hier op de grond en vond het wel, euh, pittoresk. Het gaf een mooie weerkaatsing op de geschuurde betonvloer. Toen kwam ik op het idee om een paar mensen te vragen nog meer kegels voor mij te naaien. Verscheidene mensen, die het op verschillende manieren deden, zodat al die kegels een ander karakter kregen, bijna een eigen individualiteit. Vervolgens ben ik ze beginnen schilderen.

Woensdag opent de expo 'Coloured Cones'. ‘De schilderijen die ik van die abstracte vormen heb gemaakt, benader ik niet als stillevens, maar als portretten’, zegt Borremans. ‘De kegels lijken echt te ­poseren.’Beeld Peter Cox/courtesy Zeno X Gallery, Antwerp
Beeld Peter Cox/courtesy Zeno X Gallery, Antwerp

“De tentoonstelling bij Zeno X Gallery zou aanvankelijk in mei beginnen. Ik had één schilderij met vijf kegels erop. Maar door corona werd de expo verschoven naar het najaar. Ineens had ik vijf maanden extra, en ik voelde dat ik nog niet klaar was met die kegels. Ik ben ze beginnen schilderen als waren het individuen. De schilderijen die ik van die abstracte vormen heb gemaakt, benader ik niet als stillevens, maar als portretten. De kegels zijn van satijn, waardoor ze overduidelijk verwijzen naar de traditie van de West-Europese portretschilderkunst. Honderden jaren lang droegen mensen uit de betere kringen bij voorkeur satijn als ze poseerden voor een portret­schilder. Ik heb groepsportretten en individuele portretten gemaakt. De kegels lijken echt te ­poseren.”

Zijn er mannelijke en vrouwelijke kegels?

(lacht) “Dat punt heb ik net niet bereikt. Twee ervan hebben wel de naam van een persoon gekregen. De ene heet ‘Dodgy Bob’, de andere ‘The Pope’. Die laatste is een rode kegel. Hij verwijst naar het beroemde portret van paus Innocentius X door Velázquez. Heb ik bewust gedaan, als een eerbetoon aan nonkel Diego.”

Staan ze nog voor iets anders dan voor de absurde transformatie van vorm in figuur?

“O, ik denk dat er heel veel mogelijke associaties zijn. En dan bedoel ik niet alleen die met de verkeerskegel. (lacht) Als hoofddeksel heeft de kegel zowel een vrolijke verschijningsvorm – de pixie, het kabouterhoedje – als een duistere: de katholieke processies in Spanje, de flagellanten, de Ku Klux Klan. En dan is er nog de verwijzing naar absurd theater. Ik denk dat de kegel een soort oervorm is waar ik iets interessants mee gedaan heb. Althans, dat vind ik, dat hoeft niet iedereen te vinden. Als ik het vind, is het voor mij al prima. Ik ben vooral trots op mijn kleurgebruik in deze serie, nogal uitbundig voor mijn doen, en op de manier waarop ik die halfglans van het satijn heb weergegeven. Ik wilde geen vulgaire glans die er vingerdik bovenop lag, maar een subtiele glans, zoals in de voering van een jas.

“Schildertechnisch is dit misschien wel het moeilijkste wat ik ooit gedaan heb. Er zijn een vijftiental werken met kegels overgebleven, maar ik heb er zeker vijfendertig gemaakt. Ik heb gevloekt, gezweet en een zeer strenge selectie gemaakt.”

Waren er ook momenten van euforie?

“Gelukkig wel. Soms ging het zo goed dat ik mezelf bij thuiskomst beloonde met champagne. Dat maakte al die ploeterdagen goed waarop ik moe en ontevreden huiswaarts keerde. (denkt na) Ik heb me pas achteraf gerealiseerd waarom ik die werken met kegels uitgerekend het afgelopen halfjaar heb gemaakt. Vanwege corona, natuurlijk. Gedurende heel die lockdownperiode kon en mocht ik niet werken met modellen. Terwijl ik eraan bezig was, heb ik daar geen seconde bij stilgestaan. Ik heb mijn modellen niet gemist. Ik vond het eigenlijk een zeer gezellige tijd. Je kon nergens naartoe, er was niks te doen, dus je hoefde ook geen fomo te hebben. Ik wil niet cynisch klinken, want veel mensen hebben verschrikkingen doorstaan, maar voor mij leek het wel vakantie.”

Hebt u de nieuwe werken in dit nieuwe atelier gemaakt?

“De grote formaten. De kleinere werken heb ik in Ronse gemaakt.”

U hebt daar een oud jachthuis gerestaureerd, dat u ook gebruikt als atelier.

“Ja, zalige plek, bijna op de taalgrens, aan de rand van een bos. Ik heb er de jongste tijd veel gewerkt. Want in de stad was het tijdens de lockdown natuurlijk niet zo gezellig.”

En dan hebt u nog een atelier in uw huis in Sint-Amandsberg. U bent tegenwoordig half bouwheer, half kunstenaar.

“Voor mij is dat een vorm van expansie. Ik vind het heel moeilijk om met assistenten te werken in mijn atelier. Dan blokkeer ik. Maar ik heb ondervonden dat op verschillende plekken werken, in verschillende ateliers, wél werkt voor mij. Ik kan niet op drie plekken tezelfdertijd werken, maar ik kan mijn werk wel op verschillende plekken laten rijpen, zoals goeie wijnen of kazen. Neem dit nieuwe atelier: het was niet mijn bedoeling om hier productiever te worden, maar dat is wel wat er in de praktijk is gebeurd. Ik benut de ruimtes die ik heb. Het heeft wellicht ook te maken met ouder worden. Werken is niet alleen het liefste wat ik doe, het is eigenlijk het énige wat ik nog wil doen.

Beeld Charlie De Keersmaecker

“Het eerste schilderij dat ik hier gemaakt heb, was ongelooflijk goed. Al ben ik toen wel heel voorzichtig geweest. Ik heb in glacis gewerkt, in lagen over elkaar. Dat is een oude techniek die enorm veel diepte geeft aan het beeld. In principe heb ik daar niet genoeg geduld voor, maar dat eerste schilderij mocht absoluut niet mislukken. Normaal neem ik veel meer risico’s. Voorzichtig zijn kan iedereen, onvoorzichtig zijn is spannender en stoerder. En het laatste schilderij uit de Coloured Cones-serie heb ik ook hier gemaakt. Het is het grootste van allemaal, het snelste gemaakt en naar mijn smaak het allerbeste. Het hangt nu in Japan, op een dubbeltentoonstelling met schilderijen van mij en beelden van Mark Manders. Ach, schilderen... (denkt na) Je kunt de uitkomst nooit voorspellen. Soms werk je heel lang aan iets en loont het, soms werk je je te pletter en is het hopeloos, en soms ben je klaar in twee sessies van een uur.”

Komt goed werk bij u in de regel voort uit hard werken en strikte regelmaat?

“Nee, integendeel. Soms hou ik me bewust enkele dagen in om scherper te staan. Het schilderen zelf is sowieso maar de eindfase van een traject. De conceptfase die eraan voorafgaat duurt bij mij vrij lang, minstens enkele weken, soms meerdere jaren. En dan komt het moment om te springen, om het idee dat je in je hoofd hebt, en dat je met schetsen en foto’s hebt voorbereid, te realiseren. Daarvoor moet je de benen én de moraal hebben. Ik moet honger hebben, ik moet snákken naar dat beslissende moment.

“Ik weet echt niet wat ik volgende week ga doen, en volgend jaar al helemaal niet. Ik heb schriftjes vol met planningen en projecten, maar in de praktijk draait het altijd anders uit. Gelukkig maar, want het is cruciaal dat het element toeval zijn rol kan spelen. Dingen uitproberen, dingen laten gebeuren, dingen níét onder controle houden: dat is werkelijk essentieel, daarin zit vaak het verschil tussen een goed en een slecht werk, tussen een levend en een dood schilderij. Maar je moet het natuurlijk wel zíén als er iets interessants gebeurt. Die opmerkingsgave, dat is volgens mij de belangrijkste eigenschap waarover een kunstenaar moet beschikken.”

Er komt ook een nieuwe publicatie met alleen maar afbeeldingen van de series die u de jongste jaren hebt geschilderd. De titel van het boek is The Badger’s Song. Wie is The Badger?

“Mijn enige assistent: een opgezette das. Hij is altijd in de buurt als ik thuis aan het schilderen ben. Soms steek ik een penseel in zijn muil en zeg ik: ‘Hou jij dit even vast?’ Ik kan ook een bordje tussen zijn poten klemmen dat ik dan gebruik als palet. Ik heb hem al een paar keer geschilderd. Hij is de belangrijkste getuige in mijn atelier, de enige die alles mag zien wat ik doe, met zijn glazen ogen.”

Mag uw vriendin Kaat aanwezig zijn als u aan het werk bent?

“Ja, want zij kan aanwezig zijn zonder toe te kijken. Ze hoeft daar geen moeite voor te doen. Ik heb het haar nog nooit expliciet moeten vragen. Zij neemt spontaan de positie in van huiskat. (lacht) Geef toe, een prachtige kwaliteit voor een kunstenaarsvrouw.”

Als je ze zo samen ziet, zit er verdomd veel grimmigheid in uw reeksen van de afgelopen jaren. Bebloede kinderen in Fire from the Sun. Mannen in zwarte capes in Black Mould. Gemaskerde figuren, macabere dansen, vermommingen...

“Hm, interessante vaststelling.”

Is er een verborgen boodschap?

(geërgerd) “Natuurlijk is die er, maar ik kan ze niet samenvatten in één welluidende boutade. Mijn schilderijen zijn delicate suggestieve constructies, geen illustraties van een bepaalde gedachte. Ik wil ze niet uitleggen, dat is niet mijn taak, en ik zou ze er alleen maar oneer mee aandoen. Dat hele uitleggen van de kunst begint trouwens serieus mijn voeten uit te hangen. Tegenwoordig zouden ze willen dat je een ronkende perstekst schrijft voor je begint te schilderen. Dat is nog een erfenis uit de conceptuele periode, toen het idee voor een kunstwerk ineens ook het kunstwerk was. Ik heb daar niks op tegen, maar ik doe er niet aan mee. (lacht) Daarom staat er in mijn nieuwe boek geen uitleg. Geen woord, geen letter.”

Daarom vraag ik ernaar.

“Ik moet de mensen die naar mijn werk komen kijken toch niet voorzeggen hóé ze ernaar moeten kijken? Ik ben de maker, niet de gids. De algemene lijnen zijn tamelijk duidelijk, lijkt me. Ik reflecteer in mijn werk over de menselijke conditie. Ik treed in dialoog met de kunstgeschiedenis. Ik verwijs naar andere media en cultuurvormen. Ik doe dat op een vrij impliciete manier, maar in een taal die familiair en vertrouwd is: die van de schilderkunst. Dat is een bewuste strategie. Door elementen als schoonheid en charme uit te spelen trek ik de aandacht. Verf vindt men zowat overal ter wereld nog steeds heel sexy. Waarom is mijn werk zo geliefd in Azië en in andere niet-Europese ­culturen? Omdat ik die universele beeldtaal ­hanteer...”

‘Ik moet de mensen die naar mijn werk komen kijken toch niet voorzeggen hóé ze ernaar moeten kijken? Ik ben de maker, niet de gids.’Beeld Charlie De Keersmaecker

Het werk ouder laten lijken dan het is, is dat ook een bewuste strategie?

“Mijn schildertechniek is oud, namelijk die van de barok. Dat is die taal die nog steeds heel leesbaar is. Maar het is ook een manier van werken die mij ligt. Ik zou graag kunnen schilderen zoals Chardin (Jean-Baptiste Siméon Chardin, Franse schilder uit de 18de eeuw, red.): zittend, geconcentreerd, over het doek gebogen. Maar ik ben daar te nerveus voor. De werkwijze van Velázquez past beter bij mijn temperament. Zelfs als ik aan een klein formaat werk, sta ik rechtop en loop ik voortdurend heen en weer. Dat merk je wel aan de energie die in mijn werk zit, denk ik.”

Werkte u vroeger, toen u veel kleine tekeningen maakte, ook al rechtstaand?

“Nee, dat tekenen deed ik zittend. Maar ik was toen een kettingroker, ik stak de ene sigaret na de andere op, dat hield mij kalm. Ik ben gestopt met roken toen mijn lichaam niet mis te verstane signalen begon te geven. Ik trapte op mijn adem.

(denkt na) “Maar om terug te komen op wat je daarnet zei: het klopt dat ik al te letterlijke vingerwijzingen naar de huidige tijd vermijd. Kostuums of decors die overduidelijk van nu zijn, zul je bij mij niet tegenkomen. Ik wil geen schilderijen maken die binnen de kortste keren gedateerd zijn. “Bovendien maak ik het podium voor mijn figuren altijd zeer klein. Je moet er maar eens op letten: ik isoleer figuren en voorwerpen, en ik creëer vaak een ijle, onbestemde ruimte om ze heen. Anderzijds denk ik dat mijn beelden zo hybride zijn, dat ze alleen maar nu geschilderd kunnen zijn.”

De thema’s variëren, maar de stijl verandert nauwelijks. Hebt u nooit eens zin om van uw pad af te dwalen?

(lacht) “Vroeger heb ik dat gedaan, voor ik een pad had. Toen heb ik een paar echte draken gemaakt, volgekliederde doeken die nadien in diverse hoeken van mijn familie zijn terechtgekomen. Ik probeer ze nu om te ruilen voor beter, recenter werk. De draken zal ik vervolgens offeren aan de vlammen uit mijn kachel. (lacht) Maar ik heb een excuus: niet ik, maar de persoon die ik toen was heeft ze gemaakt.

“Ondanks die herkenbare signatuur van de stijl, evolueer ik, evolueert mijn werk, wel degelijk, vind ik. Ik weet ook heel goed wat het verschil is tussen risicovol en risicoloos. Voor sympathiek werk zoals deze Coloured Cones, of voor de portretten die ik maak, zijn er altijd tientallen gegadigden. Makkelijk vijftig man, als het er geen honderd zijn. Maar voor kannibalistische taferelen met kindertjes, zoals in Fire from the Sun, zijn er merkbaar minder kandidaat-kopers. Wel, daar kan en mag ik als kunstenaar geen rekening mee houden.

(laat een plechtige stilte vallen) “Je móét blijven experimenteren. Anders val je in slaap of begin je jezelf te herhalen. Je ziet dat vaak gebeuren bij succesvolle kunstenaars. De kunstverzamelaars hebben er ook schuld aan: die willen doorgaans allemaal hetzelfde type werk. Wie het goed voorheeft met de kunstenaar, zou diens experimenteerdrang juist moeten stimuleren, in plaats van hem tegen te werken. Galeries en collectioneurs moeten vooral niet zagen als de kunstenaar eens iets anders doet, ook al vinden ze dat minder interessant. Want de kunstenaar moet vooruit, dus hij móét risico’s nemen.

“Misschien maak ik de komende vijf jaar alleen maar shit. Dat zou kunnen. Dat moet kunnen. Ik zal het mezelf in elk geval toestaan. (lachje) Om daarna weer met weergaloos werk op de proppen te komen, uiteraard. Als kunstenaar mag je nooit op safe spelen. En je mag het nooit voor het geld doen. Dat komt wel vanzelf, als je goed werk maakt.”

Of het komt niet, zoals bij de meeste kunstenaars.

“Ik verkeer gelukkig in de positie dat ik reserve heb, maar het is waar: voor jonge kunstenaars zijn het bittere tijden. Ik ben daar zeer bezorgd over. Mijn advies aan hen is: ontwikkel je werk in stilte, in de luwte, zodat je straks, als het weer beter gaat, onverwacht sterk uit de hoek kunt komen. Dat is het enige wat je kunt doen. Just don’t give up.”

‘Als mijn vriendin in harmonie is met wat ik doe, dan is zij de vriendin die ik nodig heb. Dat klinkt egocentrisch, maar ik kan het niet helpen.’Beeld Charlie De Keersmaecker

Doet de coronacrisis zich gevoelen in de hogere regionen van de kunstwereld?

(lacht) “Ik heb dit jaar nog geen enkel werk verkocht. Niet één! Dat komt natuurlijk doordat ik niks in de aanbieding had: deze tentoonstelling was uitgesteld, alle kunstbeurzen werden geannuleerd. Voor mij persoonlijk was dat niet zo erg, maar de kunstwereld zoals we die kenden heeft toch een paar maanden platgelegen. Er wordt nu meer verkocht via het internet, maar dat is niet hetzelfde, vind ik. Het is een andere energie. Ik denk soms: misschien moet ik er carrément mee stoppen...”

Hoe bedoelt u?

“... niet met werken, niet met schilderen, maar met de kunstmarkt te bevoorraden. Ik zou het wel een mooi scenario vinden: ik stap uit de markt en ik stop al het werk dat ik maak voortaan in mijn stichting. Dan moeten mijn dochter en mijn erfgenamen later maar zien wat ze ermee doen. De stichting zou dan belangrijker worden, en langer kunnen bestaan, omdat ze zo veel werk van mij in beheer heeft. Ik zeg niet dat ik het ga doen, hè, maar het is een optie, het móét een optie zijn. (droomt weg) Zelf ga ik dan een comfortabeler leven kunnen leiden. Uit the picture, uit de tredmolen. Ik besef dat ik makkelijk praten heb. Veel kunstenaars zouden hun armen en benen geven om in mijn schoenen te staan.”

Het lijkt me wel een enorm risico: je verdwijnt letterlijk van de kaart van de hedendaagse kunst.

“Inderdaad, je kunt volledig vergeten worden. (lacht) Maar dat heeft als voordeel dat je opnieuw ontdekt kunt worden. Ik hoop dat mijn werk sterk en uniek genoeg is om later opnieuw ontdekt te worden. (denkt na) Je hebt gelijk: het is een gigantisch risico. Het zou niet verstandig zijn om het nu al te doen. Maar dat zijn dingen waarover ik nadenk, begrijp je?

“Ik doe dat eigenlijk constant, fantaseren over wat ik allemaal zou kunnen doen. Als ik met nieuw werk bezig ben, bekijk ik ook altijd de verschillende mogelijkheden, inclusief de vernietiging ervan. Voor mij is het essentieel dat ik het werk kan maken dat ik wil maken, zonder veel invloed en druk van buitenaf. Mijn ijdele zelf streeft ernaar om gezien en gewaardeerd te worden, maar een ander deel van mijn gespleten persoonlijkheid zoekt naar een positie in de buitenbaan. Ik heb ook een heilige schrik voor over­exposure. Ik hou van schrijvers en muzikanten die maar af en toe een boek of een plaat maken. Ze hebben zich ergens in de schaduw genesteld, maar áls ze met iets komen is het altijd de moeite waard.”

Hebt u een leven buiten de kunst?

(lacht) “Eigenlijk niet, nu ik erover nadenk. Vijfennegentig procent van mijn leven staat in het teken van mijn kunst. Ook mijn sociaal leven. Ik durf niet te beweren dat ik vrienden heb buiten de kunstwereld. Op een begrafenis kom ik wel eens kennissen van vroeger tegen, maar dat is het dan ook. Ik vind dat niet erg. Ik wil zo leven, in een bubbel, in een heel beperkte omgeving, zoals vroeger in een dorp. Alles wat ik doe moet mijn werk ten goede komen. Ook de mensen met wie ik omga. Ook mijn lief. Als mijn vriendin in harmonie is met wat ik doe, dan is zij de vriendin die ik nodig heb. Dat klinkt afschuwelijk egocentrisch, maar ik kan het ook niet helpen. Ik ben veroordeeld tot de kunst. (lacht) En ik vind het geen straf.”

Coloured Cones van Michaël Borremans, van 28/10 t.e.m. 19/12, en van 13/1/21 t.e.m. 20/2 in Zeno X Gallery, Antwerpen. Alle info: zeno-x.com.

Michaël Borremans, The Badger’s Song, Hannibal Books, 176 p., 49,95 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234