Maandag 23/11/2020

InterviewBoeken

Sander Kollaard: ‘Ik ben lang een verwarde figuur geweest’

Sander Kollaard: ‘Alle jeugdzonden heb ik weten te voorkomen en alle pijnlijke missers ook, tot nu toe dan.’Beeld Hilde Harshagen

Kom bij Libris-winnaar Sander Kollaard (59) niet aan met diepzinnige interpretaties van zijn nieuwe novelle Rood. Dat is werk voor de lezer. ‘Ik heb niks met inspiratie, dat interesseert me niet.’ 

Begin oktober kwam schrijver Sander Kollaard historicus Pieter Caljé tegen, tijdens de opname van een podcast over geschiedenis en literatuur. Ze kennen elkaar van vroeger, de jaren 1980, toen Kollaard in Amsterdam geschiedenis studeerde en Caljé zijn scriptiebegeleider was.

BIO • geboren in 1961 in Amstelveen • debuteerde in 2012 met de verhalen-bundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde • roman Stadium IV was in ‘15 boek van de maand in De wereld draait door • in 2018 verscheen de verhalenbundel Levensberichten • won in juni 2020 de Libris Literatuur Prijs met Uit het leven van een hond • heeft nu een novelle uit, Rood 

Kollaard: “Bij mijn afstuderen sprak hij woorden die ik nooit vergeten ben (zet een plechtige professorstem op): ‘Sander, ik denk dat jij iets met schríjven moet gaan doen.’ Pieter wist het ook nog. Alleen bleek ik die woorden destijds helemaal verkeerd geïnterpreteerd te hebben. Ik dacht: hij denkt dat ik niet deug voor de wetenschap – wat ook wel klopt. Maar hij bedoelde dat hij vond dat ik goed schreef.”

Hebt u zo’n negatief zelfbeeld? Om maar meteen de diepte in te duiken.

“Nee, nee. Ik heb helemaal geen negatief zelfbeeld. En ik ben ook niet vals bescheiden. Ik ben oprecht bescheiden, al is het best moeilijk dat te blijven, met al die complimenten die ik de hele tijd in mijn kont gestoken krijg. Ik vind het een fijn idee dat ik straks weer thuis ben en het vuilnis buiten moet zetten.”

Sander Kollaard (1961) woont in Zweden, met echtgenote Susanna, drie kinderen, een hond en diverse kippen. Sinds hij in juni de Libris Literatuur Prijs 2020 won met Uit het leven van een hond vliegt hij geregeld naar Nederland om lezingen te geven. De laatste was in het Limburgse Heerlen, waar een aardige lezeres naar hem toe kwam om te vertellen dat ze na lezing van Uit het leven van een hond al haar vriendinnen had gemaild om te zeggen dat die Sander Kollaard weleens een hele grote kon worden. “Maar toen dacht ze nog dat ik 30 was.”

Behalve met de promotie van ‘het hondenboek’, zoals Kollaard Uit het leven van een hond tot weerzin van zijn uitgever noemt, was hij de afgelopen maanden druk met het schrijven van een nieuw boek. Boekje. Een kleine novelle in de ‘blinde reeks’ waarmee uitgeverij Van Oorschot haar 75-jarig bestaan viert en die Rood heet. De eerste zinnen gaan zo: ‘Bloed is rood. Het hart is rood (door al dat bloed).’

Ik vond dat heel geraffineerd bedacht.

“Wat?”

Die subtiele verwijzing naar de eerste zinnen van Uit het leven van een hond: ‘Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt.’

“O, dat is toeval. Sorry.”

Nee toch?

“Toch wel, vrees ik. Het was oorspronkelijk niet eens de eerste zin. Dat was iets van ‘aardbeien zijn rood’. Ik had allemaal bladzijden volgeschreven met rode dingen en daaruit heb ik er uiteindelijk een aantal gekozen. Waaronder bloed dus, en hart.”

‘Ik vind niet zo heel veel. Nou ja, ik vind wel veel, maar ik ben altijd bereid iets anders te vinden.’Beeld Hilde Harshagen

Hoe belangrijk is een eerste zin?

“Niet zo. Hoewel, dat is niet waar. Wat je veel ziet – en mij mateloos irriteert – zijn zinnen die bedoeld zijn om mij bij de strot te grijpen en het verhaal in te sleuren: en nú is er spanning! Die nadrukkelijke eerste zinnen, waarover lang is nagedacht. Dat heeft voor mij een afstotend effect. Wel heb ik graag een zin waardoor een scène me meteen op het netvlies komt. De eerste zin van De avonden is bijvoorbeeld goed. ‘Het was nog donker toen Frits van Egters’, et cetera.”

In Uit het leven van een hond laat u Henk iets interessanters zeggen. Hij denkt na over een toekomstige gebeurtenis waarvan hij al weet heeft, ‘omdat die gebeurtenis besloten ligt in de afgelopen uren, ongeveer zoals een roman al besloten ligt in de eerste zin’. Of lult Henk uit zijn nek?

“Ik ben wel geneigd dat te denken, ja. Ik weet niet precies wat de context is waarin Henk dat zegt, laat eens zien? (stilte) O ja. Ja, ja. Nou kijk: op dit moment in het verhaal is ie behoorlijk dronken, hij is druk in gesprek met zijn nichtje Rosa, hij heeft ontdekt dat hij verliefd is op Mia; hij is al met al behoorlijk over zijn toeren en laat zich hier misschien wat meeslepen.”

Dus dit is niet iets wat de schrijver van het boek ook vindt. Dat een roman besloten ligt in de eerste zin.

“Nee. Ik vind niet zo heel veel. Nou ja, ik vind wel veel, maar ik ben altijd bereid iets anders te vinden. Ik zou in een interview best zoiets kunnen zeggen, over zo’n eerste zin, en behoorlijk trots zijn op mijn vondst. Maar als je erover gaat nadenken, weet je dat het zo niet werkt. Je kunt in een verhaal heel lang alle kanten op.”

In Rood worden bespiegelingen over de kleur rood en over woede vervlochten met het verhaal van de Zweedse Anna die, toen ze 17 jaar en zwanger was, op een vroege ochtend in januari uren met een engel vocht, tot de zon opkwam.

Rood is ontstaan “als spelletje voor mezelf”, zegt Kollaard. “Elk boek heeft zijn eigen regels. Je krijgt een spel toegeschoven maar niet de regels, dus het eerste wat je te doen staat, is ontdekken hoe het dit keer moet gaan. Hier wilde ik niet van tevoren een verhaal bedenken, maar uitgaan van een paar ingrediënten: een kleur, een actueel thema en een klassiek verhaal, maar herverteld.

“Het verhaal is dat van Jacob en de engel uit de Bijbel, over de strijd tussen de broers Jacob en Esau om de gunst van God. Aan het einde worstelt Jacob met een man, er staat nergens dat het een engel is, die interpretatie geeft hij er zelf aan. Vertel me je naam, vraagt Jacob steeds, maar de engel wil dat niet zeggen.

“Ik lees graag in de Bijbel, omdat ik wel geïntrigeerd ben door die verhalen. Er zitten mooie passages in, al is het vaak ellendig opgeschreven, onduidelijk ook – stilistisch is het waardeloos. Maar het beeld van Jacob en de engel is mooi. De scène is vaak geschilderd, door Rembrandt onder anderen, een heel mooi en ambigu beeld: het is niet duidelijk of die twee mannen aan het vechten zijn, of dat de ene man de andere omhelst.”

In Rood heeft de engel ‘de domme koppigheid van een machine’ die blind gehoorzaamt aan een meester. Staat hij symbool voor door algoritmen gestuurde, niet nadenkende apparaten? Voor kunstmatige intelligentie?

“Daar heb ik helemaal niet aan gedacht. Ik ben geen schrijver die allerlei betekenissen in zijn zinnen legt. Ik ga gewoon op in zo’n verhaal en probeer het zo goed mogelijk te vertellen; dat is alles. Daarna is het aan de lezer. Ik hoef niet al het werk te doen.”

‘Ik schrijf van 9 tot 12. Het móét zo gestructureerd. als ik dat niet doe, ga ik lanterfanten.’Beeld Hilde Harshagen

Maar waar staat voor u dat verhaal van Jacob voor?

“Nergens voor. Het wordt vaak geïnterpreteerd als een verhaal over de worsteling met het geloof, maar volgens mij moet je wel heel welwillend lezen om dat erin te zien. Mijn verhaal gaat daar in elk geval niet over en is ook niet persoonlijk; mijn ouders waren gereformeerd – niet streng, maar wel serieus – maar mijn worsteling is al geruime tijd geleden en heeft kort geduurd. Ik vind het simpelweg een mooi verhaal.”

Gaat Uit het leven van een hond wel ergens over?

‘Nee. Ja. Het gaat over van alles en nog wat… Het is wel meer weloverwogen tot stand gekomen dan Rood. Ik begon op dezelfde manier, zonder veel voorbedachte raad. De eerste versie was vooral een portret van een zo gewoon mogelijke man, dat vertel ik althans overal; in werkelijkheid is hij natuurlijk helemaal niet zo gewoon, niemand is gewoon, in al die mensenlevens zit van alles dat rijk is en de moeite waard. Maar op een gegeven moment begon ik te zien wat voor man het echt was, en dat beviel me wel. Toen ben ik gaan drukken op zijn levenslust, op zijn vermogen er iets van te maken, en heb ik hele stukken herschreven.”

Is het lastig om over uw eigen verhalen en romans te praten?

“Ja. Ik vind het heel moeilijk, vooral in het begin. Over het hondenboek kan ik nu eindeloos zwetsen, ik word niet meer verrast, inmiddels weet ik wel hoe daarnaar gekeken wordt. Maar dit is het eerste gesprek over Rood, en nu stel jij vragen en weet ik het meteen al niet.”

Waar begint het schrijven van een nieuw verhaal mee? Met innerlijke noodzaak?

“Nee, met financiële noodzaak, haha! Ik heb niks met inspiratie, dat interesseert me niet. Ik ga gewoon elke dag zitten. Ik begin om een uur of 9 en schrijf als het goed gaat – want ik laat me ook gemakkelijk afleiden – door tot een uur of 12; dat zijn de beste uren. Dat is het. Als je dat maar gewoon volhoudt, heb je op den duur iets. Een verhaal, een roman. Het móét zo gestructureerd, want als ik dat niet doe, ga ik lanterfanten en heen en weer dwarrelen. En dat kan ik me niet veroorloven.”

Hoe belangrijk is stijl?

“Cruciaal, net zoals inhoud cruciaal is, maar het is een symbiotisch proces – het een kan niet zonder het ander. Ik denk nooit na over stijl in termen van ‘ik moet een mooie zin maken’. Het enige waar ik tijdens het schrijven de hele tijd mee bezig ben, is om iets zo duidelijk en goed mogelijk te zeggen. Dat leidt af en toe tot zinnen die mensen als heel mooi ervaren en waarvan ik zelf ook zie dat ze mooi zijn. Maar voor mij is ‘mooi’ meer een aanwijzing dat ik er zo’n beetje ben, dat het helder genoeg is. Dat inhoud en vorm voldoende samenvallen.”

Dat het klopt.

“Dat het klopt, precies. Je voelt op een gegeven moment of het klopt. Dat moment zoek ik op en dan kan ik door en ben ik tevreden.”

Sander Kollaard was de 50 gepasseerd toen hij in 2012 debuteerde met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. Daarvoor schreef hij vooral voorlichtingsmateriaal voor patiënten, in opdracht van een medische uitgeverij in Amsterdam. Soms dook het verlangen op naar het schrijven van literatuur, af en toe probeerde hij iets, maar het kwam er pas echt van nadat hij op zijn 44ste de Zweedse Susanna had ontmoet, die getrouwd was en moeder van twee kleine kinderen.

“Ik was een onbekommerde man met een onbezorgd leven en had geen enkele ambitie te trouwen of kinderen te krijgen – niet dat ik daar iets op tegen had, maar kinderen op zichzelf waren nooit een doel. Hoe dan ook: binnen de kortste keren lag Susanna in scheiding, was ze zwanger en ging ik met haar mee naar Zweden.

“Ik kwam terecht in een voor mij vreemd land en een voor mij vreemde rol, met jonge kinderen die ontzettend veel vragen en de dag bepalen. Toen ben ik verhalen gaan schrijven.”

‘Het gaat natuurlijk ooit mis, maar je móét boven je macht blijven grijpen.’Beeld Hilde Harshagen

Als ontsnapping?

“Dat is misschien te bot, maar ik had wel nadrukkelijk behoefte aan iets voor mezelf, iets waarmee ik me kon afschermen.

“Ik ging mijn verhalen opsturen naar literaire tijdschriften en vrij snel werden ze geaccepteerd, eerst door De gids, toen door Tirade. Menno Hartman en Merijn de Boer van Van Oorschot nodigden me toen een keer uit en vroegen of ik meer wilde doen. Zo is het gegaan.”

Maar waarom bent u niet eerder begonnen?

“Het ontbrak me aan discipline, aandacht, reflectie. Lezen deed ik altijd wel, als kind al. Gereformeerden zijn ernstige mensen, hè, die lezen veel. Dat verheffingsideaal van die gereformeerden, dat hebben mijn ouders heel sterk: lezen is belangrijk, school is belangrijk, je ontwikkelen is belangrijk.”

Stonden er ook zondige boeken in de kast?

“Ja hoor, Wolkers en Campert. En mijn broer – ik heb een oudere broer en twee zussen, ik ben de derde, een heel comfortabele positie – ging Nederlands studeren en had de boeken van Jan Cremer. Ook mijn oma, die echt heel gelovig was, gaf mij behoorlijk goddeloze boeken, zoals De kapellekensbaan van Louis Paul Boon. Tijdens mijn studie geschiedenis las ik nog steeds als een waanzinnige en daarna helemaal, toen ik werkloos raakte. Voor mij was die werkloosheid een zegen, want ik had toch geen idee wat ik wilde doen.”

Nu bent u bijna 60. Is het niet jammer, al die boeken die nooit zijn verschenen omdat u niet eerder bent gaan schrijven? Of hebben we niet zo veel gemist?

“Nee, volgens mij heb je helemaal niks gemist. Ik ben hier wel blij mee. Alle jeugdzonden heb ik weten te voorkomen en alle pijnlijke missers ook, tot nu toe dan, het kan nog gebeuren; op een gegeven moment word ik te oud.”

Maar u denkt dus niet dat u iets goeds had gemaakt als u op uw 25ste al was begonnen.

“Op die vraag is natuurlijk geen antwoord te geven. Ik vind het moeilijk om me dat voor te stellen, omdat ik lang een verwarde figuur ben geweest, en ik het idee heb dat pas sinds Susanna de boel een beetje begint op te klaren. Dat ik nog maar vrij kort inzie waar mijn leven eigenlijk over gaat. Wat ik moet doen en niet moet doen. Ik ben veel meer ontspannen en kalmer en minder verlegen dan tien, laat staan twintig jaar geleden. Vanaf mijn 45ste begon alles op te knappen. Het werk dat ik vroeger deed, deed ik alleen voor de centen, het was op geen enkele manier een levensvervulling. Dit schrijven staat veel dichter bij me. Wie die ‘me’ dan ook is; dat is altijd de vraag.”

In Uit het leven van een hond heeft Henk het ook over identiteit, over zijn gevoel uit los zand te bestaan dat zomaar uit elkaar kan vallen. De vraag wat een ik is, komt in uw werk vaak terug.

“Ja.”

Heeft u er al een antwoord op?

“Geen definitief antwoord, ik kan geen college geven over hoe het ‘ik’ in elkaar steekt. Wel ben ik steeds beter gaan zien hoe groot de rol van verhalen is, overal en altijd. Dat geldt net zo goed voor de persoonlijke identiteit. Het ‘ik’ is ook een verhaal, dat in de loop der tijd verandert. Het is grotendeels een constructie, in dienst van de dingen die je doet en voor je kiezen krijgt. In hoeverre is er een soort harde kern, in de persoonlijkheid, die je met recht een ‘ik’ kan noemen? Is die er eigenlijk wel? Ik twijfel daar zeer aan.

“Nou goed, het blijft een rijk onderwerp, ik hoef ook niet tot een slotsom te geraken; als er mooie verhalen uit voortkomen, vind ik het allang best.”

Hoeveel boeken wilt u nog schrijven?

“Tussen nu en mijn 70ste wil ik mijn oeuvre zo’n beetje verdubbelen, dan kom ik op acht boeken of zo – dat is mooi genoeg. Ik ben wel van plan het maximale eruit te halen en daar alles voor te doen. Literatuur neem ik heel serieus. Mezelf wat minder, maar literatuur wel. Het moet steeds beter worden, ik moet boven mijn macht blijven grijpen. Dat gaat natuurlijk een keer mis, ooit, maar zo moet het.”

Sander Kollaard: Rood. Van Oorschot; 30 pagina’s; € 5,99.

Blinde boekjes

Rood is een van de dertien ‘blinde boekjes’ die uitgeverij Van Oorschot uitbrengt ter viering van het 75-jarig bestaan. De boekjes (van onder anderen Martin Michael Driessen, Marijke Schermer en Jannie Regnerus) liggen in de winkel in een display met de tekst ‘Van Oorschot koop je blind’ en zitten verpakt in een envelop. 

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234